Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7998

2026-04-07 Strafrecht 13/345929-25, 13/303856-25 en 15/001984-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-04-07
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
13/345929-25, 13/303856-25 en 15/001984-24
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 6 maanden op, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, voor het bedreigen met een wapen en wederspannigheid.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.960 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM




Afdeling Publiekrecht



Team Strafrecht



Parketnummers: 13/345929-25 (zaak A), 13/303856-25 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd) en 15/001984-24 (TUL)



Datum uitspraak: 7 april 2026




Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
wonende op het adres [adres 1] ,
gedetineerd in het [detentieadres] .





1Het onderzoek ter terechtzitting


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 maart 2026.



De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als zaak A en zaak B aangeduid.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.S. Gerritsen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R.J.A. van den Munckhof naar voren hebben gebracht.





2Tenlastelegging


Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:




Zaak A


1. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, in de periode van 15 december 2025 tot en met 16 december 2025 in Amsterdam;
2. het voorhanden hebben van een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, in de periode van 15 december 2025 tot en met 16 december 2025 in Amsterdam;



Zaak B
wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, op 11 november 2025 in Amsterdam.



De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en gelden als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs


3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie



De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de drie tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.




3.2.

Het standpunt van de verdediging



De verdediging heeft over zaak A, feit 1 aangevoerd dat verdachte ontkent dat hij het gaspistool heeft doorgeladen. De andersluidende verklaringen van aangever en de getuigen zijn vermoedelijk op dit punt op elkaar afgestemd. Er is verder geen onderzoek gedaan naar het gaspistool waaruit kan worden afgeleid of het gaspistool geladen is geweest.



Ten aanzien van zaak A, feit 2, heeft verdachte erkend dat hij het gaspistool voorhanden heeft gehad. De verdediging heeft zich daarom gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.



De verdediging heeft zich wat betreft zaak B op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte bij zijn aanhouding geweld heeft gebruikt dat letsel heeft veroorzaakt. De verdediging voert in dit verband aan dat de link die de verbalisant legt tussen verdachte en de trap en de blauwe plek op zijn bovenbeen, niet meer dan een vermoeden betreft. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt namelijk dat de verbalisant vermoedt dat verdachte hem op zijn bovenbeen heeft getrapt en dat de blauwe plek op zijn bovenbeen daarvan het gevolg is. Dit is onvoldoende om enig causaal verband tussen het schoppen en het letsel te kunnen bewijzen. De verdediging is daarom van oordeel dat alleen wederspannigheid kan worden bewezen.




3.3.

Het oordeel van de rechtbank




Ten aanzien van zaak A, feit 1:

Uit de verklaringen van aangever en de getuigen volgt dat verdachte dreigend met een vuurwapen in de hand op hen is afgelopen en dat hij het vuurwapen heeft doorgeladen. Verdachte heeft ontkend dat hij het wapen heeft doorgeladen. Zijn verklaring wordt echter weerlegd door de verklaringen van aangever en getuigen die verklaren dat zij gezien en/of gehoord hebben dat verdachte het wapen doorlaadde.




Ten aanzien van zaak A, feit 2:

Aangezien verdachte dit feit heeft bekend, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering met een opsomming van de bewijsmiddelen.



De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring op de redengevende feiten en omstandigheden vervat in de inhoud van:




De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 24 maart 2026;


Een proces-verbaal van bevindingen met registratienummer 2025316075, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van [persoon 1] , digitale pagina’s 22 t/m 25.




Ten aanzien van zaak B:

Uit het proces-verbaal van bevindingen dat over de aanhouding is opgemaakt volgt dat verdachte zich tijdens zijn aanhouding met geweld heeft verzet. Dit geweld bestond onder meer uit trappen. Verbalisant [persoon 2] zag en voelde dat verdachte met zijn hakken tegen zijn schenen aantrapte. Ook voelde hij een trap op zijn linker bovenbeen. Op die plek heeft verbalisant [persoon 2] de volgende ochtend een blauwe plek gezien. Bij het proces-verbaal is een foto van een blauwe plek op zijn linker bovenbeen gevoegd. De verdediging heeft aangevoerd dat mogelijk iemand anders deze trap heeft gegeven. Weliswaar heeft verbalisant [persoon 2] niet gezien wie de trap tegen zijn been gaf, maar hij verklaart wel dat zijn collega [persoon 3] deze niet heeft kunnen geven omdat hij achter verdachte stond. Nu er geen andere personen aanwezig waren en verdachte daarvoor tegen de schenen van verbalisant [persoon 2] heeft getrapt, gaat de rechtbank ervan uit dat de blauwe plek op het been van verbalisant [persoon 2] het gevolg is geweest van het trappen door verdachte. De rechtbank verwerpt daarom het verweer dat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.






4Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen (zaak A, feit 2) en in de bijlage vervatte bewijsmiddelen (zaak A, feit 1 en zaak B) bewezen dat verdachte




Zaak A





Ten aanzien van feit 1:

in de periode van 15 december 2025 tot en met 16 december 2025 te Amsterdam [persoon 4] en [persoon 5] en [persoon 6] en [persoon 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door

- dreigend op die [persoon 4] en [persoon 5] en [persoon 6] en [persoon 7] af te lopen en
- daarbij een gaspistool, in zijn hand te houden en
- dat gaspistool door te laden;



Ten aanzien van feit 2:

in de periode van 15 december 2025 tot en met 16 december 2025 te Amsterdam, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Zoraki, type M906-P, kaliber 9mm P.A.K. zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad;




Zaak B




op 11 november 2025 te Amsterdam, zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, [persoon 3] (agent bij de politie Amsterdam) en [persoon 2] (agent bij de politie Amsterdam), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door:

- tegen het rechter scheenbeen van die [persoon 2] te trappen en
- zich met zijn armen, benen en lichaam krachtig in tegengestelde richting te bewegen dan verbalisant hem trachtte te bewegen en
- tegen het linker bovenbeen van die [persoon 2] te trappen
terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een blauwe plek bij die [persoon 2] ten gevolge heeft gehad.


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.





5De strafbaarheid van de feiten


De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.





6De strafbaarheid van verdachte


De verdediging heeft over zaak B aangevoerd dat verdachte in paniek is geraakt door het plotselinge politiegeweld en dat hij zich daartegen heeft proberen te beschermen. Omdat daarmee sprake is van psychische overmacht, is het feit niet aan de schuld van verdachte te wijten.



De rechtbank verwerpt dit verweer. Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht (artikel 40 Sr) is – kort samengevat – vereist dat sprake is van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en hoefde te bieden. De rechtbank kan niet vaststellen dat van een dergelijke situatie sprake is geweest. De enkele – niet onderbouwde – stelling dat verdachte in paniek is geweest, is daarvoor onvoldoende.



Er is gelet op het voorgaande geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.





7Motivering van de straffen en maatregelen


7.1.

De eis van de officier van justitie



De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Verdachte dient zich daarbij te houden aan de algemene voorwaarden en door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden.




7.2.

Het standpunt van de verdediging



De verdediging heeft aangevoerd dat in strafmatigende zin rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Er is in korte tijd veel op de nog jonge verdachte af gekomen. Verdachte zit in zaak A ruim drie maanden in voorarrest. Hij heeft gesprekken gevoerd met jeugd- en volwassenreclassering en is voor zittingen bij rechtbanken en het gerechtshof geweest. Dit alles is voor verdachte bijzonder intensief geweest. Aan verdachte moet nog een kans worden gegund en hij moet niet worden overbelast. De verdediging verzoekt daarom dat aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke deel niet langer duurt dan de tijd die hij tot op de dag van de uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht. Verdachte is gemotiveerd om zich te laten begeleiden door de volwassenreclassering.




7.3.

Het oordeel van de rechtbank



De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.




Ernst van de feiten

Verdachte heeft andere jongeren waarmee hij een afspraak had om telefoons te kopen op straat bedreigd met een gaspistool. Uit de verklaringen die zij hebben afgelegd blijkt dat zij dachten dat de verdachte daadwerkelijk op hen zou schieten. Zij zijn daarom weggevlucht. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij deze zeer beangstigende situatie heeft veroorzaakt. Het gebruiken van een vuurwapen in de openbare ruimte raakt het veiligheidsgevoel van veel mensen. Vuurwapenbezit kan bovendien tot ernstige geweldsdelicten leiden. Er wordt daarom streng opgetreden tegen het bezit van dergelijke gevaarlijke voorwerpen. Verdachte heeft zich daarnaast verzet bij zijn aanhouding, waarbij hij letsel heeft veroorzaakt bij een politieagent. Verdachte heeft hierdoor het werk van de politie bemoeilijkt en geen respect getoond voor het openbaar gezag.




De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 12 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld.



Over verdachte is een reclasseringsrapportage opgemaakt. Uit dit rapport van 11 maart 2026 volgt dat de reclassering het risico op recidive en letsel als gemiddeld inschat. Verdachte is kwetsbaar voor terugval en de reclassering acht reclasseringstoezicht daarom op zijn plaats. Verdachte stond eerder onder toezicht van de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering. Het toezicht is voortijdig geëindigd, omdat verdachte zich toen niet langer begeleidbaar opstelde. De huidige ontwikkeling naar volwassenheid stelt verdachte mogelijk beter in staat om tot gedragsverandering te komen. De reclassering ziet daarom mogelijkheden om met de juiste interventies en een overstap naar de volwassenreclassering een positieve wending te realiseren. Verdachte is gemotiveerd en bereidwillig om zich te laten begeleiden. De reclassering adviseert dat aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf wordt opgelegd met bijzondere voorwaarden bestaande uit een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en dagbesteding.



Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het belang inziet van de begeleiding door de reclassering en dat hij daaraan ook zijn medewerking zal verlenen.



De rechtbank ziet in deze persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf straf op te leggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Daarbij houdt de rechtbank in het bijzonder rekening met de noodzaak die er naar het oordeel van de rechtbank is dat verdachte hulp en begeleiding vanuit de reclassering krijgt om het recidiverisico te verminderen.




Jeugdstrafrecht

Ten tijde van het plegen van de feiten was verdachte 19 jaar oud. Bij de veroordeling van een jongvolwassene tot 23 jaar kan het jeugdstrafrecht worden toegepast, indien omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte of omstandigheden waaronder het feit is begaan, daartoe aanleiding geven. De reclassering adviseert om het volwassenenstrafrecht toe te passen, omdat verdachte functioneert conform zijn kalenderleeftijd, al enige tijd niet meer thuis woont en de beschikbare pedagogische interventies vanuit het jeugdstrafrecht zijn uitgeput.
Gelet op dit advies en wat op de zitting is besproken over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zal de rechtbank het volwassenenstrafrecht toepassen.




De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat ook acht geslagen op de oriëntatiepunten straftoemeting die zijn vastgesteld in het binnen de organisatie van de Rechtspraak bestaande Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De LOVS nemen voor bedreiging met een vuurwapen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden als uitgangspunt. Voor het voorhanden hebben van een gaspistool nemen de LOVS onvoorwaardelijk gevangenisstraf van één maand als uitgangspunt. Hierbij weegt de rechtbank mee dat bij deze feiten sprake is van eendaadse samenloop. Voor de bewezenverklaarde wederspannigheid zijn binnen de rechtspraak geen oriëntatiepunten ontwikkeld.




Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van de eis van de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van zes maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk en daaraan verbonden de algemene voorwaarden en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel een proeftijd van twee jaren verbinden.






8Beslag


Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:


3. 2 STK Munitie (omschrijving: PL1300-2025316075-G675244);
4. 1 STK Wapen (omschrijving: PL1300-2025316075-G6750243, zwart);
5. 1 STK Wapen (omschrijving: PL1300-2025316075-G6750242).



Onttrekking aan het verkeer

Nu met betrekking tot deze voorwerpen (het wapen, de munitie en de patroonhouder) het in zaak A, onder 1 bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.





9Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling



De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het volgende standpunt gesteld. Verdachte is door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Holland in de zaak met parketnummer 15/001984-24 op 23 december 2024 onder meer veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, waarvan 136 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Omdat verdachte zich binnen de daarbij bepaalde proeftijd nogmaals schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, vordert de officier van justitie dat een gedeelte van 30 dagen ten uitvoer gelegd zal worden en dat voor het overige deel de proeftijd met een jaar zal wordt verlengd.




Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. De verdediging heeft daarbij gewezen op het belang van verdachte om niet te worden overvraagd en zo spoedig mogelijk door de reclassering te kunnen worden begeleid.




Het oordeel van de rechtbank

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank acht toewijzing van de vordering echter niet opportuun. Hierbij is voor de rechtbank doorslaggevend dat het vonnis waarvan de tenuitvoerlegging nu wordt gevorderd van ruim een jaar geleden is, de vordering ten uitvoerlegging recent nog is afgewezen door de kinderrechter en de reclassering van oordeel is dat verdachte nu (wel) gemotiveerd is voor begeleiding. Verdachte kan dan zo spoedig mogelijk, nadat hij het onvoorwaardelijk opgelegde strafdeel in onderhavige zaak heeft uitgezeten, worden begeleid door de reclassering. Bij afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging loopt de proeftijd nog tot in ieder geval januari 2027, hetgeen een extra stimulans kan zijn om mee te werken aan de noodzakelijke begeleiding door de reclassering. De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen.





10Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 55, 57, 181, 285 van het Wetboek van Strafrecht en 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.





11Beslissing


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.



Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.



Het bewezen verklaarde levert op:




Ten aanzien van zaak A:


eendaadse samenloop van:





bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht





en





het voorhanden hebben van een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie;





Ten aanzien van zaak B:


wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.




Verklaart het bewezene strafbaar.



Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.



Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.



Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.



Bepaalt dat een gedeelte, 2 (twee) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.



Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.



De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.



De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.




Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde moet zich volgens afspraak melden bij Reclassering Nederland, gevestigd op het adres [adres 2] . Veroordeelde blijft zich gedurende de proeftijd melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Veroordeelde werkt mee aan het toezicht en de begeleiding door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken. Veroordeelde meldt zich binnen drie werkdagen na zijn invrijheidstelling uit detentie tussen 09:00-12:00 uur bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2].




Ambulante behandeling

Veroordeelde laat zich behandelen door een forensische polikliniek, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken, als de zorgverlener dat nodig vindt.





Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Veroordeelde verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Het verblijf start zodra veroordeelde een woonplek heeft toegewezen gekregen. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.




Dagbesteding

Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.



Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.



Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd




ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;


medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.




Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen:


3. 2 STK Munitie (omschrijving: PL1300-2025316075-G675244);
4. 1 STK Wapen (omschrijving: PL1300-2025316075-G6750243, zwart);
5. 1 STK Wapen (omschrijving: PL1300-2025316075-G6750242).


Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/001984-24 af.



Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde vrijheidsstraf.



Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,
mrs. J.M. van Hall en M. Bijleveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Buiskool, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 april 2026.


[...]