Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7931
2026-06-30
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
AWB 25/190
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Het beroep wegens het niet-tijdig beslissen is gegrond. Het beroep tegen de vaststelling van de eigen bijdrage op €519,- is ongegrond. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe
Citeert (8)
- ECLI:NL:RVS:2017:701 Raad van State 15-03-2017
- ECLI:NL:CRVB:2019:2430 Centrale Raad van Beroep 18-07-2019
- ECLI:NL:RVS:2020:2624 Raad van State 04-11-2020
- ECLI:NL:RVS:2014:772 Raad van State 05-03-2014
- ECLI:NL:RVS:2014:188 Raad van State 29-01-2014
- ECLI:NL:RVS:2016:2562 Raad van State 28-09-2016
- ECLI:NL:RVS:2014:188 Raad van State 29-01-2014
- ECLI:NL:RVS:2023:3858 Raad van State 18-10-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.557 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 25/190
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit Rotterdam, eiser
(gemachtigde: Stichting Core, vertegenwoordigd door [gemachtigde] ),
en
het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, de raad
(gemachtigde: mr. C. de Jong).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Procesverloop
Met de brief van 26 september 2024 stelde Stichting Core namens eiser beroep in wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 9 juli 2024.
De rechtbank heeft de zaak samen (maar niet gevoegd) op 17 juni 2026 met de zaken onder zaaknummers AWB 24/6932, AWB 25/625, en AWB 25/188, op zitting behandeld. Eiser en de gemachtigde van de raad waren daarbij aanwezig.
In verband met de beoordeling van het recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden als partij aangemerkt. De minister van Justitie en Veiligheid hoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld verweer te voeren.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond en besluitvorming
1. Op 4 januari 2022 vroeg mr. Osei Bonsu namens eiser een toevoeging aan. Met het besluit van 3 maart 2022 stelde de raad de eigen bijdrage die eiser aan zijn advocaat moest betalen vast op € 156,-.
1.1.
Met het besluit van 26 februari 2024 stelde de raad de eigen bijdrage op basis van het definitief vastgestelde verzamelinkomen opnieuw vast op € 519,-.
1.2.
Hiertegen maakte eiser op 3 april 2024 bezwaar. Volgens hem was de correctie door de Belastingdienst onjuist en was de vaststelling van de eigen bijdrage door de raad daarom gebaseerd op onjuiste gegevens.
1.3.
Met de brief van 10 april 2024 bevestigde de raad de ontvangst van het bezwaarschrift en verlengde de beslistermijn naar twaalf weken.
1.4.
Eiser stuurde op 2 juli 2024 aan de raad een ingebrekestelling, omdat de raad niet tijdig zou hebben beslist op het bezwaar.
1.5.
Met de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 verklaarde de raad het bezwaar van eiser ongegrond. Volgens de raad heeft eiser geen stukken toegezonden waaruit blijkt dat de Belastingdienst de gegevens over het inkomen van eiser over het jaar 2020 heeft gecorrigeerd. Omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is, heeft de raad eiser niet gehoord.
1.6.
Op 26 september 2024 stelde Stichting Core namens eiser beroep in wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser.
Beoordeling door de rechtbank
Ten aanzien van het beroep niet tijdig beslissen.
Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar tegen het besluit van 26 februari 2024. De raad heeft op 9 juli 2024 op het bezwaar beslist. De vraag is daarom of eiser nog belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Dat is volgens de rechtbank het geval, omdat eiser stelt dat hij recht heeft op een bestuurlijke dwangsom. De rechtbank zal daarom hierna beoordelen of de raad te laat heeft beslist op zijn bezwaar.
Is de beslistermijn overschreden?
3. De raad betwist dat de beslistermijn is overschreden en stelt dat de ingebrekestelling prematuur is.
3.1.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslistermijn wel is overschreden. Eiser ontving de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 pas op 7 oktober 2024, toen hij de stukken via de rechtbank ontving.
4. De rechtbank zal eerst beoordelen of het aannemelijk is de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 aan eiser is verzonden.
4.1.
De raad heeft de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 niet aangetekend verstuurd. Het is daarom aan de raad om aannemelijk te maken dat de deze stukken op het adres van de eiser zijn ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden dat het besluit op dat adres is ontvangen. Dit brengt met zich dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat het bestuursorgaan een deugdelijke verzendadministratie heeft. Ook dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken.
4.2.
De rechtbank oordeelt als volgt. De beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 is voorzien van het adres van eiser, dat hij ook zelf gebruikt in zijn correspondentie, en een verzendatum. Ook is van problemen bij de verzending van poststukken in die periode niet gebleken. Er is ten aanzien van deze het betreffende stuk echter geen sprake van een deugdelijke verzendadministratie. Zoals de raad op de zitting heeft toegelicht is er ten aanzien van alle stukken tot het besluit in primo sprake van een deugdelijke verzendadministratie. Van alle stukken na het besluit in primo tot aan de beslissing op bezwaar is geen sprake van een geautomatiseerd proces. Daarmee kan de raad de verzending van dit stuk niet aantonen en is er daardoor geen sprake van een deugdelijke verzendadministratie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser eerder dan het moment waarop de rechtbank de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 aan eiser stuurde, die beslissing had ontvangen.
4.3.
Het voorgaande betekent dat de raad de beslistermijn heeft overschreden. Die verstreek namelijk op 1 juli 2024. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de raad hierna (en dus niet prematuur) op 2 juli 2024 in gebreke heeft gesteld en dat sinds het ontvangen van de beslissing op bezwaar op 7 oktober 2024 (meer dan) twee weken zijn verstreken. Dat betekent dat het beroep gegrond is.
4.4.
Op grond van artikel 4:17, zesde lid, onder c, van de Awb in samenhang gelezen met artikel 7:14 van de Awb is de raad echter geen dwangsom verschuldigd, omdat de raad op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. De rechtbank legt dit in overweging 5.2. uit.
Ten aanzien van het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024
5. Met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen mede geacht te zijn gericht tegen de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024. Met de brief van 10 juli 2025 heeft de rechtbank eiser gevraagd om aan te geven of hij het beroep al dan niet handhaaft. Zo ja, dan dient eiser binnen twee weken aan te geven waarom hij het niet eens is met de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024. Eiser heeft op 16 juli 2025 per brief gereageerd.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn reactie ten aanzien van het besluit van 9 juli 2024 slechts heeft aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Een bezwaarmaker hoeft niet te worden gehoord als duidelijk is dat het bezwaar niet tot een ander besluit zal leiden. Dat is hier naar het oordeel van de rechtbank het geval. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat zijn inkomen over 2020 niet juist is vastgesteld door de Belastingdienst, zonder dit te onderbouwen. Verder maakt de enkele stelling van eiser dat de verhoging van de eigen bijdrage onevenredig is gelet op het aantal zaken dat hij al heeft lopen en de kosten die hij hierdoor moet maken dit niet anders. Deze stelling is immers evenmin onderbouwd. Omdat eiser zijn bezwaargronden niet heeft onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. De beroepsgrond slaagt niet. Daarmee is het beroep ongegrond.
Overschrijding redelijke termijn
6. Eiser heeft op de zitting een verzoek gedaan om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
6.1.
De vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt als volgt beoordeeld. Als uitgangspunt geldt dat voor een bezwaar- en een beroepsprocedure een totale lengte van twee jaar redelijk is. Het bezwaar moet in beginsel binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar worden afgehandeld. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, dan geldt een immateriële schadevergoeding van € 500,00 voor ieder half jaar waarmee de redelijke termijn wordt overschreden waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
6.2.
Volgens vaste rechtspraak vangt de redelijke termijn in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. De termijn is dus aangevangen op 3 april 2024. Twee jaar daarna, dus op 3 april 2026 is de redelijke termijn verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn eindigt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet. Vanaf de dag van ontvangst van het bezwaar, dus 3 april 2024 tot aan de datum van de uitspraak van de rechtbank zijn twee jaar en twee maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn afgerond met twee maanden is overschreden. Eiser heeft per half jaar recht op een vergoeding. Nu er naar boven afgerond een half jaar na de overschrijding van de redelijke termijn is verstreken, heeft eiser recht op een vergoeding van € 500,-.
6.3.
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen aan wie deze overschrijding toe te rekenen is. Het beroep moet in beginsel binnen anderhalf jaar door de rechtbank worden afgehandeld. De rechtbank heeft het beroepschrift op 26 september 2024 ontvangen en heeft pas op 30 juni 2026 beslist op het beroep van eiser. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de termijnoverschrijding volledig aan de rechtbank te wijten is.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen is gegrond, omdat de raad niet tijdig heeft beslist op het bezwaar van eiser. Eiser heeft echter geen recht op een dwangsom. Het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 is ongegrond. Eiser krijgt in die zaak geen gelijk.
8. Het verzoek van eiser om schadevergoeding wordt toegewezen. De rechtbank zal de Staat der Nederlanden veroordelen tot het betalen van de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 500,-.
9. Omdat de rechtbank in het beroep met zaaknummer AWB 25/625 al is overgegaan tot toekenning van een proceskostenvergoeding (reis- en verletkosten), is er geen aanleiding meer om in deze zaak een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen gegrond;
verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan eiser van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de beleidsregel van 8 juli 2014 (Staatscourant 2014, nr. 20210).
Zie in dat kader artikel 6:20, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:701, rechtsoverweging 3.2 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2430, rechtsoverweging 4.1.6.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2624.
Op zitting heeft eiser bevestigd dat dit zijn adres is.
Aan de hand van de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:772.
Zie in dat kader artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Zie in dat verband artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2562.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3858, rechtsoverweging 4.1.
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 25/190
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit Rotterdam, eiser
(gemachtigde: Stichting Core, vertegenwoordigd door [gemachtigde] ),
en
het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, de raad
(gemachtigde: mr. C. de Jong).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Procesverloop
Met de brief van 26 september 2024 stelde Stichting Core namens eiser beroep in wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 9 juli 2024.
De rechtbank heeft de zaak samen (maar niet gevoegd) op 17 juni 2026 met de zaken onder zaaknummers AWB 24/6932, AWB 25/625, en AWB 25/188, op zitting behandeld. Eiser en de gemachtigde van de raad waren daarbij aanwezig.
In verband met de beoordeling van het recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden als partij aangemerkt. De minister van Justitie en Veiligheid hoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld verweer te voeren.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond en besluitvorming
1. Op 4 januari 2022 vroeg mr. Osei Bonsu namens eiser een toevoeging aan. Met het besluit van 3 maart 2022 stelde de raad de eigen bijdrage die eiser aan zijn advocaat moest betalen vast op € 156,-.
1.1.
Met het besluit van 26 februari 2024 stelde de raad de eigen bijdrage op basis van het definitief vastgestelde verzamelinkomen opnieuw vast op € 519,-.
1.2.
Hiertegen maakte eiser op 3 april 2024 bezwaar. Volgens hem was de correctie door de Belastingdienst onjuist en was de vaststelling van de eigen bijdrage door de raad daarom gebaseerd op onjuiste gegevens.
1.3.
Met de brief van 10 april 2024 bevestigde de raad de ontvangst van het bezwaarschrift en verlengde de beslistermijn naar twaalf weken.
1.4.
Eiser stuurde op 2 juli 2024 aan de raad een ingebrekestelling, omdat de raad niet tijdig zou hebben beslist op het bezwaar.
1.5.
Met de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 verklaarde de raad het bezwaar van eiser ongegrond. Volgens de raad heeft eiser geen stukken toegezonden waaruit blijkt dat de Belastingdienst de gegevens over het inkomen van eiser over het jaar 2020 heeft gecorrigeerd. Omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is, heeft de raad eiser niet gehoord.
1.6.
Op 26 september 2024 stelde Stichting Core namens eiser beroep in wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser.
Beoordeling door de rechtbank
Ten aanzien van het beroep niet tijdig beslissen.
Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar tegen het besluit van 26 februari 2024. De raad heeft op 9 juli 2024 op het bezwaar beslist. De vraag is daarom of eiser nog belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Dat is volgens de rechtbank het geval, omdat eiser stelt dat hij recht heeft op een bestuurlijke dwangsom. De rechtbank zal daarom hierna beoordelen of de raad te laat heeft beslist op zijn bezwaar.
Is de beslistermijn overschreden?
3. De raad betwist dat de beslistermijn is overschreden en stelt dat de ingebrekestelling prematuur is.
3.1.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslistermijn wel is overschreden. Eiser ontving de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 pas op 7 oktober 2024, toen hij de stukken via de rechtbank ontving.
4. De rechtbank zal eerst beoordelen of het aannemelijk is de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 aan eiser is verzonden.
4.1.
De raad heeft de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 niet aangetekend verstuurd. Het is daarom aan de raad om aannemelijk te maken dat de deze stukken op het adres van de eiser zijn ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden dat het besluit op dat adres is ontvangen. Dit brengt met zich dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat het bestuursorgaan een deugdelijke verzendadministratie heeft. Ook dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken.
4.2.
De rechtbank oordeelt als volgt. De beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 is voorzien van het adres van eiser, dat hij ook zelf gebruikt in zijn correspondentie, en een verzendatum. Ook is van problemen bij de verzending van poststukken in die periode niet gebleken. Er is ten aanzien van deze het betreffende stuk echter geen sprake van een deugdelijke verzendadministratie. Zoals de raad op de zitting heeft toegelicht is er ten aanzien van alle stukken tot het besluit in primo sprake van een deugdelijke verzendadministratie. Van alle stukken na het besluit in primo tot aan de beslissing op bezwaar is geen sprake van een geautomatiseerd proces. Daarmee kan de raad de verzending van dit stuk niet aantonen en is er daardoor geen sprake van een deugdelijke verzendadministratie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser eerder dan het moment waarop de rechtbank de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 aan eiser stuurde, die beslissing had ontvangen.
4.3.
Het voorgaande betekent dat de raad de beslistermijn heeft overschreden. Die verstreek namelijk op 1 juli 2024. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de raad hierna (en dus niet prematuur) op 2 juli 2024 in gebreke heeft gesteld en dat sinds het ontvangen van de beslissing op bezwaar op 7 oktober 2024 (meer dan) twee weken zijn verstreken. Dat betekent dat het beroep gegrond is.
4.4.
Op grond van artikel 4:17, zesde lid, onder c, van de Awb in samenhang gelezen met artikel 7:14 van de Awb is de raad echter geen dwangsom verschuldigd, omdat de raad op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. De rechtbank legt dit in overweging 5.2. uit.
Ten aanzien van het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024
5. Met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen mede geacht te zijn gericht tegen de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024. Met de brief van 10 juli 2025 heeft de rechtbank eiser gevraagd om aan te geven of hij het beroep al dan niet handhaaft. Zo ja, dan dient eiser binnen twee weken aan te geven waarom hij het niet eens is met de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024. Eiser heeft op 16 juli 2025 per brief gereageerd.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn reactie ten aanzien van het besluit van 9 juli 2024 slechts heeft aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Een bezwaarmaker hoeft niet te worden gehoord als duidelijk is dat het bezwaar niet tot een ander besluit zal leiden. Dat is hier naar het oordeel van de rechtbank het geval. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat zijn inkomen over 2020 niet juist is vastgesteld door de Belastingdienst, zonder dit te onderbouwen. Verder maakt de enkele stelling van eiser dat de verhoging van de eigen bijdrage onevenredig is gelet op het aantal zaken dat hij al heeft lopen en de kosten die hij hierdoor moet maken dit niet anders. Deze stelling is immers evenmin onderbouwd. Omdat eiser zijn bezwaargronden niet heeft onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. De beroepsgrond slaagt niet. Daarmee is het beroep ongegrond.
Overschrijding redelijke termijn
6. Eiser heeft op de zitting een verzoek gedaan om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
6.1.
De vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt als volgt beoordeeld. Als uitgangspunt geldt dat voor een bezwaar- en een beroepsprocedure een totale lengte van twee jaar redelijk is. Het bezwaar moet in beginsel binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar worden afgehandeld. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, dan geldt een immateriële schadevergoeding van € 500,00 voor ieder half jaar waarmee de redelijke termijn wordt overschreden waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
6.2.
Volgens vaste rechtspraak vangt de redelijke termijn in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. De termijn is dus aangevangen op 3 april 2024. Twee jaar daarna, dus op 3 april 2026 is de redelijke termijn verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn eindigt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet. Vanaf de dag van ontvangst van het bezwaar, dus 3 april 2024 tot aan de datum van de uitspraak van de rechtbank zijn twee jaar en twee maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn afgerond met twee maanden is overschreden. Eiser heeft per half jaar recht op een vergoeding. Nu er naar boven afgerond een half jaar na de overschrijding van de redelijke termijn is verstreken, heeft eiser recht op een vergoeding van € 500,-.
6.3.
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen aan wie deze overschrijding toe te rekenen is. Het beroep moet in beginsel binnen anderhalf jaar door de rechtbank worden afgehandeld. De rechtbank heeft het beroepschrift op 26 september 2024 ontvangen en heeft pas op 30 juni 2026 beslist op het beroep van eiser. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de termijnoverschrijding volledig aan de rechtbank te wijten is.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen is gegrond, omdat de raad niet tijdig heeft beslist op het bezwaar van eiser. Eiser heeft echter geen recht op een dwangsom. Het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 is ongegrond. Eiser krijgt in die zaak geen gelijk.
8. Het verzoek van eiser om schadevergoeding wordt toegewezen. De rechtbank zal de Staat der Nederlanden veroordelen tot het betalen van de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 500,-.
9. Omdat de rechtbank in het beroep met zaaknummer AWB 25/625 al is overgegaan tot toekenning van een proceskostenvergoeding (reis- en verletkosten), is er geen aanleiding meer om in deze zaak een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen gegrond;
verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan eiser van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de beleidsregel van 8 juli 2014 (Staatscourant 2014, nr. 20210).
Zie in dat kader artikel 6:20, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:701, rechtsoverweging 3.2 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2430, rechtsoverweging 4.1.6.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2624.
Op zitting heeft eiser bevestigd dat dit zijn adres is.
Aan de hand van de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:772.
Zie in dat kader artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Zie in dat verband artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2562.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3858, rechtsoverweging 4.1.