Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7930
2026-06-30
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
AWB 25/625
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Het beroep wegens niet-tijdig beslissen is gegrond. Het beroep tegen de vaststelling van de eigen bijdrage op €519,- is ongegrond. Het verzoek van eiser om schadevergoeding wordt afgewezen. Eiser krijgt een vergoeding van zijn reiskosten en verletkosten.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2017:701 Raad van State 15-03-2017
- ECLI:NL:CRVB:2019:2430 Centrale Raad van Beroep 18-07-2019
- ECLI:NL:RVS:2020:2624 Raad van State 04-11-2020
- ECLI:NL:RVS:2014:772 Raad van State 05-03-2014
- ECLI:NL:HR:2023:574 Hoge Raad 14-04-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.785 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 25/625
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: Stichting Core, vertegenwoordigd door [gemachtigde] ),
en
het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, de raad
(gemachtigde: mr. C. de Jong).
Procesverloop
Met de brief van 28 december 2024 stelde Stichting Core namens eiser beroep in wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 24 juli 2024.
De rechtbank heeft de zaak samen (maar niet gevoegd) op 17 juni 2026 met de zaken onder zaaknummers AWB 24/6932, AWB 25/188, en AWB 25/190, op zitting behandeld. Eiser en de gemachtigde van de raad waren daarbij aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond en besluitvorming
1. Op 30 september 2022 vroeg mr. P.J.H. Vinke namens eiser een toevoeging aan. Met het besluit van 6 oktober 2022 stelde de raad de eigen bijdrage die eiser aan zijn advocaat moest betalen vast op € 156,-.
1.1.
Met het besluit van 24 juli 2024 stelde de raad de eigen bijdrage op basis van het definitief vastgestelde verzamelinkomen opnieuw vast op € 519,-.
1.2.
Hiertegen maakte eiser op 30 augustus 2024 bezwaar. Volgens hem was de correctie door de Belastingdienst onjuist en was de vaststelling van de eigen bijdrage door de raad daarom gebaseerd op onjuiste gegevens.
1.3.
Met de brief van 5 september 2024 bevestigde de raad de ontvangst van het bezwaarschrift en verlengde de beslistermijn naar twaalf weken. Verder gaf de raad aan bereid te zijn om de vordering tot 11 november 2024 aan te houden, om eiser in de gelegenheid te stellen om aan te tonen dat zijn inkomen en vermogen over 2020 niet correct was vastgesteld door de Belastingdienst.
1.4.
Eiser stuurde op 18 oktober 2024 een ingebrekestelling aan de raad, omdat de raad niet tijdig zou hebben beslist op het bezwaar.
1.5.
Met de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024 verklaarde de raad het bezwaar van eiser ongegrond. Volgens de raad heeft eiser geen stukken toegezonden waaruit blijkt dat de Belastingdienst de gegevens over het inkomen van eiser over het jaar 2020 heeft gecorrigeerd. Omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is, heeft de raad eiser niet gehoord.
1.6.
Op 28 december 2024 stelde Stichting Core namens eiser beroep in wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser.
Beoordeling door de rechtbank
Ten aanzien van het beroep niet tijdig beslissen
Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar tegen het besluit van 24 juli 2024. De raad heeft op 22 oktober 2024 op het bezwaar beslist. De vraag is daarom of eiser nog belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Dat is volgens de rechtbank het geval, omdat eiser stelt dat hij recht heeft op een bestuurlijke dwangsom. De rechtbank zal daarom hierna beoordelen of de raad te laat heeft beslist op zijn bezwaar.
Is de beslistermijn overschreden?
3. De raad betwist dat de beslistermijn is overschreden. Volgens de raad is met het sturen van de brief van 5 september 2024 de beslistermijn verlengd naar twaalf weken, dus tot 27 november 2024. De beslissing op bezwaar is van 22 oktober 2024. Daarmee is tijdig beslist.
3.1.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslistermijn wel is overschreden. Die verstreek volgens hem namelijk op 17 oktober 2024. De brief van 5 september 2024 heeft hij nooit ontvangen. De beslissing op bezwaar ontving hij pas op 27 februari 2025, toen hij de stukken via de rechtbank ontving.
4. De rechtbank zal eerst beoordelen of het aannemelijk is dat de brief van 5 september 2024 en de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024 aan eiser zijn verzonden.
4.1.
De raad heeft de brief van 5 september 2024 en de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024 niet aangetekend verstuurd. Het is daarom aan de raad om aannemelijk te maken dat de deze stukken op het adres van de eiser zijn ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden dat het besluit op dat adres is ontvangen. Dit brengt met zich dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat het bestuursorgaan een deugdelijke verzendadministratie heeft. Ook dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken.
4.2.
De rechtbank oordeelt als volgt. De brief van 5 september 2024 en de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024 zijn voorzien van het adres van eiser, dat hij ook zelf gebruikt in zijn correspondentie, en een verzendatum. Ook is van problemen bij de verzending van poststukken in die periode niet gebleken. Er is ten aanzien van deze de betreffende stukken echter geen sprake van een deugdelijke verzendadministratie. Zoals de raad op de zitting heeft toegelicht is er ten aanzien van alle stukken tot het besluit in primo sprake van een deugdelijke verzendadministratie. Van alle stukken na het besluit in primo tot aan de beslissing op bezwaar is geen sprake van een geautomatiseerd proces. Daarmee kan de raad de verzending van deze stukken niet aantonen en is er daardoor geen sprake van een deugdelijke verzendadministratie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat de brief van 5 september 2024 is verzonden noch dat eiser eerder dan het moment waarop de rechtbank de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024 aan eiser stuurde, die beslissing had ontvangen.
4.3.
Het voorgaande betekent dat de beslistermijn niet is verlengd van zes naar twaalf weken en dus eindigde op 16 oktober 2024. De raad heeft daarmee de beslistermijn overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de raad op 18 oktober 2024 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien (meer dan) twee weken zijn verstreken. Dat betekent dat het beroep gegrond is.
4.4.
Op grond van artikel 4:17, zesde lid, onder c, van de Awb in samenhang gelezen met artikel 7:14 van de Awb is de raad echter geen dwangsom verschuldigd, omdat de raad op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. De rechtbank legt dit in overweging 5.2. uit.
Ten aanzien van het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024
5. Met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen mede geacht te zijn gericht tegen de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024. Met de brief van 10 juli 2025 heeft de rechtbank eiser gevraagd om aan te geven of hij het beroep al dan niet handhaaft. Zo ja, dan dient eiser binnen twee weken aan te geven waarom hij het niet eens is met de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024. Eiser heeft op 16 juli 2025 per brief gereageerd.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn reactie ten aanzien van het besluit van 22 oktober 2024 slechts heeft aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Een bezwaarmaker hoeft niet te worden gehoord als duidelijk is dat het bezwaar niet tot een ander besluit zal leiden. Dat is hier naar het oordeel van de rechtbank het geval. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat zijn inkomen over 2020 niet juist is vastgesteld door de Belastingdienst, zonder dit te onderbouwen. Verder maakt de enkele stelling van eiser dat de verhoging van de eigen bijdrage onevenredig is gelet op het aantal zaken dat hij al heeft lopen en de kosten die hij hierdoor moet maken dit niet anders. Deze stelling is immers evenmin onderbouwd. Omdat eiser zijn bezwaargronden niet heeft onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. De beroepsgrond slaagt niet. Daarmee is het beroep ongegrond.
Overschrijding redelijke termijn
6. Eiser heeft op de zitting een verzoek gedaan om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
6.1.
De behandeling van zaken zoals deze, waarin van een bezwaar- en een beroepstermijn sprake is, mag volgens vaste rechtspraak in beginsel maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De te beoordelen periode vangt aan met de datum van ontvangst van het bezwaarschrift en loopt door tot de datum waarop de rechtbank uitspraak doet.
6.2.
In het geval van eiser betekent dit dat de procedure vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 30 augustus 2024 tot aan de datum van deze uitspraak, op 30 juni 2026, minder dan twee jaar heeft geduurd. Dat betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden. De rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding dan ook afwijzen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen is gegrond, omdat de raad niet tijdig heeft beslist op het bezwaar van eiser. Eiser heeft echter geen recht op een dwangsom. Het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024 is ongegrond. Eiser krijgt in die zaak geen gelijk.
8. Het verzoek van eiser om schadevergoeding wordt afgewezen.
9. Eiser heeft verzocht om vergoeding van zijn reiskosten, parkeerkosten tot een bedrag van € 12,- en verletkosten tot een bedrag van € 500,- (5 uur x € 100,-). Ten aanzien van het verzoek om reiskostenvergoeding overweegt de rechtbank dat eiser in aanmerking komt voor een vergoeding van € 0,28,- per kilometer. Van het adres van eiser tot aan de rechtbank bedraagt 82 kilometer. De totale reisafstand is daarmee 164 kilometer. Daarmee heeft eiser dus recht op een vergoeding van € 45,92 (164 km x € 0,28,- per km). De door eiser opgegeven parkeerkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten worden namelijk niet genoemd in het Bpb. Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van de verletkosten overweegt de rechtbank dat eiser de hoogte van zijn uurtarief niet heeft onderbouwd, terwijl in het formulier proceskosten staat vermeld dat het uurtarief onderbouwd dient te worden met bijvoorbeeld een kopie van een loonstrookje of een kopie van een verlofkaart. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat in dat geval voor het bepalen van de hoogte van de verletkosten moet worden uitgegaan van het minimale uurtarief dat is genoemd in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bpb. Dat is een tarief van € 9,- per uur. Op basis hiervan stelt de rechtbank de hoogte van de vergoeding voor verletkosten vast op € 45,- (5 x € 9,-). In totaal is de proceskostenvergoeding daarmee € 90,92.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen gegrond;
verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024 ongegrond;
wijst het verzoek van eiser om schadevergoeding af;
veroordeelt de raad in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 90,92.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie in dat kader artikel 6:20, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:701, rechtsoverweging 3.2 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2430, rechtsoverweging 4.1.6.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2624.
Op zitting heeft eiser bevestigd dat dit zijn adres is.
Aan de hand van de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:772.
Zie in dat kader artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Zie in dat verband artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Gebaseerd op de op basis van de ANWB-routeplanner berekende afstand tussen de woonplaats van eiser en de zittingsplaats van de rechtbank.
Conform artikel 1, eerste lid, onder d en artikel 2, eerste lid, onder d, van Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in samenhang met artikel 11, eerste lid, onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, op basis van het tarief voor de vergoeding van het gebruik van een eigen auto.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:574.
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 25/625
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: Stichting Core, vertegenwoordigd door [gemachtigde] ),
en
het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, de raad
(gemachtigde: mr. C. de Jong).
Procesverloop
Met de brief van 28 december 2024 stelde Stichting Core namens eiser beroep in wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 24 juli 2024.
De rechtbank heeft de zaak samen (maar niet gevoegd) op 17 juni 2026 met de zaken onder zaaknummers AWB 24/6932, AWB 25/188, en AWB 25/190, op zitting behandeld. Eiser en de gemachtigde van de raad waren daarbij aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond en besluitvorming
1. Op 30 september 2022 vroeg mr. P.J.H. Vinke namens eiser een toevoeging aan. Met het besluit van 6 oktober 2022 stelde de raad de eigen bijdrage die eiser aan zijn advocaat moest betalen vast op € 156,-.
1.1.
Met het besluit van 24 juli 2024 stelde de raad de eigen bijdrage op basis van het definitief vastgestelde verzamelinkomen opnieuw vast op € 519,-.
1.2.
Hiertegen maakte eiser op 30 augustus 2024 bezwaar. Volgens hem was de correctie door de Belastingdienst onjuist en was de vaststelling van de eigen bijdrage door de raad daarom gebaseerd op onjuiste gegevens.
1.3.
Met de brief van 5 september 2024 bevestigde de raad de ontvangst van het bezwaarschrift en verlengde de beslistermijn naar twaalf weken. Verder gaf de raad aan bereid te zijn om de vordering tot 11 november 2024 aan te houden, om eiser in de gelegenheid te stellen om aan te tonen dat zijn inkomen en vermogen over 2020 niet correct was vastgesteld door de Belastingdienst.
1.4.
Eiser stuurde op 18 oktober 2024 een ingebrekestelling aan de raad, omdat de raad niet tijdig zou hebben beslist op het bezwaar.
1.5.
Met de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024 verklaarde de raad het bezwaar van eiser ongegrond. Volgens de raad heeft eiser geen stukken toegezonden waaruit blijkt dat de Belastingdienst de gegevens over het inkomen van eiser over het jaar 2020 heeft gecorrigeerd. Omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is, heeft de raad eiser niet gehoord.
1.6.
Op 28 december 2024 stelde Stichting Core namens eiser beroep in wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser.
Beoordeling door de rechtbank
Ten aanzien van het beroep niet tijdig beslissen
Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar tegen het besluit van 24 juli 2024. De raad heeft op 22 oktober 2024 op het bezwaar beslist. De vraag is daarom of eiser nog belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Dat is volgens de rechtbank het geval, omdat eiser stelt dat hij recht heeft op een bestuurlijke dwangsom. De rechtbank zal daarom hierna beoordelen of de raad te laat heeft beslist op zijn bezwaar.
Is de beslistermijn overschreden?
3. De raad betwist dat de beslistermijn is overschreden. Volgens de raad is met het sturen van de brief van 5 september 2024 de beslistermijn verlengd naar twaalf weken, dus tot 27 november 2024. De beslissing op bezwaar is van 22 oktober 2024. Daarmee is tijdig beslist.
3.1.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslistermijn wel is overschreden. Die verstreek volgens hem namelijk op 17 oktober 2024. De brief van 5 september 2024 heeft hij nooit ontvangen. De beslissing op bezwaar ontving hij pas op 27 februari 2025, toen hij de stukken via de rechtbank ontving.
4. De rechtbank zal eerst beoordelen of het aannemelijk is dat de brief van 5 september 2024 en de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024 aan eiser zijn verzonden.
4.1.
De raad heeft de brief van 5 september 2024 en de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024 niet aangetekend verstuurd. Het is daarom aan de raad om aannemelijk te maken dat de deze stukken op het adres van de eiser zijn ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden dat het besluit op dat adres is ontvangen. Dit brengt met zich dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat het bestuursorgaan een deugdelijke verzendadministratie heeft. Ook dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken.
4.2.
De rechtbank oordeelt als volgt. De brief van 5 september 2024 en de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024 zijn voorzien van het adres van eiser, dat hij ook zelf gebruikt in zijn correspondentie, en een verzendatum. Ook is van problemen bij de verzending van poststukken in die periode niet gebleken. Er is ten aanzien van deze de betreffende stukken echter geen sprake van een deugdelijke verzendadministratie. Zoals de raad op de zitting heeft toegelicht is er ten aanzien van alle stukken tot het besluit in primo sprake van een deugdelijke verzendadministratie. Van alle stukken na het besluit in primo tot aan de beslissing op bezwaar is geen sprake van een geautomatiseerd proces. Daarmee kan de raad de verzending van deze stukken niet aantonen en is er daardoor geen sprake van een deugdelijke verzendadministratie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat de brief van 5 september 2024 is verzonden noch dat eiser eerder dan het moment waarop de rechtbank de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024 aan eiser stuurde, die beslissing had ontvangen.
4.3.
Het voorgaande betekent dat de beslistermijn niet is verlengd van zes naar twaalf weken en dus eindigde op 16 oktober 2024. De raad heeft daarmee de beslistermijn overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de raad op 18 oktober 2024 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien (meer dan) twee weken zijn verstreken. Dat betekent dat het beroep gegrond is.
4.4.
Op grond van artikel 4:17, zesde lid, onder c, van de Awb in samenhang gelezen met artikel 7:14 van de Awb is de raad echter geen dwangsom verschuldigd, omdat de raad op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. De rechtbank legt dit in overweging 5.2. uit.
Ten aanzien van het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024
5. Met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen mede geacht te zijn gericht tegen de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024. Met de brief van 10 juli 2025 heeft de rechtbank eiser gevraagd om aan te geven of hij het beroep al dan niet handhaaft. Zo ja, dan dient eiser binnen twee weken aan te geven waarom hij het niet eens is met de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024. Eiser heeft op 16 juli 2025 per brief gereageerd.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn reactie ten aanzien van het besluit van 22 oktober 2024 slechts heeft aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Een bezwaarmaker hoeft niet te worden gehoord als duidelijk is dat het bezwaar niet tot een ander besluit zal leiden. Dat is hier naar het oordeel van de rechtbank het geval. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat zijn inkomen over 2020 niet juist is vastgesteld door de Belastingdienst, zonder dit te onderbouwen. Verder maakt de enkele stelling van eiser dat de verhoging van de eigen bijdrage onevenredig is gelet op het aantal zaken dat hij al heeft lopen en de kosten die hij hierdoor moet maken dit niet anders. Deze stelling is immers evenmin onderbouwd. Omdat eiser zijn bezwaargronden niet heeft onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. De beroepsgrond slaagt niet. Daarmee is het beroep ongegrond.
Overschrijding redelijke termijn
6. Eiser heeft op de zitting een verzoek gedaan om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
6.1.
De behandeling van zaken zoals deze, waarin van een bezwaar- en een beroepstermijn sprake is, mag volgens vaste rechtspraak in beginsel maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De te beoordelen periode vangt aan met de datum van ontvangst van het bezwaarschrift en loopt door tot de datum waarop de rechtbank uitspraak doet.
6.2.
In het geval van eiser betekent dit dat de procedure vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 30 augustus 2024 tot aan de datum van deze uitspraak, op 30 juni 2026, minder dan twee jaar heeft geduurd. Dat betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden. De rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding dan ook afwijzen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen is gegrond, omdat de raad niet tijdig heeft beslist op het bezwaar van eiser. Eiser heeft echter geen recht op een dwangsom. Het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024 is ongegrond. Eiser krijgt in die zaak geen gelijk.
8. Het verzoek van eiser om schadevergoeding wordt afgewezen.
9. Eiser heeft verzocht om vergoeding van zijn reiskosten, parkeerkosten tot een bedrag van € 12,- en verletkosten tot een bedrag van € 500,- (5 uur x € 100,-). Ten aanzien van het verzoek om reiskostenvergoeding overweegt de rechtbank dat eiser in aanmerking komt voor een vergoeding van € 0,28,- per kilometer. Van het adres van eiser tot aan de rechtbank bedraagt 82 kilometer. De totale reisafstand is daarmee 164 kilometer. Daarmee heeft eiser dus recht op een vergoeding van € 45,92 (164 km x € 0,28,- per km). De door eiser opgegeven parkeerkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten worden namelijk niet genoemd in het Bpb. Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van de verletkosten overweegt de rechtbank dat eiser de hoogte van zijn uurtarief niet heeft onderbouwd, terwijl in het formulier proceskosten staat vermeld dat het uurtarief onderbouwd dient te worden met bijvoorbeeld een kopie van een loonstrookje of een kopie van een verlofkaart. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat in dat geval voor het bepalen van de hoogte van de verletkosten moet worden uitgegaan van het minimale uurtarief dat is genoemd in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bpb. Dat is een tarief van € 9,- per uur. Op basis hiervan stelt de rechtbank de hoogte van de vergoeding voor verletkosten vast op € 45,- (5 x € 9,-). In totaal is de proceskostenvergoeding daarmee € 90,92.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen gegrond;
verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2024 ongegrond;
wijst het verzoek van eiser om schadevergoeding af;
veroordeelt de raad in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 90,92.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie in dat kader artikel 6:20, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:701, rechtsoverweging 3.2 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2430, rechtsoverweging 4.1.6.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2624.
Op zitting heeft eiser bevestigd dat dit zijn adres is.
Aan de hand van de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:772.
Zie in dat kader artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Zie in dat verband artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Gebaseerd op de op basis van de ANWB-routeplanner berekende afstand tussen de woonplaats van eiser en de zittingsplaats van de rechtbank.
Conform artikel 1, eerste lid, onder d en artikel 2, eerste lid, onder d, van Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in samenhang met artikel 11, eerste lid, onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, op basis van het tarief voor de vergoeding van het gebruik van een eigen auto.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:574.