Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:8266
2026-08-19
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
AMS 25/4589
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WW; wekeneis in relatie tot verwijtbaar werkloos raken; Uwv hanteert verkeerde toets; beroep gegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2024:2135 Centrale Raad van Beroep 14-11-2024
- ECLI:NL:CRVB:2026:491 Centrale Raad van Beroep 22-04-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.364 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4589
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. A.A.H. Ibrahim).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW-uitkering). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv een onjuiste motivering aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt het Uwv op om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Met het besluit van 6 februari 2025 heeft het Uwv eisers aanvraag om eenWW-uitkering afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het Uwv.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser heeft van 30 maart tot 1 augustus 2024 gewerkt bij [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) en nadien van 23 september tot 18 november 2024 bij [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]). Op 11 december 2024 heeft eiser een WW-uitkering aangevraagd.
3.1.
Het Uwv heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser, aldus het Uwv, niet voldoet aan de wekeneis. Een van de voorwaarden voor een WW-uitkering is dat eiser in minstens 26 weken loon moet hebben ontvangen. Een week is van maandag tot en met zondag. Deze 26 weken moeten liggen in een periode van 36 weken voorafgaand aan de werkloosheid. In het geval van eiser is dit de periode van 18 maart 2024 tot 25 november 2024. Eiser heeft eerst 18 weken gewerkt bij [bedrijf 1] en daarna acht weken bij [bedrijf 2]. Eiser heeft zelf ontslag genomen bij [bedrijf 1]. Volgens het bepaalde in de WW is eiser verwijtbaar werkloos als hij zelf ontslag neemt zonder voldoende zekerheid over ander werk. Volgens het Uwv is daar in dit geval sprake van. Eiser is op 23 september 2024 begonnen bij [bedrijf 2]. Dit is zeven weken na eisers laatste werkdag bij [bedrijf 1]. Eisers contract bij [bedrijf 2] is op 18 november 2024 geëindigd. Dit is acht weken na aanvang van dit dienstverband. Hierdoor is eiser voor zijn dienstverband bij [bedrijf 1] verwijtbaar werkloos geworden en telt het Uwv het aantal gewerkte weken bij deze werkgever niet mee in eisers periode van 36 weken. Dit betekent dat eiser in de 36 weken voor zijn werkloosheid slechts acht weken heeft gewerkt, namelijk bij [bedrijf 2]. Dit zijn te weinig weken om aan de wekeneis te voldoen.
3.2.
Eiser voert aan dat hij in de periode van 36 weken in totaal in 26 weken heeft gewerkt: 18 weken bij [bedrijf 1] en acht weken bij [bedrijf 2]. Hij voldoet dus aan de wekeneis. Daarnaast betwist eiser dat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Het werk bij [bedrijf 1] betrof een tijdelijk (bouw)project (vernieuwen van een brug in Amsterdam West) dat ten einde kwam. Zijn dienstverband zou vermoedelijk eindigen op2 september 2024. Eiser heeft meerdere keren aan zijn leidinggevende gevraagd hoe lang het project nog ging duren en wat de mogelijkheden voor hem waren als werknemer, maar hij kreeg hier geen of vage antwoorden op. Daarom is eiser zelf op zoek gegaan naar andere mogelijkheden. Zo kwam hij in contact met [bedrijf 2], waar hij een contract kreeg aangeboden met beter loon en uitzicht op een vast dienstverband. De overgang naar [bedrijf 2] heeft vervolgens langer geduurd dan voorzien wegens ziekte van zowel eiser zelf, als van de leidinggevenden bij [bedrijf 2] en het bedrijf waar eiser zou gaan werken.
Overwegingen
4. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WW, ontstaat recht op uitkering voor de werknemer indien hij in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft. In artikel 17a, eerste lid, van de WW worden omstandigheden genoemd op grond waarvan de periode van 36 weken wordt verlengd.
4.1.
Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, moet een werknemer voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. In geval een werknemer verwijtbaar werkloos is geworden, brengt het Uwv op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW, een bedrag blijvend op de uitkering in mindering, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit blijk geeft van een onjuiste toepassing van de WW. Niet in geschil is dat eiser in de periode van 18 maart 2024 tot25 november 2024 18 weken bij [bedrijf 1] en acht weken bij [bedrijf 2] heeft gewerkt. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het standpunt van het Uwv dat bij de beoordeling of wordt voldaan aan de wekeneis, het al dan niet verwijtbaar werkloos worden een rol speelt. Blijkens de systematiek van de WW moet eerst beoordeeld worden of een betrokkene voldoet aan de wekeneis. In dit geval is daaraan voldaan. Daarna pas kan aan de orde komen of sprake is van verwijtbare werkloosheid en of dit maakt dat de uitkering niet of niet geheel tot uitbetaling komt.
4.3.
Gezien het voorgaande heeft het Uwv zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet voldeed aan de wekeneis. Het bestreden besluit berust dan ook op een onjuiste grondslag en komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Het Uwv zal een nieuw besluit moeten nemen. De rechtbank ziet geen reden om deze zaak zelf finaal af te doen, omdat het aan het Uwv is om zich een oordeel te vormen over de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid en de vraag of en in hoeverre er aanleiding is voor een verlaging van de WW-uitkering. Daarbij geeft de rechtbank het Uwv in overweging dat het, gelet op de onzekere vooruitzichten voor eiser bij [bedrijf 1], niet onlogisch voorkomt dat eiser op zoek is gegaan naar ander werk. Eiser heeft verder ook een duidelijke verklaring gegeven voor het feit dat de overgang naar [bedrijf 2] enige tijd in beslag heeft genomen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. In zoverre krijgt eiser gelijk. Dit betekent echter nog niet dat eiser een WW-uitkering krijgt. Het Uwv zal eerst een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. In deze nieuwe beslissing zal het Uwv de wekeneis niet meer aan eiser kunnen tegenwerpen.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 27 juni 2025;
draagt het Uwv op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
draagt het Uwv op het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- aan hem te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid vanmr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Zie bijvoorbeeld CRvB 14 november 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:2135) en CRvB 22 april 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:491).
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4589
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. A.A.H. Ibrahim).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW-uitkering). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv een onjuiste motivering aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt het Uwv op om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Met het besluit van 6 februari 2025 heeft het Uwv eisers aanvraag om eenWW-uitkering afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het Uwv.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser heeft van 30 maart tot 1 augustus 2024 gewerkt bij [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) en nadien van 23 september tot 18 november 2024 bij [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]). Op 11 december 2024 heeft eiser een WW-uitkering aangevraagd.
3.1.
Het Uwv heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser, aldus het Uwv, niet voldoet aan de wekeneis. Een van de voorwaarden voor een WW-uitkering is dat eiser in minstens 26 weken loon moet hebben ontvangen. Een week is van maandag tot en met zondag. Deze 26 weken moeten liggen in een periode van 36 weken voorafgaand aan de werkloosheid. In het geval van eiser is dit de periode van 18 maart 2024 tot 25 november 2024. Eiser heeft eerst 18 weken gewerkt bij [bedrijf 1] en daarna acht weken bij [bedrijf 2]. Eiser heeft zelf ontslag genomen bij [bedrijf 1]. Volgens het bepaalde in de WW is eiser verwijtbaar werkloos als hij zelf ontslag neemt zonder voldoende zekerheid over ander werk. Volgens het Uwv is daar in dit geval sprake van. Eiser is op 23 september 2024 begonnen bij [bedrijf 2]. Dit is zeven weken na eisers laatste werkdag bij [bedrijf 1]. Eisers contract bij [bedrijf 2] is op 18 november 2024 geëindigd. Dit is acht weken na aanvang van dit dienstverband. Hierdoor is eiser voor zijn dienstverband bij [bedrijf 1] verwijtbaar werkloos geworden en telt het Uwv het aantal gewerkte weken bij deze werkgever niet mee in eisers periode van 36 weken. Dit betekent dat eiser in de 36 weken voor zijn werkloosheid slechts acht weken heeft gewerkt, namelijk bij [bedrijf 2]. Dit zijn te weinig weken om aan de wekeneis te voldoen.
3.2.
Eiser voert aan dat hij in de periode van 36 weken in totaal in 26 weken heeft gewerkt: 18 weken bij [bedrijf 1] en acht weken bij [bedrijf 2]. Hij voldoet dus aan de wekeneis. Daarnaast betwist eiser dat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Het werk bij [bedrijf 1] betrof een tijdelijk (bouw)project (vernieuwen van een brug in Amsterdam West) dat ten einde kwam. Zijn dienstverband zou vermoedelijk eindigen op2 september 2024. Eiser heeft meerdere keren aan zijn leidinggevende gevraagd hoe lang het project nog ging duren en wat de mogelijkheden voor hem waren als werknemer, maar hij kreeg hier geen of vage antwoorden op. Daarom is eiser zelf op zoek gegaan naar andere mogelijkheden. Zo kwam hij in contact met [bedrijf 2], waar hij een contract kreeg aangeboden met beter loon en uitzicht op een vast dienstverband. De overgang naar [bedrijf 2] heeft vervolgens langer geduurd dan voorzien wegens ziekte van zowel eiser zelf, als van de leidinggevenden bij [bedrijf 2] en het bedrijf waar eiser zou gaan werken.
Overwegingen
4. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WW, ontstaat recht op uitkering voor de werknemer indien hij in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft. In artikel 17a, eerste lid, van de WW worden omstandigheden genoemd op grond waarvan de periode van 36 weken wordt verlengd.
4.1.
Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, moet een werknemer voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. In geval een werknemer verwijtbaar werkloos is geworden, brengt het Uwv op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW, een bedrag blijvend op de uitkering in mindering, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit blijk geeft van een onjuiste toepassing van de WW. Niet in geschil is dat eiser in de periode van 18 maart 2024 tot25 november 2024 18 weken bij [bedrijf 1] en acht weken bij [bedrijf 2] heeft gewerkt. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het standpunt van het Uwv dat bij de beoordeling of wordt voldaan aan de wekeneis, het al dan niet verwijtbaar werkloos worden een rol speelt. Blijkens de systematiek van de WW moet eerst beoordeeld worden of een betrokkene voldoet aan de wekeneis. In dit geval is daaraan voldaan. Daarna pas kan aan de orde komen of sprake is van verwijtbare werkloosheid en of dit maakt dat de uitkering niet of niet geheel tot uitbetaling komt.
4.3.
Gezien het voorgaande heeft het Uwv zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet voldeed aan de wekeneis. Het bestreden besluit berust dan ook op een onjuiste grondslag en komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Het Uwv zal een nieuw besluit moeten nemen. De rechtbank ziet geen reden om deze zaak zelf finaal af te doen, omdat het aan het Uwv is om zich een oordeel te vormen over de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid en de vraag of en in hoeverre er aanleiding is voor een verlaging van de WW-uitkering. Daarbij geeft de rechtbank het Uwv in overweging dat het, gelet op de onzekere vooruitzichten voor eiser bij [bedrijf 1], niet onlogisch voorkomt dat eiser op zoek is gegaan naar ander werk. Eiser heeft verder ook een duidelijke verklaring gegeven voor het feit dat de overgang naar [bedrijf 2] enige tijd in beslag heeft genomen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. In zoverre krijgt eiser gelijk. Dit betekent echter nog niet dat eiser een WW-uitkering krijgt. Het Uwv zal eerst een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. In deze nieuwe beslissing zal het Uwv de wekeneis niet meer aan eiser kunnen tegenwerpen.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 27 juni 2025;
draagt het Uwv op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
draagt het Uwv op het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- aan hem te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid vanmr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Zie bijvoorbeeld CRvB 14 november 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:2135) en CRvB 22 april 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:491).