Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:8209
2026-08-14
Bestuursrecht
AMS 24/478
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vergunningduur schaarse vergunning. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de vergunningduur heeft mogen aanpassen in bezwaar.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2025:5716 Raad van State 03-12-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.020 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/478
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. R.E. Izeboud),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (het college)
(gemachtigde: mr. M. Boermans ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de staanplaatsvergunning voor een [naam] op de locatie [adres]. De vergunning was voor onbepaalde duur aan eiser verleend. Bij de heroverweging van de vergunningverlening is de vergunningsduur aangepast naar een looptijd van tien jaar. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de vergunningduur heeft mogen aanpassen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor de staanplaatsvergunning op het [adres]. Het college heeft met het besluit van 25 januari 2023 de vergunning verleend. Met het bestreden besluit van 1 december 2023 op het bezwaar van een andere aanvrager voor de staanplaats is het college bij de vergunningverlening gebleven met wijziging van de vergunningsduur.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep van de andere aanvrager tegen de vergunningverlening. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Naast de gemachtigde van het college heeft ook [de persoon], [functie] deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Grondslag van de besluitvorming
5. In het najaar van 2022 is op de website van gemeente Amsterdam bekendgemaakt dat een staanplaatsvergunning voor de verkoop van [naam] op het [adres] beschikbaar zou komen. Iedereen die op de sollicitantenlijst voor een staanplaats stond ingeschreven kon een aanvraag voor deze vergunning indienen. Daarop hebben eiser en een andere belangstellende een aanvraag ingediend. De vergunning is op grond van de Verordening staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten (de Verordening) aan eiser verleend omdat hij het langst op de sollicitatielijst stond.
6. De andere aanvrager heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij de heroverweging in bezwaar is het college bij de vergunningverlening aan eiser gebleven onder aanpassing van de looptijd van de vergunning van onbepaalde tijd naar een looptijd van tien jaar. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat sprake is van nieuw beleid waarin de duur van nieuwe reguliere staanplaatsvergunningen voor een periode van tien jaar worden vastgesteld, om de wijze van verlenen van schaarse vergunningen in overeenstemming te brengen met de Europese Dienstenrichtlijn en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie. Het college heeft dit beleid ook toegepast op de aanvraag van eiser.
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel een beperking van de eerder onbeperkt vergunde looptijd in de weg staan. Op de website en het aanmeldformulier stond dat de vergunning voor onbepaalde tijd werd verleend en de oude vergunninghouder heeft de vergunning ook voor onbepaalde tijd gekregen. Eiser mocht er daarom gerechtvaardigd op vertrouwen dat voor hem hetzelfde gold. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat de terugverdientijd van tien jaar te kort is om de gedane investeringen terug te verdienen. Eiser heeft veel geïnvesteerd in de [naam], die in heel slechte staat was, ook met het oog op een onbeperkte terugverdientijd. Verder verwijst eiser naar een rapport uit 2019 in opdracht van de Centrale Vereniging voor Ambulante Handel ter onderbouwing van zijn standpunt dat in zijn situatie een looptijd van vijftien jaar passend zou zijn.
8. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Daartoe is allereerst redengevend dat de vergunningverlening niet definitief was. Het college heeft op grond van hetgeen in bezwaar is aangevoerd aanleiding gezien om de vergunningverlening voor wat betreft de vergunningsduur in overeenstemming te brengen met de Dienstenrichtlijn en de daaruit voortvloeiende rechtspraak. Daaruit volgt dat schaarse vergunningen in beginsel niet voor onbepaalde tijd kunnen worden verleend. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een schaarse vergunning, zodat het college op grond van het bezwaar in beginsel gehouden was om de duur van de vergunning in tijd te begrenzen en aan te passen naar een looptijd van tien jaar zoals opgenomen in het nieuwe beleidskader. Voor zover eiser aanvoert dat een looptijd van vijftien jaar voor hem meer passend zou zijn, wijst de rechtbank, met het college, op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 december 2025 waarbij de Afdeling heeft geoordeeld dat de terugverdientijd van schaarse vergunningen niet per afzonderlijke vergunning of vergunninghouder behoeft te worden bepaald. Het college heeft de in het beleid neergelegde looptijd dan ook aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.
9. De rechtbank is verder van oordeel dat er onvoldoende inzicht is geboden in de totale financiële situatie van eiser om te oordelen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken het college in dit specifieke geval had moeten afwijken van de looptijd van tien jaar. Eiser heeft op verzoek van de rechtbank wel de investeringen in de kiosk onderbouwd, maar geen gegevens overgelegd over omzet en winst. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat eiser de investeringen niet binnen de looptijd van tien jaar zou kunnen terugverdienen.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het college de looptijd van de vergunning bij de heroverweging in bezwaar alsnog heeft mogen beperken tot tien jaar. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, en mr. L.H. Waller en mr. M.H. van Haeften, leden, in aanwezigheid van mr.N. Kroft, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.
griffier
De voorzitter is verhinderd om te tekenen.
De jongste rechter heeft ondertekend.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Geldend van 30-12-2022 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 25-03-2022.
Gemeenteblad, 20 november 2023 nummer 499238.
ECLI:NL:RVS:2025:5716.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/478
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. R.E. Izeboud),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (het college)
(gemachtigde: mr. M. Boermans ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de staanplaatsvergunning voor een [naam] op de locatie [adres]. De vergunning was voor onbepaalde duur aan eiser verleend. Bij de heroverweging van de vergunningverlening is de vergunningsduur aangepast naar een looptijd van tien jaar. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de vergunningduur heeft mogen aanpassen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor de staanplaatsvergunning op het [adres]. Het college heeft met het besluit van 25 januari 2023 de vergunning verleend. Met het bestreden besluit van 1 december 2023 op het bezwaar van een andere aanvrager voor de staanplaats is het college bij de vergunningverlening gebleven met wijziging van de vergunningsduur.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep van de andere aanvrager tegen de vergunningverlening. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Naast de gemachtigde van het college heeft ook [de persoon], [functie] deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Grondslag van de besluitvorming
5. In het najaar van 2022 is op de website van gemeente Amsterdam bekendgemaakt dat een staanplaatsvergunning voor de verkoop van [naam] op het [adres] beschikbaar zou komen. Iedereen die op de sollicitantenlijst voor een staanplaats stond ingeschreven kon een aanvraag voor deze vergunning indienen. Daarop hebben eiser en een andere belangstellende een aanvraag ingediend. De vergunning is op grond van de Verordening staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten (de Verordening) aan eiser verleend omdat hij het langst op de sollicitatielijst stond.
6. De andere aanvrager heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij de heroverweging in bezwaar is het college bij de vergunningverlening aan eiser gebleven onder aanpassing van de looptijd van de vergunning van onbepaalde tijd naar een looptijd van tien jaar. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat sprake is van nieuw beleid waarin de duur van nieuwe reguliere staanplaatsvergunningen voor een periode van tien jaar worden vastgesteld, om de wijze van verlenen van schaarse vergunningen in overeenstemming te brengen met de Europese Dienstenrichtlijn en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie. Het college heeft dit beleid ook toegepast op de aanvraag van eiser.
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel een beperking van de eerder onbeperkt vergunde looptijd in de weg staan. Op de website en het aanmeldformulier stond dat de vergunning voor onbepaalde tijd werd verleend en de oude vergunninghouder heeft de vergunning ook voor onbepaalde tijd gekregen. Eiser mocht er daarom gerechtvaardigd op vertrouwen dat voor hem hetzelfde gold. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat de terugverdientijd van tien jaar te kort is om de gedane investeringen terug te verdienen. Eiser heeft veel geïnvesteerd in de [naam], die in heel slechte staat was, ook met het oog op een onbeperkte terugverdientijd. Verder verwijst eiser naar een rapport uit 2019 in opdracht van de Centrale Vereniging voor Ambulante Handel ter onderbouwing van zijn standpunt dat in zijn situatie een looptijd van vijftien jaar passend zou zijn.
8. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Daartoe is allereerst redengevend dat de vergunningverlening niet definitief was. Het college heeft op grond van hetgeen in bezwaar is aangevoerd aanleiding gezien om de vergunningverlening voor wat betreft de vergunningsduur in overeenstemming te brengen met de Dienstenrichtlijn en de daaruit voortvloeiende rechtspraak. Daaruit volgt dat schaarse vergunningen in beginsel niet voor onbepaalde tijd kunnen worden verleend. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een schaarse vergunning, zodat het college op grond van het bezwaar in beginsel gehouden was om de duur van de vergunning in tijd te begrenzen en aan te passen naar een looptijd van tien jaar zoals opgenomen in het nieuwe beleidskader. Voor zover eiser aanvoert dat een looptijd van vijftien jaar voor hem meer passend zou zijn, wijst de rechtbank, met het college, op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 december 2025 waarbij de Afdeling heeft geoordeeld dat de terugverdientijd van schaarse vergunningen niet per afzonderlijke vergunning of vergunninghouder behoeft te worden bepaald. Het college heeft de in het beleid neergelegde looptijd dan ook aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.
9. De rechtbank is verder van oordeel dat er onvoldoende inzicht is geboden in de totale financiële situatie van eiser om te oordelen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken het college in dit specifieke geval had moeten afwijken van de looptijd van tien jaar. Eiser heeft op verzoek van de rechtbank wel de investeringen in de kiosk onderbouwd, maar geen gegevens overgelegd over omzet en winst. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat eiser de investeringen niet binnen de looptijd van tien jaar zou kunnen terugverdienen.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het college de looptijd van de vergunning bij de heroverweging in bezwaar alsnog heeft mogen beperken tot tien jaar. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, en mr. L.H. Waller en mr. M.H. van Haeften, leden, in aanwezigheid van mr.N. Kroft, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.
griffier
De voorzitter is verhinderd om te tekenen.
De jongste rechter heeft ondertekend.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Geldend van 30-12-2022 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 25-03-2022.
Gemeenteblad, 20 november 2023 nummer 499238.
ECLI:NL:RVS:2025:5716.