Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7947
2026-08-07
Strafrecht
13/038938-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verdachte wordt vrijgesproken van criminele uitbuiting van een minderjarige. Hij wordt veroordeeld voor medeplegen van poging tot oplichting van een slachtoffer op leeftijd (zogenoemde helpdeskfraude). Oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met de oplegging van bijzondere voorwaarden.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2009:BI7099 Hoge Raad 27-10-2009
- ECLI:NL:HR:2015:3309 Hoge Raad 24-11-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (43.236 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/038938-26
Datum uitspraak: 7 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] , [woonplaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Leuven en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. E.S. Kostelijk naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich op 5 februari 2026 heeft schuldig gemaakt aan
1. (primair) medeplegen van poging tot oplichting van [benadeelde partij] in Amsterdam, althans in Nederland, dan wel (subsidiair) medeplichtigheid daaraan;
2. medeplegen van mensenhandel (criminele uitbuiting) van de minderjarige [minderjarige slachtoffer] in Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland;
De volledige (gewijzigde) tenlastelegging staat in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak verzocht van het onder 1 primair tenlastegelegde. Verdachte was namelijk niet als medepleger, maar als medeplichtige betrokken bij de poging tot oplichting van [benadeelde partij] , zoals subsidiair is tenlastegelegd. Ten aanzien van een bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan diezelfde oplichting heeft de raadsvrouw geen opmerkingen.
Van feit 2 moet verdachte worden vrijgesproken vanwege gebrek aan bewijs.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
Bewezenverklaring van feit 1 (poging oplichting)
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
[benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij] ) heeft op 3 februari 2026 aangifte gedaan van oplichting, zogenoemde helpdeskfraude, gepleegd op 30 januari 2026. Zij heeft onder meer verklaard dat zij werd gebeld door iemand die zich voordeed als een medewerker van Icebar Verzekeringen en dat zij uiteindelijk door deze persoon is bewogen om geld over te maken.
Op 5 februari 2026 is [benadeelde partij] opnieuw veelvuldig gebeld door een telefoonnummer onder de naam Icebar. De beller deed zich voor als een medewerker van Icebar Verzekeringen en [benadeelde partij] werd onder meer gevraagd om in te loggen in de betaalomgeving van haar bank. In een van de gesprekken is met de beller afgesproken dat iemand langs zou komen bij [benadeelde partij] .
Omstreeks 18:37 uur werd er bij [benadeelde partij] aangebeld. Er stond een jongen aan de deur die zich – via de intercom – voordeed als iemand van (Icebar)verzekering. [benadeelde partij] heeft niet opengedaan, maar de politie gebeld die kort daarop ter plaatse was. De ter plaatse gekomen politie ziet vervolgens de jongen die aan de deur heeft gestaan, medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), in een nabij de woning geparkeerde auto stappen. Daarop worden omstreeks 18:52 uur [medeverdachte 1] , de bestuurder van de auto, zijnde verdachte, en de bijrijder, zijnde medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), aangehouden.
Verdachte erkent dat sprake was van een poging tot oplichting van [benadeelde partij] die dag en dat hij daarbij betrokken was.
Medeplegen of medeplichtigheid
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte met zijn handelen kan worden aangemerkt als medepleger of medeplichtige aan de poging tot oplichting van [benadeelde partij] op 5 februari 2026.
Verdachte heeft verklaard dat hij die dag de chauffeur was en dat hij van tevoren ook wist dat het om een oplichting ging. Hij heeft [medeverdachte 1] benaderd via Snapchat om mee te gaan. Verdachte wist dat [medeverdachte 1] bereid was om dingen te doen voor geld.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank verder het volgende vast. Op 5 februari 2026 heeft verdachte vanaf omstreeks 12:04 uur contact met [medeverdachte 2] via Snapchat en rond 13:38 uur zegt verdachte dat hij ‘vandaag fully active’ is. Omstreeks 14:29 uur zegt [medeverdachte 2] dat hij een ‘haaltje’ heeft. Hierna hebben verdachte en [medeverdachte 2] een telefoongesprek. Na dit telefoongesprek, vraagt [medeverdachte 2] via Snapchat aan verdachte of ‘die haler een nigger is’, waarop verdachte zegt: ‘half half net als jou’. Vervolgens heeft verdachte, omstreeks 14:51 uur, [medeverdachte 1] benaderd via Snapchat. In het Snapchatgesprek tussen verdachte en [medeverdachte 1] zegt verdachte dat er een ‘haaltje’ is in Amsterdam, dat het gaat om een vrouw die helemaal is ‘gebambeld’, ook via whatsapp, en dat er een mooie buit te halen is. In dit gesprek wordt besproken of [medeverdachte 1] alleen de ‘karta’ (de rechtbank begrijpt: pinpas) moet ophalen of dat hij ook moet pinnen. Verdachte zegt dan tegen [medeverdachte 1] dat hij, verdachte, anders wel gaat ‘nippen’ (de rechtbank begrijpt: pinnen). Omstreeks 15:07 uur laat verdachte aan [medeverdachte 2] weten dat hij een ‘betere speler heeft gefixt, Hollander’.
Vervolgens heeft verdachte een auto geregeld en heeft daarmee [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opgehaald. Verdachte is vervolgens met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] naar de woning van [benadeelde partij] in Amsterdam gereden. Verdachte heeft het adres van [benadeelde partij] ook in Google Maps opgezocht. In de auto onderweg naar [benadeelde partij] is [medeverdachte 2] telefonisch in contact geweest met [benadeelde partij] , in de aanwezigheid van verdachte en [medeverdachte 1] .
Bij het adres van [benadeelde partij] aangekomen, heeft [medeverdachte 1] vervolgens bij de woning aangebeld en gezegd dat hij van de verzekering was. Hierna is [medeverdachte 1] weer bij verdachte en [medeverdachte 2] in de auto gestapt, die vlakbij stond geparkeerd.
Van tevoren was afgesproken dat ze zouden kijken wat de buit zou zijn en dat iedereen ongeveer een gelijk deel zou krijgen.
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat bij het begaan van het feit een nauwe en bewuste samenwerking bestond tussen verdachte en in ieder geval [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Er was sprake van een onderlinge taakverdeling en afstemming tussen de betrokken personen. Verdachte had een rol van betekenis in de voorbereiding en vervolgens in de uitvoering. Tevens was van tevoren overeengekomen dat ieder ongeveer een gelijk deel van de buit zou krijgen.
De rol van verdachte was dus niet uitsluitend die van chauffeur, zoals gesteld door de raadsvrouw. De rechtbank verwerpt dit verweer dan ook en acht het primair ten laste gelegde medeplegen van de poging tot oplichting van [benadeelde partij] bewezen.
4.3.2
Vrijspraak van feit 2 (uitbuiting)
De vraag die voorligt is of kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan criminele uitbuiting (mensenhandel) van de toen zeventienjarige [medeverdachte 1] , al dan niet tezamen en in vereniging gepleegd met [medeverdachte 2] .
Juridisch kader
Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f Sr. Artikel 273f Sr beoogt bescherming te bieden tegen de aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van personen. In deze zaak zijn de volgende sub-leden van artikel 273f Sr belang.
Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr
Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr ziet, voor zover thans van belang, op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van de ander, terwijl die ander nog geen 18 jaar oud is. Het gaat om de activiteiten om iemand in de positie te brengen, waarin deze bewogen dan wel gedwongen kan worden zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten. Het daadwerkelijke bewegen dan wel dwingen tot het verrichten van arbeid en/of diensten is strafbaar gesteld in sub 4.
De handelingen omschreven in sub 2 zijn slechts strafbaar als deze zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van personen.
Het begrip ‘uitbuiting’ is door de wetgever niet gedefinieerd, behoudens voor zover in artikel 273f, tweede lid Sr is bepaald, voor zover thans van belang, dat ‘uitbuiting ten minste omvat gedwongen of verplichte arbeid of diensten, met inbegrip van bedelarij’. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een oogmerk van uitbuiting zijn er meerdere invalshoeken die - gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad - moeten worden beschouwd, en die beoordeling is in ieder geval sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Factoren die een rol kunnen spelen bij de beantwoording van die vraag zijn onder meer: de aard en duur van de werkzaamheden, de beperkingen die de tewerkstelling meebrengt voor degene die het werk verricht, en het economisch voordeel (het profijt) dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. De in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven worden als referentiekader gehanteerd.
Uitbuiting veronderstelt een bepaalde mate van onvrijwilligheid, die ziet op de onmogelijkheid om zich aan een bepaalde situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten exploiteren.
Uit jurisprudentie lijkt te volgen dat uitbuiting eerder aan de orde is in het geval van (zeer) kwetsbare slachtoffers, zoals minderjarigen, illegalen, verslaafden en schuldenaren, en als het gaat om het uitvoeren van strafbare activiteiten in plaats van het verrichten van andere arbeid.
Artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr
Artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr stelt het gebruik van iemand in een uitbuitingssituatie strafbaar. Het gaat om de situatie waarbij een ander met een dwangmiddel (zoals genoemd in sub 1) wordt gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, of waarbij onder de in sub 1 genoemde omstandigheden enige handeling wordt ondernomen waarvan men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor daartoe beschikbaar stelt. Gedoeld wordt op degenen die gebruik maken van de uitbuitingssituatie van een ander, welke uitbuitingssituatie zij overigens niet zelf hoeven te hebben gecreëerd. De gedragingen in sub 4 volgen veelal op de gedragingen in sub 2, maar ze kunnen elkaar ook overlappen.
De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat, hoewel ‘uitbuiting’ als zodanig niet in de tekst van sub 4 is opgenomen, dit daarin wel moet worden ingelezen en daarmee een impliciet bestanddeel daarvan vormt. De gedragingen, bedoeld in sub 4, kunnen slechts als mensenhandel worden bestraft, indien uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.
Artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr
Strafbaar op grond van Artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr is degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander. Opzet is als bestanddeel opgenomen, omdat anders onachtzaam handelen onder deze bepaling zou vallen. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat het opzet gericht dient te zijn op zowel het voordeel trekken als op de uitbuiting van een ander.
Toepassing op de onderhavige zaak
De vraag die vervolgens voorligt is of in dit specifieke geval sprake is geweest van uitbuiting in de zin van artikel 273f Sr en of verdachte daartoe ook het oogmerk had.
Zoals hiervoor overwogen, zijn bij die beoordeling kortgezegd onder meer relevant: de mate van (on)vrijwilligheid bij de tewerkgestelde (waarbij ook zijn kwetsbaarheid een rol speelt), de beperkingen die dit voor de tewerkgestelde meebrengt, de aard en duur van de werkzaamheden, en het (economisch) voordeel dat door de tewerksteller wordt behaald.
Handelingen
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier vast dat verdachte (zelf twintig jaar oud) de (zeventienjarige en dus) minderjarige [medeverdachte 1] via Snapchat heeft benaderd met de vraag om op 5 februari 2026 mee te gaan naar [benadeelde partij] met het doel om [benadeelde partij] op te lichten. Daarbij is aan [medeverdachte 1] een geldelijke beloning in het vooruitzicht gesteld. Verdachte heeft [medeverdachte 1] in dit Snapchatgesprek uitdrukkelijk de keuze gegeven om niet mee te doen. Na instemming van [medeverdachte 1] heeft verdachte hem en medeverdachte [medeverdachte 2] opgehaald met een auto en zijn ze met zijn drieën naar de woning van [benadeelde partij] gereden. [medeverdachte 1] heeft instructies gekregen over wat hem te doen stond en heeft in lijn met die instructies bij de woning van [benadeelde partij] aangebeld. Er werd niet open gedaan en [medeverdachte 1] is - onverrichter zake - weer vertrokken.
Vastgesteld kan worden dat verdachte de minderjarige [medeverdachte 1] heeft geworven en vervoerd met als doel het plegen van een strafbaar feit. Met het in het vooruitzicht stellen van een geldelijke beloning, het geven van instructies en het vervoeren naar de locatie, is [medeverdachte 1] ertoe bewogen zich beschikbaar te stellen voor het plegen van het strafbare feit.
Dwangmiddelen
Zoals hiervoor genoemd is in beginsel uitbuiting eerder aan de orde bij een minderjarige. Dit komt door de afhankelijke positie die minderjarigen ten opzichte van volwassenen innemen en de beperking van hun keuzevrijheid die dit met zich meebrengt. Bij minderjarigen wordt ervan uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. Volwassenen hebben van nature een positie van overwicht op minderjarigen en daarmee het vermogen om invloed op hen uit te oefenen en hen te leiden.
De rechtbank heeft in onderhavige zaak in belangrijke mate rekening gehouden met het feit dat het leeftijdsverschil tussen de zeventienjarige [medeverdachte 1] enerzijds en de twintigjarige verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] anderzijds, gering was. Enkel op basis van dit (relatief geringe) leeftijdsverschil kan wat betreft de rechtbank niet direct worden gesproken van een situatie waarin - de jongvolwassen - verdachte en - tevens jongvolwassen - medeverdachte een positie van overwicht innamen ten opzichte van de nog net minderjarige [medeverdachte 1] . Ook weegt de rechtbank in dit kader de inhoud en aard van het Snapchatgesprek tussen verdachte en [medeverdachte 1] mee, waarin enige vorm van druk van verdachte richting [medeverdachte 1] lijkt te ontbreken; aan [medeverdachte 1] werd de keuze gelaten om wel of niet deel te nemen aan de oplichting. Ook op basis van de overige inhoud van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat op enig moment sprake is geweest van een situatie waarin [medeverdachte 1] werd beperkt in zijn reële keuzevrijheid om deel te nemen aan de voorgenomen criminele activiteit. Voor zover de verklaring van [medeverdachte 1] bij de politie ten aanzien van de op hem uitgeoefende druk anders doet geloven, acht de rechtbank dit onderdeel van zijn verklaring onbetrouwbaar. [medeverdachte 1] heeft immers naderhand gezegd dat hij op dit punt een ‘lulverhaal’ heeft opgehangen bij de politie.
Oogmerk van uitbuiting
Aard en duur van het feit
De rechtbank houdt rekening met het feit dat de strafbare activiteit beperkt was in duur en dat - hoewel duidelijk dat [medeverdachte 1] werd ingezet voor het uitvoeren van een strafbaar en daarmee risicovol feit - hij niet is ingezet voor een naar aard gevaarlijke handeling, zoals bijvoorbeeld het geval is bij het plaatsen van een explosief, waarbij de tewerkgestelde het risico loopt op letsel.
Voordeel voor de tewerksteller
Tot slot geldt dat uit het dossier niet blijkt van enig economisch dan wel ander voordeel dat de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 2] zouden behalen door het inzetten van [medeverdachte 1] voor de oplichting. Uit het voornoemde Snapchatgesprek tussen verdachte en [medeverdachte 1] blijkt dat de ‘buit’ nog onduidelijk was en dat deze zou worden verdeeld onder hen drieën. Voor zover het voordeel daarnaast zou kunnen bestaan uit het ontlopen van ‘het risico op betrapping door de politie’ door het inzetten van [medeverdachte 1] , lijkt ook daarvan geen sprake te zijn geweest. Uit het Snapchatgesprek tussen verdachte en [medeverdachte 1] volgt dat verdachte heeft aangeboden om juist de meest risicovolle taak – namelijk het pinnen met de pinpas van [benadeelde partij] – op zich te nemen, nu daarbij de kans ‘gepakt’ te worden het grootst leek. Ook voor het overige blijkt uit het dossier niet van handelingen en omstandigheden die wijzen op het behalen van enig economisch dan wel ander voordeel door verdachte en de medeverdachte.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in dit specifieke geval en onder de gegeven omstandigheden niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van (een oogmerk van) uitbuiting als bedoeld in artikel 273f Sr.
De rechtbank acht daarom feit 2 niet bewezen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
5Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1.
op 5 februari 2026 te Amsterdam,
tezamen en in vereniging met anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
[benadeelde partij] te bewegen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten een goed/gegevens van hunner gading,
- die [benadeelde partij] meermaals heeft opgebeld en zich daarbij voor heeft gedaan als medewerker van Icebar Verzekeringen, en
- die [benadeelde partij] heeft gevraagd in te loggen in de betaalomgeving van haar bank, en
- zich in een personenauto naar de woonplaats van die [benadeelde partij] heeft begeven, en
- naar het adres van die [benadeelde partij] is gegaan en heeft aangebeld en zich daarbij voor heeft gedaan als medewerker van Icebar Verzekeringen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
6De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8Motivering van de straf
8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 150 dagen, met aftrek van voorarrest.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht te volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal de duur van het voorarrest. Dit is passend gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Ook sluit dit aan bij het advies van de reclassering om verdachte niet opnieuw naar de gevangenis te sturen. Een voorwaardelijk strafdeel daarbovenop is niet noodzakelijk. Daarvoor bestaat ook geen ruimte meer gelet op de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Het positieve verloop van het schorsingstoezicht laat bovendien zien dat voortzetting daarvan niet noodzakelijk is. Voor zover de rechtbank wel een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden zou opleggen, wordt verzocht geen avondklok en elektronische monitoring daarbij op te nemen.
Gezien dit standpunt wordt tevens verzocht om - bij uitspraak - het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft samen met anderen op een slinkse wijze geprobeerd een (hoog)bejaard slachtoffer op te lichten. Door middel van zogenoemde helpdeskfraude is geprobeerd om het slachtoffer geld afhandig te maken. Bij deze vorm van oplichting worden oudere mensen bewust uitgekozen vanwege hun hoge leeftijd en kwetsbaarheid. Zij zijn namelijk in toenemende mate afhankelijk van hun medemens. Verdachte heeft daarvan op laffe en meedogenloze wijze misbruik gemaakt. Verdachte heeft hiermee het gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens van het slachtoffer ernstig geschaad. De impact van dit soort fraude is groot. Verdachte heeft geen rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van zijn daden voor het slachtoffer, maar enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 14 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een fraude-feit is veroordeeld.
Gezien de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde 20 jaar oud was, dient te worden overwogen of het volwassen- of jeugdstrafrecht van toepassing is.De rechtbank zal het volwassenstrafrecht toepassen. De rechtbank ziet in de persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is begaan, en gelet op de overwegingen van de Raad voor de Kinderbescherming - zoals weergegeven in het reclasseringsrapport van 16 juli 2026 - geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat een jongvolwassen verdachte, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De Raad voor de Kinderbescherming ziet geen pedagogische redenen of andere aanwijzingen om het adolescentenstrafrecht toe te passen, en ziet in de toepassing daarvan ook geen meerwaarde.Volgens het reclasseringsrapport van 16 juli 2026 verloopt bovendien het huidige toezicht bij de volwassenenreclassering goed en er is geen behoefte aan interventies die slechts onder het jeugdstrafrecht kunnen worden ingezet.
Uit voornoemd reclasseringsrapport blijkt de rechtbank verder het volgende. Verdachte heeft stabiele huisvesting bij zijn moeder, beschikt momenteel over een vaste dagbesteding en toont motivatie om zich verder te ontwikkelen. Hij staat open voor begeleiding en behandeling. Daarnaast ontvangt hij steun vanuit zijn gezin en stelt hij zich binnen het reclasseringscontact overwegend open en coöperatief op. Verdachte geeft bij de reclassering aan dat hij achteraf inziet dat hij anders had moeten handelen. Het risico op recidive wordt als gemiddeld ingeschat. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden. Het wordt niet wenselijk geacht verdachte terug te sturen naar de gevangenis. De reclassering vindt het namelijk van belang dat het huidige toezicht wordt voortgezet. Zo kan worden ingezet op het verminderen van de aanwezige risicofactoren, zoals verdachte’s softdrugsgebruik (hasj), financiële situatie (schulden), impulsiviteit, beïnvloedbaarheid en de psychosociale problematiek rondom zijn ADD. Verdachte lijkt zich soms gemakkelijk te laten sturen door anderen. Behandeling en begeleiding kunnen verdachte ondersteunen in het ontwikkelen van meer structuur, zelfinzicht en vaardigheden om beter om te gaan met moeilijke (risico-)situaties. Hierdoor kan het risico op herhaling worden verminderd.
Op te leggen straf
De rechtbank heeft acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Helpdeskfraude is een veel voorkomend probleem waarvan met name ouderen het slachtoffer worden. Het plegen daarvan wordt streng bestraft. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop ook in het geval van verdachte, waarbij sprake was van een poging, alleen kan worden volstaan met een forse gevangenisstraf.
De rechtbank zal, mede gelet op de hiervoor weergegeven inhoud van het reclasseringsadvies, hiervan een zodanig deel in voorwaardelijke zin opleggen dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Hernieuwde detentie zal de positieve ontwikkeling in het leven van verdachte doorkruisen. De rechtbank acht het van belang dat wordt ingezet op het voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw een dergelijk feit pleegt. Hierbij is ook de samenleving gebaat.
Alles afwegende legt de rechtbank op een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 35 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank legt hierbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden op met een proeftijd van twee jaar.
Voorlopige hechtenis
Gelet op de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de rechtbank oplegt, wordt het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
9Beslag
9.1.
Beslaglijst
In de zaak van verdachte staan op de beslaglijst de volgende voorwerpen:
een telefoon, goednummer 6771159 (iPhone 7);
een telefoon, goednummer 6771180 (iPhone 16).
9.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de iPhone 7 wordt teruggegeven aan de rechthebbende en dat de iPhone 17 met goednummer 6771186 aan [medeverdachte 1] wordt geretourneerd
9.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht beide telefoons te retourneren aan verdachte. Op de iPhone 16 zijn geen handelingen verricht ten behoeve van het delict, zodat het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet. Hoewel het contact tussen verdachte en de medeverdachten heeft plaatsgevonden via de iPhone 7, is verbeurdverklaring van de telefoon disproportioneel.
Verbeurdverklaring
De iPhone 7 behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van die telefoon het onder 1 bewezen geachte is begaan, wordt deze verbeurdverklaard. Gelet op de aard en de ernst van het strafbare feit en de grot rol van de telefoon hierin (het contact met, en werven van (een) mededader(s)), acht de rechtbank verbeurdverklaring ook proportioneel.
Teruggave aan de beslagene
De rechtbank constateert dat bij verdachte ook een iPhone 16 in beslaggenomen is, die zich bevond in het dashboardkastje van zijn auto. Deze iPhone 16 heeft het goednummer 6771180 gekregen. Deze telefoon is niet onderzocht. De rechtbank zal ten aanzien van goednummer 6771180 beslissen dat deze wordt teruggegeven aan verdachte.
De iPhone met goednummer 6771186, waar de officier van justitie naar verwijst in zijn requisitoir, staat niet op de beslaglijst van verdachte en is ook niet onder hem in beslag genomen. De rechtbank zal over deze telefoon geen beslissing nemen.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 45, 47 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
11Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van poging tot oplichting
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 35 (vijfendertig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- Meldplicht bij reclassering
Dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
- Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
Dat veroordeelde binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa/CoVa-plus/Solo van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer.
- Ambulante behandeling met mogelijk kortdurende opname
Dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, omgaan met ADD-diagnose, schuldenproblematiek, en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van betrokkene dat een kortdurende klinische behandeling voor detoxificatie / stabilisatie /observatie / diagnostiek / crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische behandeling voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie ene kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie de verantwoordelijk is voor plaatsing.
- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Dat de veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
- Contactverbod
Dat de veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoeken zal of hebben met: het slachtoffer [benadeelde partij] (geboren op [geboortedatum] ) en medeverdachte [medeverdachte 2] (geboren op [geboortedatum] ).
- Locatiegebod (met elektronisch toezicht)
Dat de veroordeelde op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Het locatiegebod met avondklok geldt op de volgende dagen en tijden: bij de start dient de veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding 12 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 16 uur. De reclassering kan de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk, verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de verdachte en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is [adres] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.
- Beperking recht Nederland te verlaten wegens elektronisch toezicht
Dat de veroordeelde voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering.
- Dagbesteding
Dat de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van een opleiding, betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
- Aflossing schulden
Dat de veroordeelde meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Verklaart verbeurd:
- een telefoon, goednummer 6771159 (iPhone 7).
Gelast de teruggave aan de beslagene, te weten verdachte, van:
- een telefoon, goednummer 6771180 (iPhone 16).
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. I. Timmermans voorzitter,
mrs. H.E. Hoogendijk en M.E. Kleinherenbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.A. Baaijens, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 augustus 2026.
Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Aangifte [benadeelde partij] 3 februari 2026 uit pv voorgeleiding p. 11-12.
Proces-verbaal uitlezen iPhone 11 [medeverdachte 2] , nazending 30 april 2026 p. 56-58 digitaal.
Proces-verbaal uitlezen iPhone 11 [medeverdachte 2] , nazending 30 april 2026 p. 58 digitaal.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam getuige] (zoon van [benadeelde partij] ) uit pv voorgeleiding p. 32-33 digitaal (in combinatie met proces-verbaal van bevindingen, nazending 30 juni 2026 p. 2 digitaal) en proces-verbaal van bevindingen, nazending 30 juni 2026 p. 11, 12 en 14 digitaal (in samenhang met het proces-verbaal van bevindingen uit pv voorgeleiding p. 50-51 digitaal).
Proces-verbaal verhoor getuige [naam getuige] (zoon van [benadeelde partij] ) uit pv voorgeleiding p. 32 digitaal (in combinatie met proces-verbaal van bevindingen, nazending 30 juni 2026 p. 2 digitaal), in samenhang met het proces-verbaal van bevindingen uit pv voorgeleiding p. 50-51 digitaal.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam getuige] (zoon van [benadeelde partij] ) uit pv voorgeleiding p. 32-33 digitaal (in combinatie met proces-verbaal van bevindingen, nazending 30 juni 2026 p. 2 digitaal).
Proces-verbaal verhoor getuige [naam getuige] (zoon van [benadeelde partij] ) uit pv voorgeleiding, p. 33 digitaal (in combinatie met proces-verbaal van bevindingen, nazending 30 juni 2026 p. 2 digitaal) en proces-verbaal van bevindingen uit pv voorgeleiding p. 41-42 digitaal.
Proces-verbaal van bevindingen uit pv voorgeleiding p. 41-42 digitaal en proces-verbaal van bevindingen uit pv voorgeleiding p. 37-38 digitaal.
Verklaring verdachte ter zitting 24 juli 2026.
Verklaring verdachte ter zitting 24 juli 2026 en aanvullend verhoor verdachte 19 februari 2026 p. 6 en 7 (van 9).
Verklaring verdachte ter zitting 24 juli 2026, aanvullend verhoor verdachte 19 februari 2026, p. 3 van 9.
Aanvullend verhoor verdachte 19 februari 2026, p. 2 en 4 (van 9).
Proces-verbaal bevindingen iPhone 11 [medeverdachte 2] , nazending 30 april 26 p. 57, 58 en 65 digitaal.
Proces-verbaal bevindingen iPhone 11 [medeverdachte 2] , nazending 30 april 26 p. 65 digitaal.
Proces-verbaal van bevindingen iPhone 17 [medeverdachte 1] , nazending 30 april 2026, p. 86 en 89 digitaal.
Proces-verbaal van bevindingen iPhone 17 [medeverdachte 1] , nazending 30 april 2026, p. 86 en 89 digitaal.
Proces-verbaal bevindingen iPhone 11 [medeverdachte 2] , nazending 30 april 26 p. 65 digitaal.
Verklaring verdachte ter zitting 24 juli 2026.
Verklaring verdachte ter zitting 24 juli 2026 en aanvullend verhoor verdachte 19 februari 2026, p. 3, 6 en 7 (van 9).
Proces-verbaal van bevindingen iPhone 7 [medeverdachte 1] , nazending 30 april 2026, p. 81 digitaal.
Verklaring verdachte ter zitting 24 juli 2026. Zie ook telefoongegevens in proces-verbaal uitlezen iPhone 11 [medeverdachte 2] , nazending 30- april 2026 p. 56-58 digitaal.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam getuige] (zoon van [benadeelde partij] ) uit pv voorgeleiding, p. 32 digitaal (in combinatie met proces-verbaal van bevindingen, nazending 30 juni 2026 p. 2 digitaal).
Proces-verbaal van bevindingen uit pv voorgeleiding, p. 41-42 digitaal.
Aanvullend verhoor verdachte 19 februari 2026 p. 4 (van 9).
ECLI:NL:HR:2009:BI7099.
Zie onder meer ECLI:NL:HR:2015:3309.
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/038938-26
Datum uitspraak: 7 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] , [woonplaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Leuven en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. E.S. Kostelijk naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich op 5 februari 2026 heeft schuldig gemaakt aan
1. (primair) medeplegen van poging tot oplichting van [benadeelde partij] in Amsterdam, althans in Nederland, dan wel (subsidiair) medeplichtigheid daaraan;
2. medeplegen van mensenhandel (criminele uitbuiting) van de minderjarige [minderjarige slachtoffer] in Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland;
De volledige (gewijzigde) tenlastelegging staat in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak verzocht van het onder 1 primair tenlastegelegde. Verdachte was namelijk niet als medepleger, maar als medeplichtige betrokken bij de poging tot oplichting van [benadeelde partij] , zoals subsidiair is tenlastegelegd. Ten aanzien van een bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan diezelfde oplichting heeft de raadsvrouw geen opmerkingen.
Van feit 2 moet verdachte worden vrijgesproken vanwege gebrek aan bewijs.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
Bewezenverklaring van feit 1 (poging oplichting)
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
[benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij] ) heeft op 3 februari 2026 aangifte gedaan van oplichting, zogenoemde helpdeskfraude, gepleegd op 30 januari 2026. Zij heeft onder meer verklaard dat zij werd gebeld door iemand die zich voordeed als een medewerker van Icebar Verzekeringen en dat zij uiteindelijk door deze persoon is bewogen om geld over te maken.
Op 5 februari 2026 is [benadeelde partij] opnieuw veelvuldig gebeld door een telefoonnummer onder de naam Icebar. De beller deed zich voor als een medewerker van Icebar Verzekeringen en [benadeelde partij] werd onder meer gevraagd om in te loggen in de betaalomgeving van haar bank. In een van de gesprekken is met de beller afgesproken dat iemand langs zou komen bij [benadeelde partij] .
Omstreeks 18:37 uur werd er bij [benadeelde partij] aangebeld. Er stond een jongen aan de deur die zich – via de intercom – voordeed als iemand van (Icebar)verzekering. [benadeelde partij] heeft niet opengedaan, maar de politie gebeld die kort daarop ter plaatse was. De ter plaatse gekomen politie ziet vervolgens de jongen die aan de deur heeft gestaan, medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), in een nabij de woning geparkeerde auto stappen. Daarop worden omstreeks 18:52 uur [medeverdachte 1] , de bestuurder van de auto, zijnde verdachte, en de bijrijder, zijnde medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), aangehouden.
Verdachte erkent dat sprake was van een poging tot oplichting van [benadeelde partij] die dag en dat hij daarbij betrokken was.
Medeplegen of medeplichtigheid
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte met zijn handelen kan worden aangemerkt als medepleger of medeplichtige aan de poging tot oplichting van [benadeelde partij] op 5 februari 2026.
Verdachte heeft verklaard dat hij die dag de chauffeur was en dat hij van tevoren ook wist dat het om een oplichting ging. Hij heeft [medeverdachte 1] benaderd via Snapchat om mee te gaan. Verdachte wist dat [medeverdachte 1] bereid was om dingen te doen voor geld.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank verder het volgende vast. Op 5 februari 2026 heeft verdachte vanaf omstreeks 12:04 uur contact met [medeverdachte 2] via Snapchat en rond 13:38 uur zegt verdachte dat hij ‘vandaag fully active’ is. Omstreeks 14:29 uur zegt [medeverdachte 2] dat hij een ‘haaltje’ heeft. Hierna hebben verdachte en [medeverdachte 2] een telefoongesprek. Na dit telefoongesprek, vraagt [medeverdachte 2] via Snapchat aan verdachte of ‘die haler een nigger is’, waarop verdachte zegt: ‘half half net als jou’. Vervolgens heeft verdachte, omstreeks 14:51 uur, [medeverdachte 1] benaderd via Snapchat. In het Snapchatgesprek tussen verdachte en [medeverdachte 1] zegt verdachte dat er een ‘haaltje’ is in Amsterdam, dat het gaat om een vrouw die helemaal is ‘gebambeld’, ook via whatsapp, en dat er een mooie buit te halen is. In dit gesprek wordt besproken of [medeverdachte 1] alleen de ‘karta’ (de rechtbank begrijpt: pinpas) moet ophalen of dat hij ook moet pinnen. Verdachte zegt dan tegen [medeverdachte 1] dat hij, verdachte, anders wel gaat ‘nippen’ (de rechtbank begrijpt: pinnen). Omstreeks 15:07 uur laat verdachte aan [medeverdachte 2] weten dat hij een ‘betere speler heeft gefixt, Hollander’.
Vervolgens heeft verdachte een auto geregeld en heeft daarmee [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opgehaald. Verdachte is vervolgens met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] naar de woning van [benadeelde partij] in Amsterdam gereden. Verdachte heeft het adres van [benadeelde partij] ook in Google Maps opgezocht. In de auto onderweg naar [benadeelde partij] is [medeverdachte 2] telefonisch in contact geweest met [benadeelde partij] , in de aanwezigheid van verdachte en [medeverdachte 1] .
Bij het adres van [benadeelde partij] aangekomen, heeft [medeverdachte 1] vervolgens bij de woning aangebeld en gezegd dat hij van de verzekering was. Hierna is [medeverdachte 1] weer bij verdachte en [medeverdachte 2] in de auto gestapt, die vlakbij stond geparkeerd.
Van tevoren was afgesproken dat ze zouden kijken wat de buit zou zijn en dat iedereen ongeveer een gelijk deel zou krijgen.
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat bij het begaan van het feit een nauwe en bewuste samenwerking bestond tussen verdachte en in ieder geval [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Er was sprake van een onderlinge taakverdeling en afstemming tussen de betrokken personen. Verdachte had een rol van betekenis in de voorbereiding en vervolgens in de uitvoering. Tevens was van tevoren overeengekomen dat ieder ongeveer een gelijk deel van de buit zou krijgen.
De rol van verdachte was dus niet uitsluitend die van chauffeur, zoals gesteld door de raadsvrouw. De rechtbank verwerpt dit verweer dan ook en acht het primair ten laste gelegde medeplegen van de poging tot oplichting van [benadeelde partij] bewezen.
4.3.2
Vrijspraak van feit 2 (uitbuiting)
De vraag die voorligt is of kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan criminele uitbuiting (mensenhandel) van de toen zeventienjarige [medeverdachte 1] , al dan niet tezamen en in vereniging gepleegd met [medeverdachte 2] .
Juridisch kader
Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f Sr. Artikel 273f Sr beoogt bescherming te bieden tegen de aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van personen. In deze zaak zijn de volgende sub-leden van artikel 273f Sr belang.
Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr
Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr ziet, voor zover thans van belang, op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van de ander, terwijl die ander nog geen 18 jaar oud is. Het gaat om de activiteiten om iemand in de positie te brengen, waarin deze bewogen dan wel gedwongen kan worden zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten. Het daadwerkelijke bewegen dan wel dwingen tot het verrichten van arbeid en/of diensten is strafbaar gesteld in sub 4.
De handelingen omschreven in sub 2 zijn slechts strafbaar als deze zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van personen.
Het begrip ‘uitbuiting’ is door de wetgever niet gedefinieerd, behoudens voor zover in artikel 273f, tweede lid Sr is bepaald, voor zover thans van belang, dat ‘uitbuiting ten minste omvat gedwongen of verplichte arbeid of diensten, met inbegrip van bedelarij’. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een oogmerk van uitbuiting zijn er meerdere invalshoeken die - gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad - moeten worden beschouwd, en die beoordeling is in ieder geval sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Factoren die een rol kunnen spelen bij de beantwoording van die vraag zijn onder meer: de aard en duur van de werkzaamheden, de beperkingen die de tewerkstelling meebrengt voor degene die het werk verricht, en het economisch voordeel (het profijt) dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. De in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven worden als referentiekader gehanteerd.
Uitbuiting veronderstelt een bepaalde mate van onvrijwilligheid, die ziet op de onmogelijkheid om zich aan een bepaalde situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten exploiteren.
Uit jurisprudentie lijkt te volgen dat uitbuiting eerder aan de orde is in het geval van (zeer) kwetsbare slachtoffers, zoals minderjarigen, illegalen, verslaafden en schuldenaren, en als het gaat om het uitvoeren van strafbare activiteiten in plaats van het verrichten van andere arbeid.
Artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr
Artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr stelt het gebruik van iemand in een uitbuitingssituatie strafbaar. Het gaat om de situatie waarbij een ander met een dwangmiddel (zoals genoemd in sub 1) wordt gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, of waarbij onder de in sub 1 genoemde omstandigheden enige handeling wordt ondernomen waarvan men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor daartoe beschikbaar stelt. Gedoeld wordt op degenen die gebruik maken van de uitbuitingssituatie van een ander, welke uitbuitingssituatie zij overigens niet zelf hoeven te hebben gecreëerd. De gedragingen in sub 4 volgen veelal op de gedragingen in sub 2, maar ze kunnen elkaar ook overlappen.
De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat, hoewel ‘uitbuiting’ als zodanig niet in de tekst van sub 4 is opgenomen, dit daarin wel moet worden ingelezen en daarmee een impliciet bestanddeel daarvan vormt. De gedragingen, bedoeld in sub 4, kunnen slechts als mensenhandel worden bestraft, indien uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.
Artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr
Strafbaar op grond van Artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr is degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander. Opzet is als bestanddeel opgenomen, omdat anders onachtzaam handelen onder deze bepaling zou vallen. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat het opzet gericht dient te zijn op zowel het voordeel trekken als op de uitbuiting van een ander.
Toepassing op de onderhavige zaak
De vraag die vervolgens voorligt is of in dit specifieke geval sprake is geweest van uitbuiting in de zin van artikel 273f Sr en of verdachte daartoe ook het oogmerk had.
Zoals hiervoor overwogen, zijn bij die beoordeling kortgezegd onder meer relevant: de mate van (on)vrijwilligheid bij de tewerkgestelde (waarbij ook zijn kwetsbaarheid een rol speelt), de beperkingen die dit voor de tewerkgestelde meebrengt, de aard en duur van de werkzaamheden, en het (economisch) voordeel dat door de tewerksteller wordt behaald.
Handelingen
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier vast dat verdachte (zelf twintig jaar oud) de (zeventienjarige en dus) minderjarige [medeverdachte 1] via Snapchat heeft benaderd met de vraag om op 5 februari 2026 mee te gaan naar [benadeelde partij] met het doel om [benadeelde partij] op te lichten. Daarbij is aan [medeverdachte 1] een geldelijke beloning in het vooruitzicht gesteld. Verdachte heeft [medeverdachte 1] in dit Snapchatgesprek uitdrukkelijk de keuze gegeven om niet mee te doen. Na instemming van [medeverdachte 1] heeft verdachte hem en medeverdachte [medeverdachte 2] opgehaald met een auto en zijn ze met zijn drieën naar de woning van [benadeelde partij] gereden. [medeverdachte 1] heeft instructies gekregen over wat hem te doen stond en heeft in lijn met die instructies bij de woning van [benadeelde partij] aangebeld. Er werd niet open gedaan en [medeverdachte 1] is - onverrichter zake - weer vertrokken.
Vastgesteld kan worden dat verdachte de minderjarige [medeverdachte 1] heeft geworven en vervoerd met als doel het plegen van een strafbaar feit. Met het in het vooruitzicht stellen van een geldelijke beloning, het geven van instructies en het vervoeren naar de locatie, is [medeverdachte 1] ertoe bewogen zich beschikbaar te stellen voor het plegen van het strafbare feit.
Dwangmiddelen
Zoals hiervoor genoemd is in beginsel uitbuiting eerder aan de orde bij een minderjarige. Dit komt door de afhankelijke positie die minderjarigen ten opzichte van volwassenen innemen en de beperking van hun keuzevrijheid die dit met zich meebrengt. Bij minderjarigen wordt ervan uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. Volwassenen hebben van nature een positie van overwicht op minderjarigen en daarmee het vermogen om invloed op hen uit te oefenen en hen te leiden.
De rechtbank heeft in onderhavige zaak in belangrijke mate rekening gehouden met het feit dat het leeftijdsverschil tussen de zeventienjarige [medeverdachte 1] enerzijds en de twintigjarige verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] anderzijds, gering was. Enkel op basis van dit (relatief geringe) leeftijdsverschil kan wat betreft de rechtbank niet direct worden gesproken van een situatie waarin - de jongvolwassen - verdachte en - tevens jongvolwassen - medeverdachte een positie van overwicht innamen ten opzichte van de nog net minderjarige [medeverdachte 1] . Ook weegt de rechtbank in dit kader de inhoud en aard van het Snapchatgesprek tussen verdachte en [medeverdachte 1] mee, waarin enige vorm van druk van verdachte richting [medeverdachte 1] lijkt te ontbreken; aan [medeverdachte 1] werd de keuze gelaten om wel of niet deel te nemen aan de oplichting. Ook op basis van de overige inhoud van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat op enig moment sprake is geweest van een situatie waarin [medeverdachte 1] werd beperkt in zijn reële keuzevrijheid om deel te nemen aan de voorgenomen criminele activiteit. Voor zover de verklaring van [medeverdachte 1] bij de politie ten aanzien van de op hem uitgeoefende druk anders doet geloven, acht de rechtbank dit onderdeel van zijn verklaring onbetrouwbaar. [medeverdachte 1] heeft immers naderhand gezegd dat hij op dit punt een ‘lulverhaal’ heeft opgehangen bij de politie.
Oogmerk van uitbuiting
Aard en duur van het feit
De rechtbank houdt rekening met het feit dat de strafbare activiteit beperkt was in duur en dat - hoewel duidelijk dat [medeverdachte 1] werd ingezet voor het uitvoeren van een strafbaar en daarmee risicovol feit - hij niet is ingezet voor een naar aard gevaarlijke handeling, zoals bijvoorbeeld het geval is bij het plaatsen van een explosief, waarbij de tewerkgestelde het risico loopt op letsel.
Voordeel voor de tewerksteller
Tot slot geldt dat uit het dossier niet blijkt van enig economisch dan wel ander voordeel dat de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 2] zouden behalen door het inzetten van [medeverdachte 1] voor de oplichting. Uit het voornoemde Snapchatgesprek tussen verdachte en [medeverdachte 1] blijkt dat de ‘buit’ nog onduidelijk was en dat deze zou worden verdeeld onder hen drieën. Voor zover het voordeel daarnaast zou kunnen bestaan uit het ontlopen van ‘het risico op betrapping door de politie’ door het inzetten van [medeverdachte 1] , lijkt ook daarvan geen sprake te zijn geweest. Uit het Snapchatgesprek tussen verdachte en [medeverdachte 1] volgt dat verdachte heeft aangeboden om juist de meest risicovolle taak – namelijk het pinnen met de pinpas van [benadeelde partij] – op zich te nemen, nu daarbij de kans ‘gepakt’ te worden het grootst leek. Ook voor het overige blijkt uit het dossier niet van handelingen en omstandigheden die wijzen op het behalen van enig economisch dan wel ander voordeel door verdachte en de medeverdachte.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in dit specifieke geval en onder de gegeven omstandigheden niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van (een oogmerk van) uitbuiting als bedoeld in artikel 273f Sr.
De rechtbank acht daarom feit 2 niet bewezen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
5Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1.
op 5 februari 2026 te Amsterdam,
tezamen en in vereniging met anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
[benadeelde partij] te bewegen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten een goed/gegevens van hunner gading,
- die [benadeelde partij] meermaals heeft opgebeld en zich daarbij voor heeft gedaan als medewerker van Icebar Verzekeringen, en
- die [benadeelde partij] heeft gevraagd in te loggen in de betaalomgeving van haar bank, en
- zich in een personenauto naar de woonplaats van die [benadeelde partij] heeft begeven, en
- naar het adres van die [benadeelde partij] is gegaan en heeft aangebeld en zich daarbij voor heeft gedaan als medewerker van Icebar Verzekeringen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
6De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8Motivering van de straf
8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 150 dagen, met aftrek van voorarrest.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht te volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal de duur van het voorarrest. Dit is passend gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Ook sluit dit aan bij het advies van de reclassering om verdachte niet opnieuw naar de gevangenis te sturen. Een voorwaardelijk strafdeel daarbovenop is niet noodzakelijk. Daarvoor bestaat ook geen ruimte meer gelet op de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Het positieve verloop van het schorsingstoezicht laat bovendien zien dat voortzetting daarvan niet noodzakelijk is. Voor zover de rechtbank wel een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden zou opleggen, wordt verzocht geen avondklok en elektronische monitoring daarbij op te nemen.
Gezien dit standpunt wordt tevens verzocht om - bij uitspraak - het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft samen met anderen op een slinkse wijze geprobeerd een (hoog)bejaard slachtoffer op te lichten. Door middel van zogenoemde helpdeskfraude is geprobeerd om het slachtoffer geld afhandig te maken. Bij deze vorm van oplichting worden oudere mensen bewust uitgekozen vanwege hun hoge leeftijd en kwetsbaarheid. Zij zijn namelijk in toenemende mate afhankelijk van hun medemens. Verdachte heeft daarvan op laffe en meedogenloze wijze misbruik gemaakt. Verdachte heeft hiermee het gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens van het slachtoffer ernstig geschaad. De impact van dit soort fraude is groot. Verdachte heeft geen rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van zijn daden voor het slachtoffer, maar enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 14 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een fraude-feit is veroordeeld.
Gezien de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde 20 jaar oud was, dient te worden overwogen of het volwassen- of jeugdstrafrecht van toepassing is.De rechtbank zal het volwassenstrafrecht toepassen. De rechtbank ziet in de persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is begaan, en gelet op de overwegingen van de Raad voor de Kinderbescherming - zoals weergegeven in het reclasseringsrapport van 16 juli 2026 - geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat een jongvolwassen verdachte, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De Raad voor de Kinderbescherming ziet geen pedagogische redenen of andere aanwijzingen om het adolescentenstrafrecht toe te passen, en ziet in de toepassing daarvan ook geen meerwaarde.Volgens het reclasseringsrapport van 16 juli 2026 verloopt bovendien het huidige toezicht bij de volwassenenreclassering goed en er is geen behoefte aan interventies die slechts onder het jeugdstrafrecht kunnen worden ingezet.
Uit voornoemd reclasseringsrapport blijkt de rechtbank verder het volgende. Verdachte heeft stabiele huisvesting bij zijn moeder, beschikt momenteel over een vaste dagbesteding en toont motivatie om zich verder te ontwikkelen. Hij staat open voor begeleiding en behandeling. Daarnaast ontvangt hij steun vanuit zijn gezin en stelt hij zich binnen het reclasseringscontact overwegend open en coöperatief op. Verdachte geeft bij de reclassering aan dat hij achteraf inziet dat hij anders had moeten handelen. Het risico op recidive wordt als gemiddeld ingeschat. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden. Het wordt niet wenselijk geacht verdachte terug te sturen naar de gevangenis. De reclassering vindt het namelijk van belang dat het huidige toezicht wordt voortgezet. Zo kan worden ingezet op het verminderen van de aanwezige risicofactoren, zoals verdachte’s softdrugsgebruik (hasj), financiële situatie (schulden), impulsiviteit, beïnvloedbaarheid en de psychosociale problematiek rondom zijn ADD. Verdachte lijkt zich soms gemakkelijk te laten sturen door anderen. Behandeling en begeleiding kunnen verdachte ondersteunen in het ontwikkelen van meer structuur, zelfinzicht en vaardigheden om beter om te gaan met moeilijke (risico-)situaties. Hierdoor kan het risico op herhaling worden verminderd.
Op te leggen straf
De rechtbank heeft acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Helpdeskfraude is een veel voorkomend probleem waarvan met name ouderen het slachtoffer worden. Het plegen daarvan wordt streng bestraft. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop ook in het geval van verdachte, waarbij sprake was van een poging, alleen kan worden volstaan met een forse gevangenisstraf.
De rechtbank zal, mede gelet op de hiervoor weergegeven inhoud van het reclasseringsadvies, hiervan een zodanig deel in voorwaardelijke zin opleggen dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Hernieuwde detentie zal de positieve ontwikkeling in het leven van verdachte doorkruisen. De rechtbank acht het van belang dat wordt ingezet op het voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw een dergelijk feit pleegt. Hierbij is ook de samenleving gebaat.
Alles afwegende legt de rechtbank op een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 35 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank legt hierbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden op met een proeftijd van twee jaar.
Voorlopige hechtenis
Gelet op de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de rechtbank oplegt, wordt het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
9Beslag
9.1.
Beslaglijst
In de zaak van verdachte staan op de beslaglijst de volgende voorwerpen:
een telefoon, goednummer 6771159 (iPhone 7);
een telefoon, goednummer 6771180 (iPhone 16).
9.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de iPhone 7 wordt teruggegeven aan de rechthebbende en dat de iPhone 17 met goednummer 6771186 aan [medeverdachte 1] wordt geretourneerd
9.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht beide telefoons te retourneren aan verdachte. Op de iPhone 16 zijn geen handelingen verricht ten behoeve van het delict, zodat het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet. Hoewel het contact tussen verdachte en de medeverdachten heeft plaatsgevonden via de iPhone 7, is verbeurdverklaring van de telefoon disproportioneel.
Verbeurdverklaring
De iPhone 7 behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van die telefoon het onder 1 bewezen geachte is begaan, wordt deze verbeurdverklaard. Gelet op de aard en de ernst van het strafbare feit en de grot rol van de telefoon hierin (het contact met, en werven van (een) mededader(s)), acht de rechtbank verbeurdverklaring ook proportioneel.
Teruggave aan de beslagene
De rechtbank constateert dat bij verdachte ook een iPhone 16 in beslaggenomen is, die zich bevond in het dashboardkastje van zijn auto. Deze iPhone 16 heeft het goednummer 6771180 gekregen. Deze telefoon is niet onderzocht. De rechtbank zal ten aanzien van goednummer 6771180 beslissen dat deze wordt teruggegeven aan verdachte.
De iPhone met goednummer 6771186, waar de officier van justitie naar verwijst in zijn requisitoir, staat niet op de beslaglijst van verdachte en is ook niet onder hem in beslag genomen. De rechtbank zal over deze telefoon geen beslissing nemen.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 45, 47 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
11Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van poging tot oplichting
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 35 (vijfendertig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- Meldplicht bij reclassering
Dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
- Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
Dat veroordeelde binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa/CoVa-plus/Solo van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer.
- Ambulante behandeling met mogelijk kortdurende opname
Dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, omgaan met ADD-diagnose, schuldenproblematiek, en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van betrokkene dat een kortdurende klinische behandeling voor detoxificatie / stabilisatie /observatie / diagnostiek / crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische behandeling voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie ene kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie de verantwoordelijk is voor plaatsing.
- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Dat de veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
- Contactverbod
Dat de veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoeken zal of hebben met: het slachtoffer [benadeelde partij] (geboren op [geboortedatum] ) en medeverdachte [medeverdachte 2] (geboren op [geboortedatum] ).
- Locatiegebod (met elektronisch toezicht)
Dat de veroordeelde op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Het locatiegebod met avondklok geldt op de volgende dagen en tijden: bij de start dient de veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding 12 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 16 uur. De reclassering kan de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk, verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de verdachte en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is [adres] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.
- Beperking recht Nederland te verlaten wegens elektronisch toezicht
Dat de veroordeelde voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering.
- Dagbesteding
Dat de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van een opleiding, betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
- Aflossing schulden
Dat de veroordeelde meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Verklaart verbeurd:
- een telefoon, goednummer 6771159 (iPhone 7).
Gelast de teruggave aan de beslagene, te weten verdachte, van:
- een telefoon, goednummer 6771180 (iPhone 16).
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. I. Timmermans voorzitter,
mrs. H.E. Hoogendijk en M.E. Kleinherenbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.A. Baaijens, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 augustus 2026.
Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Aangifte [benadeelde partij] 3 februari 2026 uit pv voorgeleiding p. 11-12.
Proces-verbaal uitlezen iPhone 11 [medeverdachte 2] , nazending 30 april 2026 p. 56-58 digitaal.
Proces-verbaal uitlezen iPhone 11 [medeverdachte 2] , nazending 30 april 2026 p. 58 digitaal.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam getuige] (zoon van [benadeelde partij] ) uit pv voorgeleiding p. 32-33 digitaal (in combinatie met proces-verbaal van bevindingen, nazending 30 juni 2026 p. 2 digitaal) en proces-verbaal van bevindingen, nazending 30 juni 2026 p. 11, 12 en 14 digitaal (in samenhang met het proces-verbaal van bevindingen uit pv voorgeleiding p. 50-51 digitaal).
Proces-verbaal verhoor getuige [naam getuige] (zoon van [benadeelde partij] ) uit pv voorgeleiding p. 32 digitaal (in combinatie met proces-verbaal van bevindingen, nazending 30 juni 2026 p. 2 digitaal), in samenhang met het proces-verbaal van bevindingen uit pv voorgeleiding p. 50-51 digitaal.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam getuige] (zoon van [benadeelde partij] ) uit pv voorgeleiding p. 32-33 digitaal (in combinatie met proces-verbaal van bevindingen, nazending 30 juni 2026 p. 2 digitaal).
Proces-verbaal verhoor getuige [naam getuige] (zoon van [benadeelde partij] ) uit pv voorgeleiding, p. 33 digitaal (in combinatie met proces-verbaal van bevindingen, nazending 30 juni 2026 p. 2 digitaal) en proces-verbaal van bevindingen uit pv voorgeleiding p. 41-42 digitaal.
Proces-verbaal van bevindingen uit pv voorgeleiding p. 41-42 digitaal en proces-verbaal van bevindingen uit pv voorgeleiding p. 37-38 digitaal.
Verklaring verdachte ter zitting 24 juli 2026.
Verklaring verdachte ter zitting 24 juli 2026 en aanvullend verhoor verdachte 19 februari 2026 p. 6 en 7 (van 9).
Verklaring verdachte ter zitting 24 juli 2026, aanvullend verhoor verdachte 19 februari 2026, p. 3 van 9.
Aanvullend verhoor verdachte 19 februari 2026, p. 2 en 4 (van 9).
Proces-verbaal bevindingen iPhone 11 [medeverdachte 2] , nazending 30 april 26 p. 57, 58 en 65 digitaal.
Proces-verbaal bevindingen iPhone 11 [medeverdachte 2] , nazending 30 april 26 p. 65 digitaal.
Proces-verbaal van bevindingen iPhone 17 [medeverdachte 1] , nazending 30 april 2026, p. 86 en 89 digitaal.
Proces-verbaal van bevindingen iPhone 17 [medeverdachte 1] , nazending 30 april 2026, p. 86 en 89 digitaal.
Proces-verbaal bevindingen iPhone 11 [medeverdachte 2] , nazending 30 april 26 p. 65 digitaal.
Verklaring verdachte ter zitting 24 juli 2026.
Verklaring verdachte ter zitting 24 juli 2026 en aanvullend verhoor verdachte 19 februari 2026, p. 3, 6 en 7 (van 9).
Proces-verbaal van bevindingen iPhone 7 [medeverdachte 1] , nazending 30 april 2026, p. 81 digitaal.
Verklaring verdachte ter zitting 24 juli 2026. Zie ook telefoongegevens in proces-verbaal uitlezen iPhone 11 [medeverdachte 2] , nazending 30- april 2026 p. 56-58 digitaal.
Proces-verbaal verhoor getuige [naam getuige] (zoon van [benadeelde partij] ) uit pv voorgeleiding, p. 32 digitaal (in combinatie met proces-verbaal van bevindingen, nazending 30 juni 2026 p. 2 digitaal).
Proces-verbaal van bevindingen uit pv voorgeleiding, p. 41-42 digitaal.
Aanvullend verhoor verdachte 19 februari 2026 p. 4 (van 9).
ECLI:NL:HR:2009:BI7099.
Zie onder meer ECLI:NL:HR:2015:3309.