Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:8307

2026-08-13 Bestuursrecht AMS 25/5183
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-13
Publicatiedatum
2026-08-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
AMS 25/5183
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat het zorgkantoor bevoegd is om bij het verlenen van een persoonsgebonden budget (pgb) de doelmatigheid van de Wlz-zorg te beoordelen waardoor ook het pgb lager kan worden vastgesteld dan het basisbedrag zoals is genoemd in artikel 5.1, tweede lid, van de Regeling langdurige zorg (Rlz) en de daarbij behorende Bijlage H. Het zorgkantoor heeft voor 2024 en 2025 het “Pgb op maat” (zoals is bedoeld in artikel 5.8a van de Rlz) mogen vaststellen. Daarbij is echter onvoldoende rekening gehouden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nu het “bewust keuze gesprek” tussen partijen onvoldoende is gegaan over de dagelijkse zorgbehoefte van eiser. De rechtbank verklaart het beroep om die reden gegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.432 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: AMS 25/5183


uitspraak van de meervoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. M.F. Vermaat),


en


Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V., verweerder
(gemachtigde: mr. T. Olaniyi).

Samenvatting


1. Aan eiser is door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) een indicatie toegekend op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiser heeft bij verweerder een aanvraag ingediend voor een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wlz. Verweerder heeft een pgb voor het jaar 2024 toegekend en het pgb voor het jaar 2025 ambtshalve verlengd. Volgens eiser is verweerder niet bevoegd om het pgb lager vast te stellen dan het maximaal beschikbare basisbedrag dat hoort bij zijn zorgprofiel en zoals is vermeld in Bijlage H bij de Regeling langdurige zorg (Rlz). Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank, aan de hand van deze gronden, of verweerder op grond van artikel 5.8a van de Rlz het “Pgb op maat” heeft mogen vaststellen.



1.1.
De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat verweerder bevoegd is om bij het verlenen van een pgb de doelmatigheid van de Wlz-zorg te beoordelen waardoor ook het budget lager kan worden vastgesteld dan het basisbedrag. Bij deze beoordeling moet verweerder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen. In deze zaak is dat onvoldoende gebeurd. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een pgb. Verweerder heeft met het primaire besluit 1 van 14 september 2024 voor het jaar 2024 een pgb toegekend. Met het primaire besluit 2 van 30 november 2024 heeft verweerder een pgb voor het jaar 2025 toegekend. Voor 2025 gaat het om een ambtshalve verlenging. Met het bestreden besluit van 28 juli 2025 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten 1 en 2 gevoegd behandeld en deels gegrond verklaard. Verweerder heeft voor ongeveer anderhalf uur per week meer pgb toegekend.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.


2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de zus en tevens mentor van eiser, [zus], de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.




Beoordeling door de rechtbank



Wat vooraf ging aan het bestreden besluit


3. Eiser is geboren op [geboortedag] 1957 en is nu 68 jaar oud. Hij heeft geen vast woonadres. Hij verblijft het meest bij zijn zus [zus] (hierna: de zus) op de [adres 1] in Amsterdam, dat adres is tevens zijn briefadres. Daarnaast verblijft hij ook afwisselend bij een andere zus op de [adres 2] in Amsterdam en bij een nicht in Almere.
4. Eiser heeft een psychiatrische aandoening en is daardoor verminderd zelfredzaam. Hij ontvangt een pgb op basis van het zorgprofiel GGZ wonen met intensieve begeleiding en verzorging. De zus van eiser beheert het pgb en zij is ook zijn zorgverlener. Eiser heeft in een toelichting bij de zorgovereenkomst van 29 januari 2024 onder andere geschreven dat hij een pgb wil zodat hij bij zijn familie en vrienden kan blijven wonen. Hij wil uitdrukkelijk niet in een zorginstelling wonen. De zus van eiser heeft op de zitting toegelicht dat zij altijd in zijn buurt moet zijn. Zij ondersteunt eiser in praktische zin, bijvoorbeeld bij het wassen, aankleden en de gang naar het toilet. Zij begeleidt hem bij zijn activiteiten, eiser houdt onder andere van muziek, schrijven en schilderen, en ze gaan er vaak samen op uit omdat het voor eiser belangrijk is dat hij impulsen van buiten krijgt.

5. Op 13 juni 2024 heeft (telefonisch) een bewust keuze gesprek plaatsgevonden tussen de zus van eiser en een medewerker van verweerder. Uit het verslag van dit gesprek volgt dat eiser vanaf 2008 zorg vanuit een pgb ontvangt en dat het in dit geval om een verhuisdossier gaat. Dat wil zeggen dat het pgb eerder werd uitbetaald door een ander zorgkantoor dan Zilveren Kruis, namelijk Zorg en Zekerheid. Op de zitting heeft de zus van eiser toegelicht dat het pgb in het verleden werd verleend voor 40 uur (informele) zorg per week.

6. Met een e-mail van 2 juli 2024 heeft verweerder de volgende aanvullende informatie opgevraagd bij de zus van eiser: een bewijs van inschrijving voor een vast woonadres en een verklaring waarom eiser niet bij zijn zus kan worden ingeschreven als vast woonadres, een weekoverzicht met betrekking tot de zorg die wordt geleverd en een medische verklaring waarom zorg vanuit het pgb noodzakelijk is en zorg in natura (ZIN) voor eiser geen optie is.

7. Met een e-mail van 18 juli 2024 heeft verweerder aan de zus van eiser uitstel verleend tot 1 augustus 2024 voor het aanleveren van de betreffende stukken.

8. In een e-mail van 27 augustus 2024 heeft verweerder bevestigd dat het bewijs van inschrijving voor een vast woonadres is ontvangen. Verweerder heeft de zus van eiser tot uiterlijk 30 augustus 2024 uitstel verleend voor het indienen van een weekoverzicht ten aanzien van de zorgmomenten.

9. Nadat verweerder het weekoverzicht heeft ontvangen, is beoordeeld welke zorg kwalificeert als Wlz-verzekerde zorg en daarmee vanuit het pgb vergoed mag worden. De zus van eiser is met een e-mail van 12 september 2024 hierover geïnformeerd. Verweerder maakt gelet op de bijzondere omstandigheden van eiser een uitzondering op zijn beleid ten aanzien van het ontbreken van een vast woonadres omdat eiser onderdak heeft en omdat ZIN niet behoort tot de mogelijkheden. Het pgb kan worden ingezet voor maximaal 30 uur per week tegen een uurtarief van € 24,44. Verweerder heeft in een overzicht vermeld welke zorg Wlz-zorg betreft en welke zorg geen Wlz-zorg betreft en dus niet mag worden vergoed vanuit het pgb.

10. Met het primaire besluit 1 is aan eiser een pgb toegekend voor de periode 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 ter hoogte van € 38.125,06.

11. Met het primaire besluit 2 is aan eiser een pgb toegekend voor de periode 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025 ter hoogte van € 40.012,20.

12. Met het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten 1 en 2 gevoegd behandeld en deels gegrond verklaard. Verweerder stelt zich (samengevat) op het standpunt dat hij bevoegd is de werkwijze “Pgb op maat” te hanteren, dat wil zeggen, een pgb lager vast stellen dan het bedrag dat volgt uit bijlage H van de Rlz op basis van het zorgprofiel. Verweerder wijst erop dat hij in 2024 bevoegd was hiertoe en dat hij met de invoering van artikel 5.8a van de Rlz vanaf 1 januari 2025 hiertoe verplicht is. Volgens verweerder beoordeelt het CIZ het recht op zorg voor de verzekerde en stelt vast welk zorgprofiel de verzekerde het beste past. De daadwerkelijk zorgverlening dient doelmatig te zijn; verweerder beoordeelt de doelmatigheid van het budget op basis van het zorgplan. Het CIZ gaat daar niet over. Volgens verweerder is voorts bestedingsvrijheid niet de vrijheid om het maximale beschikbare budget volgens de Rlz bijlage H te besteden (waarbij verzekerde dan de vrijheid heeft om dat maximale beschikbare budget naar eigen inzicht over verschillende zorgfuncties te verdelen). Op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Rlz is het bedrag in bijlage H beschikbaar, er staat niet dat dat bedrag wordt verleend. In de Memorie van Toelichting bij de Wlz staat dat het zorgkantoor het 'trekkingsrecht’ bepaalt op grond van het budgetplan. Dat wordt dus van geval tot geval bepaald; dat in een andere zaak het maximale budget is verleend doet volgens verweerder niet af aan zijn bevoegdheid in dit individuele geval via de werkwijze van het “Pgb op maat” het pgb lager vast te stellen dan het bedrag zoals dat volgt uit bijlage H van de Rlz.
13. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit de doelmatigheid van de zorg beoordeeld aan de hand van het weekoverzicht dat door eiser is overgelegd. Verweerder heeft het weekoverzicht aangemerkt als het zorgplan (lees: het budgetplan). De zorghandelingen en tijduren zijn beoordeeld onder de kopjes Persoonlijke verzorging, Begeleiding, Vrije tijdbesteding en begeleiding daarbij, Huishoudelijk werk, Incidentele onplanbare zorg en Niet-verzekerde diensten. De opgesomde verzekerde zorghandelingen duren volgens de becijfering opgeteld 31:25 uur per week, of in decimalen (afgerond naar boven) 31,42 uur zorg per week. Het pgb voor 2024 wordt daarmee naar boven vastgesteld op € 42.928,95 en voor 2025 op € 45.053,87.



Het juridische beoordelingskader


14. Voor de beoordeling van deze zaak gaat de rechtbank uit van het volgende.


14.1.
De verzekerde kan bij het zorgkantoor een aanvraag voor een pgb indienen. Dit is geregeld in artikel 3.3.3, eerste lid, van de Wlz. Bij het verlenen van een pgb volgt het zorgkantoor de regels zoals vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. Op grond van artikel 3.6.3 van het Besluit langdurige zorg (Blz) bedraagt het pgb ten hoogste een bij ministeriele regeling te bepalen bedrag.



14.2.
Bij een pgb-aanvraag moet de verzekerde onder meer duidelijk maken dat 1) de in te kopen zorg verantwoord en van goede kwaliteit is en 2) hij of zijn vertegenwoordiger in staat is de eigen regie en de pgb-taken uit te voeren. De verzekerde zal het zorgkantoor dan ook alle gegevens en bescheiden moeten verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag noodzakelijk zijn.



14.3.
Het zorgkantoor houdt een bewust keuze gesprek om de pgb-aanvraag met de verzekerde te bespreken. Het bewust keuze gesprek heeft meerdere doelen, waaronder de mogelijkheid om de verzekerde voor te lichten over de pgb-verplichtingen, te beoordelen of de verzekerde in staat zal zijn de verplichtingen na te komen en te bezien of weigeringsgronden van toepassing zijn.



14.4.
Het is de bedoeling dat door de controle aan de voorkant wordt geborgd dat het pgb wordt besteed aan zorg waarin de Wlz voorziet. Deze controle begint bij de beoordeling van de pgb-aanvraag. Het zorgkantoor moet daarom bij de pgb-aanvraag aan de hand van het budgetplan en het bewust keuze gesprek beoordelen of de verzekerde of de gewaarborgde hulp voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.3.3, vierde lid, van de Wlz. Deze voorwaarden borgen onder meer een goede kwaliteit en organisatie van de zorg. Alleen als aan deze voorwaarden is voldaan, wordt het pgb aan de verzekerde verleend.



14.5.
Op 1 januari 2025 is artikel 5.8a van de Rlz ingevoerd. Hierin is bepaald dat het zorgkantoor aan de hand van het budgetplan, bedoeld in artikel 5.8, eerste lid, van de Rlz en het gesprek, bedoeld in artikel 5.8, derde lid, van de Rlz de bij de zorgvraag passende zorginzet van de verzekerde vaststelt en verleent met inachtneming van het basisbedrag, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de Rlz, een op die zorginzet afgestemd persoonsgebonden budget.



14.6.
Uit artikel 5.1, eerste lid, van de Rlz volgt dat een modulair pakket thuis, persoonsgebonden budget of een combinatie hiervan slechts kan worden toegekend indien de zorg op een verantwoorde en doelmatige wijze ten huize van de verzekerde kan worden verleend.



14.7.
Uit artikel 5.1, tweede lid, van de Rlz volgt dat voor het persoonsgebonden budget het basisbedrag, genoemd in bijlage H, beschikbaar is, verminderd met de kosten van het modulair pakket thuis voor huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging, verpleging, logeeropvang, individuele begeleiding en begeleiding in groepsverband en vervoer.



14.8.

Uit de definitie zoals genoemd in artikel 1.1 van de Rlz volgt dat het basisbedrag, het maximumbedrag is dat voor het modulair pakket thuis en het pgb tezamen beschikbaar is.

De bevoegdheid van verweerder


15. Tussen partijen is, gelet op het hiervoor beschreven beoordelingskader, niet in geschil dat het zorgkantoor beoordeelt of de ingekochte zorg valt binnen het zorgprofiel en of het Wlz-verzekerde zorg betreft. Hiervoor is een zorginhoudelijke toets van de zorgovereenkomst(en) en van het budgetplan noodzakelijk.

16. Eiser bestrijdt dat verweerder kan ingrijpen in de besteding van het bedrag als de ingekochte zorg valt binnen het zorgprofiel en sprake is van Wlz-verzekerde zorg. Verweerder mist de bevoegdheid om op eigen gezag minder zorg te vergoeden dan aangevraagd en aldus te beslissen dat de zorg ook in minder uren kan. Eiser betoogt in dit kader dat het aan het CIZ is om te bepalen of toegang tot de Wlz bestaat en welk zorgprofiel het best passend is. Uit artikel 3.2.3 van de Wlz blijkt dat het CIZ in een indicatiebesluit het recht op zorg vaststelt dat aansluit bij de behoefte van de verzekerde. In het profiel is beschreven waarop hij vanuit een oogpunt van doelmatige zorgverlening is aangewezen: het zorgprofiel. In bijlage H van de Rlz is vervolgens opgenomen welk basisbedrag voor de doelmatige zorgverlening van zijn behoefte beschikbaar is. Het gaat om maximaal beschikbare bedragen. Elke zorg die tussen de budgethouder en de zorgaanbieder is overeengekomen en binnen de kosten blijft, kan daarom niet als ondoelmatig worden beoordeeld door het zorgkantoor.

17. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft toegelicht dat uit de Wlz-systematiek volgt dat hij aan de hand van het goedgekeurde budgetplan het trekkingsrecht van de budgethouder bepaalt. Hoewel hij voorheen steeds het aan de Wlz-indicatie gekoppelde basisbedrag heeft toegekend, is hij vanaf begin 2023 in toenemende mate gebruik gaan maken van zijn reeds bestaande bevoegdheid om het trekkingsrecht te bepalen. Met de invoering van artikel 5.8a van de Rlz is deze bevoegdheid een verplichting geworden voor de zorgkantoren. Deze uitleg vindt steun in de toelichting van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij artikel 5.8a van de Rlz. In deze toelichting wordt uitgelegd dat het zorgkantoor reeds op basis van de bestaande regelgeving bevoegd is om de hoogte van het toe te kennen pgb af te stemmen op de zorginzet passend bij de individuele zorgvraag van de budgethouder. Met de invoering van artikel 5.8a van de Rlz wordt deze “Pgb op maat” werkwijze een verplichting. De rechtbank kan deze toelichting volgen. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat verweerder bevoegd was om het pgb van eiser over 2024 en 2025 lager vast te stellen dan het basisbedrag zoals genoemd in artikel 5.1, tweede lid, van de Rlz en de daarbij behorende Bijlage H.

18. Dat de verzekerde binnen het toegekende budget naar zijn behoefte kan schuiven met het budget tussen de verschillende zorgvormen (of zorgfuncties), wordt ook door verweerder erkend. Dit past immers binnen de systematiek van de Wlz. Dat dit zou betekenen dat altijd het maximale basisbedrag moet worden toegekend, volgt de rechtbank echter niet. Ook de vraag of het budget doelmatig wordt besteed, is onderdeel van de beoordeling door het zorgkantoor. Dit volgt uit artikel 3.3.3, vierde lid, van de Wlz en artikel 5.1, eerste lid van de Rlz.



Verweerder heeft zijn bevoegdheid onvoldoende zorgvuldig gebruikt


19. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat het budget na samenspraak altijd maximaal moet worden verleend. Het “Pgb op maat” moet echter wel in goed onderling overleg worden verleend. Eiser voert in dit kader aan dat in artikel 5.8a van de Rlz is geregeld dat verweerder en verzekerde in samenspraak de doelmatige inzet van het pgb bepalen. Eiser vindt dat verweerder dit te eenzijdig heeft gedaan. Op de zitting heeft hij nader aangevoerd dat verweerder standaard zeven uur voor begeleiding heeft toegekend. Dit is echter, gelet op zijn problematiek, onvoldoende. Eiser wil niet op één plek blijven en hij kan niet alleen worden gelaten. Hij heeft meer begeleiding en toezicht nodig omdat er anders ongelukken kunnen gebeuren.

20. In het bestreden besluit is de zorg zoals beschreven in het budgetplan door verweerder beoordeeld op doelmatigheid. Verweerder acht onder andere zeven uur per week aan begeleiding bij vrijetijdsbesteding redelijk. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat de zeven uur per week gebaseerd is op een richtlijn, maar dat dit gelet op de individuele zorgbehoefte van een verzekerde ook meer kan zijn.

21. De rechtbank overweegt als volgt. Bij het verlenen van een “Pgb op maat” gaat het om een bevoegdheid van verweerder die niet onbegrensd is, maar dient te worden ingevuld met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In dat kader is het bewust keuze gesprek een belangrijk onderdeel. In de toelichting van de staatssecretaris bij de invoering van artikel 5.8 a Rlz staat vermeld dat in overleg tussen het zorgkantoor en de budgethouder wordt gekeken naar wat een bij de zorgvraag passende zorginzet is en welk budget (binnen het basisbedrag) daarbij hoort. Het bewust keuze gesprek vindt plaats aan de hand van het budgetplan. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling, dat het zorgkantoor, zonder de aanvrager of diens vertegenwoordiger te horen, naar eigen inzicht wijzigingen in het budgetplan aanbrengt om vervolgens een lager pgb toe te kennen.

22. Uit het verslag van 13 juni 2024 volgt dat een bewust keuze gesprek op de hiervoor beschreven manier niet is gevoerd. Tijdens het gesprek is vooral gesproken over de woonsituatie van eiser ten behoeve van de beoordeling van het recht op een pgb. Daarnaast heeft het gesprek niet plaatsgevonden aan de hand van een (actueel) budgetplan en is na afloop van het gesprek een weekoverzicht opgevraagd om te beoordelen welke pgb-zorg wordt geleverd.

23. Gelet op het voorgaande en zoals verweerder ook op de zitting heeft bevestigd, stelt de rechtbank vast dat het gesprek tussen de zus van eiser en verweerder onvoldoende is gegaan over hoeveel en welke zorg eiser dagelijks nodig heeft binnen het beschikbare pgb-budget. Dit gebrek is niet hersteld in bezwaar. Uit het verslag van de hoorzitting volgt immers dat het gesprek is gevoerd met de gemachtigde van eiser en dat de zus van eiser daarbij niet aanwezig was. De gemachtigde van eiser heeft op de hoorzitting daarom voorgesteld dat zij vragen van het zorgkantoor over de verzekerde zorg op een later moment kan beantwoorden. Onduidelijk is of verweerder na afloop van de hoorzitting gebruik heeft gemaakt van dit aanbod. Het voorgaande klemt te meer omdat eiser nog zeer recent, in 2024, als nieuwe klant bij verweerder een aanvraag heeft ingediend en hij daarvoor van het zorgkantoor van Zorg en Zekerheid een pgb ontving op basis van 40 uur per week. Bovendien is verweerder, zoals hij zelf heeft toegelicht, vanaf 2023 in toenemende mate (maar dus niet in alle gevallen) gebruik is gaan maken van zijn bevoegdheid.
Onder die omstandigheden lag het op de weg van verweerder om actief bij de zus van eiser te informeren naar zijn dagelijkse zorgbehoefte en aan haar uit te leggen waarom het zorgkantoor de pgb-zorg anders heeft beoordeeld dan in de voorgaande jaren.

24. Dit betekent dat verweerder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur onvoldoende in acht heeft genomen en het bestreden besluit in strijd is met zowel artikel 3:2 als artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft het besluit niet zorgvuldig voorbereid, en heeft niet alle betrokken belangen kenbaar meegewogen.

25. De rechtbank zal het beroep op die reden gegrond verklaren. Verweerder heeft bij het verlenen van het pgb de zorgbehoefte van eiser onvoldoende voor ogen gehad, waardoor hij het pgb niet lager mocht vaststellen dan is aangevraagd. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien, omdat het herstel van dit gebrek onderzoek vergt (bijvoorbeeld op het punt van de begeleiding) dat door verweerder moet worden uitgevoerd.

26. Tot slot merkt de rechtbank op dat verweerder op de zitting heeft toegezegd dat hij bij een nieuw onderzoek ook zal meenemen of het toegekende pgb voor 2026 in de situatie van eiser toereikend is. Mocht het onderzoek uitwijzen dat voor 2024 alsnog het maximaal beschikbare basisbedrag moet worden toegekend zoals genoemd in bijlage H van de Rlz dan is het overgangsrecht bij artikel 5.8a van de Rlz van toepassing.




Conclusie en gevolgen

27. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien, omdat het herstel van het genoemde gebrek onderzoek vergt. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

28. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

29. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).



Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzitter, en mr. H.J. Tijselink en
mr. T.I. Oost, leden, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.









griffier


voorzitter








Is verhinderd de uitspraak te ondertekenen




Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zoals genoemd in artikel 5.1, tweede lid, van de Rlz.


Kamerstukken II, vergaderjaar 2013-2014, 33 891, nr. 3.


De rechtbank wijst in dit kader ook op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:250 en de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5476.


Artikel 3.3.3, vierde lid, van de Wlz.


Artikelen 1:3, derde lid, 3:2 en 4:2, tweede lid, van de Awb.


Artikel 5.8, derde lid, van de Rlz.


Stcrt 2024, 39 988.