Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7939

2026-08-06 Strafrecht; Europees strafrecht 13-125420-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-06
Publicatiedatum
2026-08-06
Rechtsgebied
Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
13-125420-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Vervolgings-AB uit het Verenigd Koninkrijk. Strafbaarheid van de feiten: feit 1 is dubbel strafbaar. Feit 2 tot en met 6 zijn niet dubbel strafbaar, maar de rechtbank maakt geen gebruik van de bevoegdheid in artikel 601, eerste lid, aanhef en onder a, HSO. De feiten 2 tot en met 6 hebben namelijk geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde en de overlevering voor feit 1, dat het meest zwaarwegende feit betreft, wordt reeds toegestaan. Detentieomstandigheden in het Verenigd Koninkrijk: uit de aanvullende informatie begrijpt de rechtbank dat de vermelde HMP’s alle detentie-instellingen in Schotland zijn die zowel “admissions from Courts” en “male admissions” accepteren. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gespecificeerd waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd na zijn overlevering. De rechtbank verzoekt aan de officier van justitie om een aanvullende vraag voor te leggen aan de autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk. De rechtbank heropent het onderzoek en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd.

Citeert (6)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (15.686 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER



Parketnummer: 13-125420-26




Datum uitspraak: 6 augustus 2026







TUSSEN-UITSPRAAK





op de vordering ex artikel 3 Uitvoeringswet Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU – VK Justitie en Veiligheid (hierna: Uitvoeringswet) juncto artikel 23 Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank.



Deze vordering dateert van 11 juni 2026 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Aanhoudingsbevel (hierna: AB) als bedoeld in artikel 598 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (hierna: HSO).



Dit AB is uitgevaardigd op 2 april 2026 door de Sheriff Court of Lothian and Borders at Edinburgh, Verenigd Koninkrijk, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:




[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,
nu gedetineerd in [detentieadres]



hierna te noemen de opgeëiste persoon.





1Procesgang


De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 juli 2026. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal.



Op grond van artikel 3 Uitvoeringswet jo. artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen.




2Identiteit van de opgeëiste persoon


De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.





3Grondslag en inhoud van het AB


In het AB wordt melding gemaakt van:




een aanhoudingsbevel van 16 juni 2025 van de High Court of Justiciary met kenmerk AB23010907;


een aanhoudingsbevel van 26 maart 2024 van de Paisley Sheriff Court met kenmerk PA24001196;


een aanhoudingsbevel van 28 april 2025 van de Paisley Sheriff Court met kenmerk PA25001630; en


een aanhoudingsbevel van 30 oktober 2025 van de Paisley Sheriff Court met kenmerk PA25005311.




De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van het Verenigde Koninkrijk ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan zes naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbare feiten.



Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het AB.





4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist



Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafbaarheid van de feiten.




Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het eerste en tweede feit onder het aangekruiste lijstfeit, te weten mensenhandel vallen nu het gaat om klassieke mensenhandel en het houden van een bordeel in dezelfde tijdsperiode. De overige vier feiten hebben betrekking op het niet nakomen van schorsingsvoorwaarden, hetgeen niet strafbaar is naar Nederlands recht. Hiervoor kan de rechtbank afzien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 601, eerste lid, onder a, HSO, omdat er ten aanzien van deze feiten geen aanknopingspunten zijn met de Nederlandse rechtsorde en de overlevering kan worden toegestaan voor de overige feiten in het AB. De officier van justitie heeft in dit kader verwezen naar een uitspraak van de rechtbank van 14 mei 2026.

Oordeel van de rechtbank

Het Verenigd Koninkrijk heeft de kennisgeving als bedoeld in artikel 599, vierde lid, van de HSO niet gedaan. Toetsing van de dubbele strafbaarheid conform artikel 599, tweede lid, HSO kan dus niet achterwege blijven.



Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 599, eerste en tweede lid, HSO zijn opgenomen.



De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan ten aanzien van feit 1.



Dit feit levert naar Nederlands recht op:




mensenhandel.




Feit 2 wordt in het AB omschreven als “keep, manage or act or assist in the management of a brothel”.
Feit 3 wordt in het AB omschreven als “without reasonable excuse, fail to appear at a diet at the High Court of Justiciary at Glasgow”.
De feiten 4, 5 en 6 worden in het AB omschreven als “being subject to the condition inter alia that he must sign on at Police Scotland (…) fail without reasonable excuse to comply with said condition”.



De rechtbank stelt vast dat de feiten 2 tot en met 6 niet strafbaar zijn naar Nederlands recht.



De Uitvoeringswet heeft de facultatieve weigeringsgrond van artikel 7 OLW niet van toepassing verklaard, maar artikel 601, eerste lid, aanhef en onder a, HSO is van toepassing, dat als volgt luidt:



“De tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel kan worden geweigerd:
a) indien in een van de in artikel 599, lid 2, bedoelde gevallen, het feit dat aan het aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, naar het recht van de uitvoerende staat niet strafbaar is; ter zake van retributies of belastingen, douane en deviezen mag de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel echter niet worden geweigerd op grond van het feit dat de uitvoerende staat niet dezelfde soort retributies of belastingen heft, of niet dezelfde soort regelgeving inzake retributies of belastingen, douane en deviezen kent als de uitvaardigende staat.”



De rechtbank ziet geen aanleiding om gebruik te maken van deze bevoegdheid, omdat de feiten 2 tot en met 6 geen aanknopingspunten hebben met de Nederlandse rechtsorde. Daarbij betrekt de rechtbank dat de overlevering voor feit 1, dat naar haar oordeel het meest zwaarwegende feit betreft, reeds wordt toegestaan. De rechtbank zal daarom afzien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en de overlevering ook met betrekking tot feit 2 tot en met 6 toestaan.


5. Detentieomstandigheden in het Verenigd Koninkrijk (artikel 604, aanhef en onder c, HSO)



Inleiding

Het Openbaar Ministerie heeft, in het kader van het eventuele verkrijgen van garanties als bedoeld in artikel 604, aanhef en onder c, HSO nagevraagd waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid gedetineerd zal worden na zijn overlevering.



Naar aanleiding van vragen van het Openbaar Ministerie van 12 juni 2026 heeft de Scotland’s Prosecutor Service de volgende informatie verstrekt:



"Based on the information provided, as the offender, [de opgeëiste persoon] , has multiple Court appearances in Scotland, he would be located into a prison that accepts admissions from Courts. The SPS establishments that accept adult male admissions are the following: HMPs Barlinnie, Addiewell, Low Moss, Edinburgh, Grampian, Inverness, Greenock, and Perth. For operational reasons after admissions to one of the previously mentioned prisons, the offender may be transferred to another establishment within the SPS estate."




Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er algemene zorgen zijn ten aanzien van Huizen van Bewaring in Schotland in verband met geweld tussen gedetineerden, overbevolking en drugsgebruik. Dat voor de opgeëiste persoon een individueel reëel gevaar bestaat voor een onmenselijke of vernederende behandeling tijdens zijn detentie in het Verenigd Koninkrijk, kan niet met stukken worden onderbouwd.




Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting de omstandigheden in de acht detentie-instellingen, zoals genoemd in de aanvullende informatie besproken aan de hand van rapporten van de HM Inspectorate of Prisons for Scotland (hierna: HMIPS). Ten aanzien van de detentie-instellingen HMP Addiewell, Low Moss, Grampian, Inverness, Greenock en Perth bestaat geen aanleiding om aanvullende vragen te stellen, omdat deze goed functioneren of de situatie daar aan de beterende hand is. De officier van justitie heeft in dit kader verwezen naar uitspraken van de rechtbank waarbij de overlevering is toegestaan met garanties voor HMP Inverness, Addiewell en Grampian.
De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven om ten aanzien van de detentieomstandigheden in HMP Barlinnie en HMP Edinburgh wel aanvullende vragen te formuleren. Ten aanzien van HMP Edinburgh volgt namelijk uit het HMIPS-rapport van november 2023 dat gedetineerden gemiddeld 22 tot 23 uur per dag op de cel doorbrengen. Uit het HMIPS-rapport over HMP Barlinnie van november 2024 volgt dat er sprake is van overbevolking en dat gedetineerden te weinig tijd buiten de cel kunnen doorbrengen.




Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van overlevering van personen aan het Verenigd Koninkrijk sluit de rechtbank aan bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 29 juli 2024 (Alchaster). Uit dit arrest volgt dat de tweestappentoets, die geldt voor de procedure tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, niet geldt voor overlevering aan het Verenigd Koninkrijk. Ten aanzien van overlevering van personen aan het Verenigd Koninkrijk behoort de rechtbank bij haar beoordeling alle relevante gegevens te betrekken om in te schatten in welke situatie de opgeëiste persoon zich zal bevinden als hij wordt overgeleverd aan het Verenigd Koninkrijk, wat inhoudt dat rekening gehouden moet worden met de regels en praktijken die in dat land algemeen gangbaar zijn, en daarnaast ook – als de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning niet worden toegepast – met de specifieke kenmerken van de situatie van die persoon. In verband met het voorgaande dient de rechtbank steeds te vernemen waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd om het bovenstaande te kunnen beoordelen.



In de onderhavige zaak is deze informatie op 12 juni 2026 opgevraagd. Uit de aanvullende informatie in reactie op dat verzoek, blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst in HMP Barlinnie, Addiewell, Low Moss, Edinburgh, Grampian, Inverness, Greenock of Perth. Uit de aanvullende informatie begrijpt de rechtbank dat de vermelde HMP’s alle detentie-instellingen in Schotland zijn die zowel “admissions from Courts” en “male admissions” accepteren. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gespecificeerd waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd na zijn overlevering. Gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader heeft de rechtbank die informatie wel nodig om te beoordelen of er een garantie als bedoeld in artikel 604, aanhef en onder c, HSO dient te worden verkregen.



De rechtbank verzoekt daarom de officier van justitie om de volgende vraag voor te leggen aan de autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk:


1. In welke van de in de aanvullende informatie genoemde detentie-instellingen (HMP Barlinnie, Addiewell, Low Moss, Edinburgh, Grampian, Inverness, Greenock of Perth), zal de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid worden geplaatst?


In afwachting van het antwoord op voornoemde vraag zal de rechtbank op grond van artikel 22, vijfde lid OLW, gelezen in samenhang met artikel 615, vierde lid, HSO, de termijn waarbinnen zij op grond van 22, derde lid, OLW moet beslissen met 30 dagen verlengen, ingaande op het moment waarop de termijn van 90 dagen verstrijkt, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.



Het onderzoek ter zitting zal worden geschorst voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat de zaak vóór 10 september 2026 wederom op zitting zal worden aangebracht.





6Beslissing



HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen de onder 5. genoemde vraag te stellen aan de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk.




VERLENGT op grond van artikel 3 Uitvoeringswet jo. artikel 22, vijfde lid OLW, gelezen in samenhang met artikel 615, vierde lid, HSO de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 30 dagen, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.




VERLENGT op grond van artikel 3 Uitvoeringswet jo. artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 30 dagen.




BEPAALT dat de zaak vóór 10 september 2026 op zitting moet worden aangebracht.




BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.




BEVEELT de oproeping van een tolk in de Roemeense taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.




Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mr. O.P.M. Fruytier en mr. E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 augustus 2026.





































Ingevolge artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet juncto artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.




ECLI:NL:RBAMS:2026:4707.


https://www.gov.uk/government/publications/law-enforcement-and-judicial-cooperation-notifications-made-under-the-uk-eu-trade-and-cooperation-agreement/notifications-made-by-the-uk-to-the-european-union-under-part-three-of-the-uk-eu-trade-and-cooperation-agreement-accessible


Rb. Amsterdam 2 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6353.


Rb. Amsterdam 14 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4707 (HMP Inverness); Rb. Amsterdam 28 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:574 (HMP Addiewell); Rb. Amsterdam 13 november 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6925 (HMP Grampian);


Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster).



Idem, punt 82.