Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7991

2026-07-16 Strafrecht; Materieel strafrecht 13/180945-23
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
13/180945-23
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling medeplegen afdreiging, vrijspraak medeplegen afpersing. Taakstraf 80 uren waarvan 40 uren voorwaardelijk.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.254 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM



Afdeling Publiekrecht



Teams Strafrecht



Parketnummer: 13/180945-23



Datum uitspraak: 16 juli 2026




Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres].





1Het onderzoek ter terechtzitting


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 juli 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.M. Keizer, naar voren hebben gebracht.





2Tenlastelegging


Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich op 7 mei 2023 in Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander heeft schuldig gemaakt aan:


1. afdreiging van aangever [aangever];
2. afpersing van aangever [aangever].


De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.





4Waardering van het bewijs


4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie



De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide tenlastegelegde feiten gelet op de aangifte, de getuigenverklaringen, en de verklaringen van verdachte en [medeverdachte]. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangifte steun vindt in het overige bewijs. De verklaringen van verdachte en [medeverdachte], inhoudende dat aangever zelf zou hebben aangeboden een geldbedrag te betalen, worden daarentegen weersproken door de getuigenverklaringen en de camerabeelden in het dossier. Volgens de officier van justitie kan daarnaast medeplegen worden bewezen, omdat sprake is geweest van voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte, die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering.




4.2

Standpunt van de verdediging



De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte en/of [medeverdachte], aangever heeft/hebben ‘gedwongen’ tot afgifte van een geldbedrag. De verklaring van verdachte dat aangever zelf aanbood om geld te betalen, vindt steun in de verklaring van [medeverdachte] en de Snapchat-videofragmenten. Daarnaast heeft verdachte geen voorzorgsmaatregelen getroffen om betrapping te voorkomen, wat wel in de rede had gelegen als het opzet van verdachte was gericht op de afdreiging/afpersing van aangever; verdachte is in het centrum van Amsterdam met aangever mee de Albert Heijn in gegaan, wetende dat daar camera’s hangen, en heeft vervolgens Tikkies gestuurd vanaf zijn eigen bankrekening. Hieruit blijkt dat verdachte vooraf nooit het plan heeft gehad om geld van aangever aan te nemen, maar dat het aangever was die dit zelf aanbood. De verklaring van aangever is daarnaast onvoldoende betrouwbaar, omdat deze op onderdelen inconsistent is en wordt weersproken door andere stukken in het dossier. Aangever verzwijgt bijvoorbeeld belangrijke elementen voor de politie, zoals de omstandigheid dat hij degene was die het initiatief nam om met een minderjarig meisje af te spreken voor een seksdate. Daarnaast zit er een groot verschil tussen hetgeen aangever vlak na het incident tegen de politie heeft verteld en de later opgenomen aangifte. Dit maakt dat de verklaring van aangever niet betrouwbaar is en niet voor het bewijs kan worden gebezigd. De raadsman merkt tot slot op dat de getuigenverklaringen van de Albert Heijn-medewerkers en de beschrijving van de camerabeelden ook kunnen passen in de versie van de gebeurtenissen zoals omschreven door verdachte.




4.3

Oordeel van de rechtbank



De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte zich, samen met een ander, schuldig heeft gemaakt aan de als feit 1 tenlastegelegde afdreiging. De rechtbank acht de als feit 2 tenlastegelegde afpersing niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.



4.3.1

Feiten en omstandigheden



Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen gaat de rechtbank van de volgende feiten en omstandigheden uit.



Verdachte heeft zich op een chatwebsite voorgedaan als minderjarig meisje en heeft in die hoedanigheid gesprekken gevoerd met aangever, welke gesprekken ook seksueel getint van aard waren. Tussen verdachte en aangever is vrij snel na de start van het contact een afspraak tot stand gekomen om elkaar op 7 mei 2023 in Amsterdam te ontmoeten. Verdachte is die dag samen met - onder andere - [medeverdachte] naar Amsterdam afgereisd en samen hebben zij aangever geconfronteerd met het feit dat hij had afgesproken met een minderjarig meisje om seksuele handelingen te verrichten. Verdachte en [medeverdachte] hebben gedreigd aangever bij de politie aan te geven en hem online te ‘exposen’ door filmmateriaal over hem te verspreiden. Op enig moment is ter sprake gekomen dat aangever ook € 2000,- zou kunnen betalen, reden waardoor verdachte en medeverdachte niet naar de politie zouden gaan of hem online zouden exposen. Verdachte is vervolgens met aangever meegelopen naar de pinautomaat in de Albert Heijn, waarbij [verdachte] constant dicht op aangever bleef staan. [medeverdachte] bleef op een korte afstand daarachter bij de ingang van de Albert Heijn staan. Vanwege een door aangever ingestelde pinlimiet, lukte het hem niet om het bedrag te pinnen. Uiteindelijk heeft verdachte drie betaalverzoeken van in totaal € 2000,- naar aangever gestuurd, die aangever vervolgens ter plaatse heeft voldaan. Verdachte heeft die avond een deel van dit geld, namelijk € 200,- overgemaakt naar [medeverdachte].




4.3.2

Afdreiging bewezen



De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier vaststaat dat verdachte samen met zijn [medeverdachte], aangever op 7 mei 2023 heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag van € 2000,- door te dreigen aangever bij de politie aan te geven en hem online te ‘exposen’ door filmmateriaal over hem te verspreiden.



Anders dan de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat de aangifte betrouwbaar is en gebezigd kan worden voor het bewijs, omdat deze op de relevante onderdelen steun vindt in ander bewijsmateriaal, namelijk de getuigenverklaringen van de Albert Heijn-medewerkers en de verklaringen van verdachte en de medeverdachte zelf. Het feit dat aangever geen volledige openheid van zaken heeft gegeven richting de politie over de details van (de totstandkoming van) zijn afspraak met ‘het minderjarige meisje’, tast de betrouwbaarheid op de relevante onderdelen niet aan. Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat aangever zelf zou hebben aangeboden geld te betalen aan de verdachten, merkt de rechtbank op dat het niet van wezenlijk belang is wie als eerste over de betaling is begonnen (aangever óf verdachte of de medeverdachte), omdat onbetwist is dat reeds daarvóór de bedreigingen door verdachte en [medeverdachte] waren geuit. Van enige vrijwilligheid tot betaling aan de zijde van aangever kon daarna dan ook geen sprake meer zijn. Bovendien duurden de bedreigingen ook voort nadat het geldbedrag was genoemd. Met betrekking tot die bedreigingen oordeelt de rechtbank dan ook dat die zijn geuit met het oogmerk om aangever het geld te laten afgeven.



De rechtbank is daarnaast van oordeel dat sprake is geweest van medeplegen. Verdachte en [medeverdachte] hebben op 7 mei 2023 samen de confrontatie gezocht met aangever. Ook zijn zij beiden met aangever meegelopen naar de pinautomaat in de Albert Heijn, waar verdachte constant dicht op aangever bleef staan en [medeverdachte] zich op een kleine afstand daarachter bevond. Tot slot is van belang dat het bedrag van € 2000,- weliswaar naar de rekening van verdachte is overgemaakt, maar dat hij diezelfde avond € 200,- aan [medeverdachte] heeft overgemaakt. Op basis hiervan oordeelt de rechtbank dat tussen verdachte en [medeverdachte] sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering.




4.3.3

Vrijspraak voor afpersing



Aangever verklaart in zijn aangifte dat hij door verdachte en [medeverdachte] is bedreigd met geweld waarbij onder andere zou zijn gezegd dat zij hem in het water wilden duwen en dat zij de neiging hadden om hem dood te maken of neer te steken.
Verdachte heeft bij de politie ontkend aangever te hebben bedreigd met geweld. Wel heeft hij verklaard dat hij tegen aangever heeft gezegd dat hij “geluk met hun heeft” en dat als hij andere jongens zou hebben getroffen “zij hem mogelijk wel in elkaar zouden hebben geslagen.” [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij voor de grap heeft gezegd “zullen we hem in het water duwen.”
Ten aanzien van de bedreiging met geweld die op basis van het dossier voldoende vast is komen te staan (“in het water duwen”), kan de rechtbank niet vaststellen dat deze is geuit met de bedoeling om aangever te bewegen tot het betalen van een geldbedrag. Daarnaast kan de rechtbank op basis van het dossier onvoldoende vaststellen wat verder exact tegen aangever is gezegd in de sfeer van bedreiging met geweld en kan – mede gelet op de hiervoor weergegeven verklaringen van verdachte en de medeverdachte – niet uitsluiten dat een en ander door aangever mogelijk verkeerd is opgevat. Dit maakt dat het voor afpersing vereiste ‘oogmerk’ naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt.



Gelet op bovenstaande acht de rechtbank de onder 2 ten laste gelegde afpersing niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.







5Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte



1
op 7 mei 2023 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift en openbaring van een geheim [aangever] heeft gedwongen tot afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van EURO 2.000,-, dat geheel aan die [aangever] toebehoorde, immers heeft hij, verdachte, en zijn medeverdachte tegen die [aangever] gezegd dat verdachte en/of zijn medeverdachte [aangever] zouden aangeven bij de politie en filmmateriaal en/of foto’s openbaar zouden maken via internet.



Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.





6Strafbaarheid van het feit


Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.





7Strafbaarheid van verdachte


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.





8Motivering van de straf


8.1

Eis van de officier van justitie



De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur, te vervangen door 90 dagen hechtenis, waarvan 60 uur voorwaardelijk, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaar.




8.2

Standpunt van de verdediging



De raadsman heeft de rechtbank verzocht om, indien zij tot strafoplegging zou overgaan, rekening te houden met de schending van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn nagenoeg blanco strafblad en de consequenties die een veroordeling voor zijn carrière kan hebben. De raadsman heeft verzocht te volstaan met een geheel voorwaardelijke taakstraf.




8.3

Oordeel van de rechtbank



De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.




Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van afdreiging. Door het slachtoffer onder dreiging van aangifte bij de politie en het online zetten van beeldmateriaal te dwingen om € 2000,00 te betalen, heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Het handelen van verdachte heeft ook grote impact gehad op het slachtoffer, zoals duidelijk blijkt uit zijn aangifte. Voor zover verdachte het strafbare feit heeft gepleegd vanuit de overtuiging dat het gerechtvaardigd was om het slachtoffer te confronteren vanwege zijn (discutabele) gedrag, moet duidelijk zijn dat dit geen enkele rechtvaardiging biedt voor zijn handelen. Ongeacht welk moreel oordeel verdachte heeft over de (seksuele) voorkeuren en het gedrag van het slachtoffer, geldt dat het opsporen en beoordelen van strafbare feiten in een rechtsstaat behoort tot de taak van respectievelijk de politie en de onafhankelijke rechter. Eigenrichting ondermijnt de rechtsstaat en brengt de veiligheid van onze samenleving ernstig in gevaar.




Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 26 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Dit weegt de rechtbank in strafmatigende zin mee.




Strafoplegging

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank in strafverzwarende zin rekening gehouden met het feit dat het slachtoffer kwetsbaar was, omdat hij een licht verstandelijke beperking had, wat voor verdachte duidelijk was, althans had kunnen zijn. Niet alleen viel dit af te leiden uit de gedragingen van het slachtoffer, ook wordt door een onafhankelijke getuige verklaard dat het slachtoffer in de Albert Heijn gezegd zou hebben dat hij op een speciale school zat en dat je dat ook aan hem zag.



De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met het feit dat verdachte in de tussenliggende jaren niet met politie en justitie in aanraking is gekomen. Ook weegt de rechtbank in strafmatigende zin mee dat verdachte in de afgelopen jaren al in zekere mate is getroffen door zijn handelen. Naar aanleiding van de ten laste gelegde feiten is immers zijn bankrekening wegens een fraudemelding geblokkeerd en verdachte heeft tot op de dag van vandaag geen Nederlandse bankrekening meer kunnen (her)openen.



De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van strafzaken is geschonden. Uitgangspunt hierbij is dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het eerste verhoor van een verdachte bij de politie, niet zonder meer als een zodanige handeling dient te gelden. De officier van justitie en de verdediging hebben in onderhavige zaak niet naar voren gebracht waarom het eerste verhoor in deze zaak wel als aanvang van de redelijke termijn zou moeten gelden. De rechtbank ziet hier ook ambtshalve geen aanleiding voor en is dan ook van oordeel dat de redelijke termijn pas is aangevangen op het moment dat de dagvaarding is betekend, namelijk op 30 juni 2026. Aangezien de zaak op 16 juli 2026 is afgedaan en op dezelfde dag vonnis is gewezen, stelt de rechtbank vast dat formeel geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.
Echter, dat neemt niet weg dat het bewezenverklaarde meer dan drie jaar geleden heeft plaatsgevonden. De rechtbank zal bij de oplegging van de straf en met name bij het bepalen van de duur van de proeftijd, wel rekening houden met dit tijdsverloop.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, en omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van de eis van de officier van justitie. Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 80 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar, passend en geboden.






9Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 318 van het Wetboek van Strafrecht.





10Beslissing


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, en spreekt verdachte daarvan vrij.



Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.



Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.



Het bewezen verklaarde levert op:




medeplegen van afdreiging




Verklaart het bewezene strafbaar.



Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.



Veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uur.



Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen.



Bepaalt dat een gedeelte, groot 40 (veertig) uur van deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.



De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.



Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 (twintig) dagen.



Stelt daarbij een proeftijd van 1 (één) jaar vast.




Dit vonnis is gewezen door
mr. M.E. Kleinherenbrink, voorzitter,
mrs. C. Wildeman en A.E. Wilbrink rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.C. Roodenburg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2026.








[…]








Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.