Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:8251

2026-08-19 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht AMS 25/5637
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-19
Publicatiedatum
2026-08-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AMS 25/5637
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag AOW; geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland; splitsing in periode voor en na Koppelingswet; KEZ-tijdvakken; Vo. 1408/71; beroep ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.688 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: AMS 25/5637


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats] (Duitsland), eiseres


en


de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, de Svb
(gemachtigde: mr. M.F. Sturmans).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert aan dat zij in Nederland gewoond heeft en dat zij toen AOW-pensioen heeft opgebouwd.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Svb de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiseres heeft geen duurzame band met Nederland gehad en is verzekerd gebleven voor de Duitse wetgeving. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Met het besluit van 17 februari 2025 heeft de Svb de aanvraag van eiseres om een AOW-pensioen afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is de Svb bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de Svb deelgenomen. Eiseres was zonder voorafgaand bericht niet aanwezig.




Overwegingen


3. Eiseres is in 1988 in Nederland komen wonen, omdat haar echtgenoot door het Duitse leger in [plaats] was gestationeerd. Eiseres woonde van 13 januari 1988 tot en met22 juli 1992 met haar gezin in een dienstwoning.



3.1.
Op 18 april 2023 heeft eiseres bij de Svb een AOW-pensioen aangevraagd.



3.2.
De Svb heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres, aldus de Svb, niet als ingezetene kan worden aangemerkt. Eiseres woonde niet duurzaam in Nederland, want zij verbleef tijdelijk in Nederland, alleen voor de periode dat haar echtgenoot in [plaats] was gestationeerd. De Svb heeft de gemeente [plaats] aangeschreven en deze heeft verklaard dat eiseres en haar echtgenoot nooit zijn ingeschreven in de gemeente. Ook heeft eiseres niet gewerkt in Nederland en was zij niet vrijwillig verzekerd. Verder had eiseres niet de intentie om zich te vestigen in Nederland. Haar kinderen gingen naar een Duitse school in [plaats] en eiseres wist dat het om een tijdelijk verblijf ging. Volgens de Svb is de Duitse wetgeving op eiseres van toepassing. Eiseres heeft van het Duitse verzekeringsorgaan zogenoemde Kindererziehungszeiten (KEZ) toegewezen gekregen over de periode 1 januari 1987 tot en met 30 september 1993. De KEZ-tijdvakken heeft eiseres niet gekregen op grond van werken. De KEZ-tijdvakken zijn aan eiseres toegekend omdat zij niet buiten Duitsland woonde en omdat zij haar kinderen niet buiten Duitsland opvoedde. Hiermee wordt bevestigd dat eiseres niet in Nederland woonde, maar tijdelijk verbleef. Ook op basis van Europese regelgeving is de Duitse wetgeving van toepassing, nu de echtgenoot van eiseres werkte voor het Duitse leger.



3.3.
Eiseres voert aan dat zij in [plaats] woonde omdat haar echtgenoot was overgeplaatst naar de [locatie]. In de periode dat eiseres in [plaats] woonde is zij ingezetene geweest en dus verzekerd. Dit wordt bevestigd door meerdere documenten. Eiseres heeft een uittreksel uit het Duitse bevolkingsregister overgelegd waarin al haar verblijfplaatsen sinds 1981 zijn vermeld. Hieruit blijkt dat eiseres van 13 januari 1981 tot en met 22 juli 1988 uitsluitend in [plaats] heeft gewoond. Verder heeft eiseres een kopie van haar toenmalige paspoort met aantekening van het consulaat-generaal dat eiseres in [plaats] woont overgelegd. Verder staat op een kopie van haar rijbewijs een vermelding van haar toenmalige woonplaats: [adres] te [plaats]. Eiseres voert aan dat in meerdere gevallen van voormalige familieleden en soldaten van het Duitse leger het mis gaat bij de gemeente [plaats]. De gemeente [plaats] beweert ook in die gevallen dat de persoon daar nooit heeft gewoond. Eiseres beschikt zelf niet over het originele uitschrijvingsbewijs van de gemeente [plaats], omdat zij die aan het gemeentebestuur moest overhandigen toen zij zich in [woonplaats] inschreef.




Beoordeling door de rechtbank


4. De rechtbank overweegt dat er twee periodes te onderscheiden zijn: de periode tot 29 juli 1991 en de periode vanaf 29 juli 1991. Op 29 juli 1991 is immers een Europeesrechtelijke aanwijsregel voor niet-actieven (personen die geen werkzaamheden verrichten) opgenomen in Verordening 1408/71.




Periode tot 29 juli 1991




4.1.
Voor deze periode is de Nederlandse wetgeving voor het vaststellen van de verzekering van toepassing.



4.2.
Verzekerd voor de AOW is degene die ingezetene is of in Nederland werkt. Ingezetene is degene die in Nederland woont. Waar iemand woont dient op grond van alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval te worden beoordeeld. Voor het zijn van ingezetene is van belang dat deze omstandigheden van dien aard zijn dat er sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt. De wetgever heeft geen bijzondere betekenis wilde toekennen aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals bijvoorbeeld iemands sociale of economische binding met een land. In het licht daarvan moet worden aangenomen dat voor de aanwezigheid van een woonplaats in Nederland niet is vereist dat de betrokkene economische banden met Nederland heeft, bijvoorbeeld door het verrichten van betaalde arbeid. In vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) komt tot uitdrukking dat het ingezetenschap in beginsel geleidelijk ontstaat. Dat kan anders zijn als bij aankomst in Nederland de intentie bestaat om zich definitief in Nederland te vestigen en deze intentie voldoende door objectieve factoren wordt ondersteund.



4.3.
De rechtbank is van oordeel dat de Svb terecht heeft geconcludeerd dat eiseres voor de periode tot 29 juli 1991 niet aangemerkt kan worden als ingezetene, omdat zij geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Het huis waarin eiseres woonde was tijdelijk aan haar echtgenoot toegewezen, voor de duur van de werkzaamheden op de dienstlocatie. Eiseres heeft niet aangevoerd dat haar intentie is geweest om langer dan deze periode in Nederland te verblijven. Vanaf het begin af aan zou de periode dat eiseres in Nederland zou verblijven tijdelijk van aard zijn. De kinderen van eiseres zijn naar een Duitse school in [plaats] gegaan, eiseres heeft niet in Nederland gewerkt en ook is niet gebleken of door eiseres aangevoerd dat zij politieke, culturele en/of andere activiteiten (bijvoorbeeld lidmaatschap van een Nederlandse (sport)vereniging) verrichtte. Verder is eiseres niet aantoonbar ingeschreven geweest in de Basisregistratie Personen. Eiseres heeft weliswaar stukken ingediend waaruit blijkt dat zij in Nederland heeft gewoond, maar dat eiseres in Nederland heeft gewoond staat niet ter discussie. Sprake moet zijn geweest van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Uit de omstandigheden die de rechtbank hiervoor heeft beschreven, blijkt dat van een dergelijke band met Nederland geen sprake is geweest.



Periode vanaf 29 juli 1991





4.4.
Voor deze periode is Verordening 1408/71 relevant, die gaat over de toepassing van sociale zekerheidswetgeving op werkenden en hun gezinnen die zich binnen de Europese Unie (EU) verplaatsen.



4.5.
Een persoon kan slechts onderworpen zijn aan de wetgeving van één lidstaat. Dit betekent dat eiseres niet zowel recht kan hebben op een Nederlands als een Duits pensioen. Iemand die ophoudt te vallen onder de sociale zekerheid van een EU-lidstaat en niet onder de wetgeving van een andere lidstaat valt, is onderworpen aan de wetgeving van zijn woonland. De datum waarop een persoon ophoudt onderworpen te zijn aan de wetgeving van een lidstaat, wordt bepaald aan de hand van de nationale (buitenlandse) wetgeving van de lidstaat waar de betrokkene als laatste aan onderworpen was. Het staat die lidstaat vrij te bepalen of en onder welke voorwaarden deze personen die in een ander land wonen verzekerd blijven en daarmee dus ook wanneer een persoon ophoudt te zijn onderworpen aan de sociale zekerheidswetgeving van dat land. Indien de lidstaat waarvan de persoon als laatste onderworpen was aan de sociale zekerheidswetgeving aangeeft dat er (nog steeds) sprake is van verzekerde tijdvakken, dient de lidstaat waarin de persoon woont daarvan uit te gaan. Dit betekent in dit geval dat het bevoegde orgaan in Duitsland bepaalt of eiseres verzekerd is voor Duitse of Nederlandse wetgeving en de Svb van dat oordeel dient uit te gaan.



4.6.
De Svb heeft navraag gedaan bij de Deutsche Rentenversicherung (DRV), het Duitse verzekeringsorgaan. De DRV heeft vervolgens met een formulier en met aanvullende informatie van 25 juli 2025 aangegeven dat eiseres gedurende de periode dat eiseres in Nederland heeft gewoond verzekerd is gebleven voor de Duitse wetgeving op basis van KEZ-tijdvakken. Dit betekent dat eiseres niet verzekerd is geweest in Nederland.




Conclusie en gevolgen


5. De Svb heeft de aanvraag van eiseres om een AOW-pensioen terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid vanmr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.









griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.




Artikel 6 van de AOW.


Artikel 2 van de AOW.


Artikel 3 van de AOW.


Zie de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466, en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285 en de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908, waarin de Raad zich daarbij heeft aangesloten.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2233, onder 4.11.


Betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.


Artikel 13, eerste lid, van vo. 1408/71.


Artikel 13, tweede lid, onder f, van vo. 1408/71.


Artikel 10 ter van vo. 574/72 (de toepassingsverordening van vo. 1408/71).


Zie de uitspraak van de Raad van 13 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2191.