Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7929
2026-06-26
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
AWB 25/188
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep tegen niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Beroep tegen de buiten behandeling stelling van de aanvraag van eiser om een peiljaarverlegging is ongegrond. Het verzoek van eiser om schadevergoeding wordt afgewezen
Citeert (9)
- ECLI:NL:RVS:2017:701 Raad van State 15-03-2017
- ECLI:NL:CRVB:2019:2430 Centrale Raad van Beroep 18-07-2019
- ECLI:NL:RVS:2020:2624 Raad van State 04-11-2020
- ECLI:NL:RVS:2014:772 Raad van State 05-03-2014
- ECLI:NL:RVS:2019:424 Raad van State 13-02-2019
- ECLI:NL:RVS:2024:2136 Raad van State 22-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2009:BI8475 Raad van State 17-06-2009
- ECLI:NL:CRVB:2009:BI2748 Centrale Raad van Beroep 28-04-2009
- ECLI:NL:RBLIM:2026:412 Rechtbank Limburg 16-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.845 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 25/188
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: Stichting Core, vertegenwoordigd door [gemachtigde] ),
en
het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, de raad
(gemachtigde: mr. C. de Jong).
Procesverloop
Met de brief van 10 juli 2024 stelde Stichting Core namens eiser beroep in wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek van 2 maart 2024 om een peiljaarverlegging.
De rechtbank heeft de zaak samen (maar niet gevoegd) met de zaken onder zaaknummers AWB 25/625, AWB 24/6932 en AWB 25/190 op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en de gemachtigde van de raad waren daarbij aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond en besluitvorming
1. Op 4 januari 2022 vroeg mr. K. Osei Bonsu namens eiser een toevoeging aan. Met het besluit van 3 maart 2022 stelde de raad de eigen bijdrage die eiser aan zijn advocaat moest betalen vast op € 156,-. Met het besluit van 26 februari 2024 stelde de raad de eigen bijdrage op basis van het definitief vastgestelde verzamelinkomen opnieuw vast op € 519,-.
1.1.
Op 2 maart 2024, ontvangen door de raad op 6 maart 2024, verzocht eiser om een peiljaarverlegging en verwees daarbij naar het besluit van 26 februari 2024.
1.2.
In reactie hierop vroeg de raad op 24 april 2024 om uiterlijk 20 mei 2024 de definitieve aanslag 2022 van eiser en zijn partner te overleggen.
1.3.
Met de brief van 3 mei 2024 stuurde eiser aan de raad een ingebrekestelling. Volgens eiser was de termijn om te beslissen afgelopen.
1.4.
Op 8 mei 2024 schreef de raad dat hij eiser op 24 april 2024 om nadere gegevens heeft verzocht en dat daarmee de beslistermijn is opgeschort (tot 20 mei 2024). De aanvraag is daarom binnen de gestelde termijn in behandeling genomen. De raad verzocht eiser te reageren op de brief.
1.5.
Op 29 mei 2024 stuurde de raad eiser een herinnering en vroeg hem nogmaals om de gevraagde stukken toe te sturen, dit keer uiterlijk 8 juni 2024.
1.6.
Met het besluit van 2 juli 2024 stelde de raad het verzoek om een peiljaarverlegging buiten behandeling, omdat eiser de gevraagde gegevens niet had opgestuurd.
Beoordeling door de rechtbank
Ten aanzien van het beroep niet tijdig beslissen.
Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek van 2 maart 2024 om een peiljaarverlegging. De raad heeft op 2 juli 2024 op dit verzoek beslist. De vraag is daarom of eiser nog belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek. Dat is volgens de rechtbank het geval, omdat eiser stelt dat hij recht heeft op een bestuurlijke dwangsom. De rechtbank zal daarom hierna beoordelen of de raad te laat heeft beslist op het verzoek.
Is de beslistermijn overschreden?
3. De raad betwist dat de beslistermijn is overschreden. Volgens de raad is met het sturen van de brieven van 24 april 2024, 8 mei 2024 en 29 mei 2024 de beslistermijn opgeschort.
3.1.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslistermijn is overschreden. Die verstreek volgens hem namelijk op 1 mei 2024, acht weken nadat de raad het verzoek van 2 maart 2024 had ontvangen, te weten op 6 maart 2024. De brieven van 24 april 2024, 8 mei 2024 en 29 mei 2024 heeft eiser nooit ontvangen waardoor de beslistermijn volgens eiser niet is opgeschort.
4. De rechtbank beoordeelt hierna slechts of het aannemelijk is de brief van 24 april 2024 aan eiser is verzonden. Als dat het geval is, dan is de beslistermijn opgeschort vanaf 24 april 2024 tot 20 mei 2024 en eindigde de beslistermijn op 28 mei 2024. De brief van 29 mei 2024 heeft geen invloed meer op de beslistermijn, omdat die na het einde van de beslistermijn is verstuurd.
4.1.
De raad heeft de brief van 24 april 2024 niet aangetekend verstuurd. Het is daarom aan de raad om aannemelijk te maken dat de brief op het adres van de eiser is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden dat het besluit op dat adres is ontvangen. Dit brengt met zich dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat het bestuursorgaan een deugdelijke verzendadministratie heeft. Ook dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de raad aannemelijk heeft gemaakt dat de brief van 24 april 2024 naar het juiste adres is verzonden. De brief is voorzien van het adres van eiser, dat hij ook zelf gebruikt in zijn correspondentie, zodat de raad daarvan mocht uitgaan. De brief is ook voorzien van een verzenddatum en de verzendadministratie is deugdelijk. De raad heeft dit laatste ter zitting nader toegelicht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014. Ten tijde van verzending van deze brief was nog steeds sprake van dezelfde verzending van poststukken. Van problemen bij de verzending van poststukken in die periode is niet gebleken.
4.3.
Omdat de raad de verzending van de brief van 24 april 2024 aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van eiser om dat vermoeden te ontzenuwen. De rechtbank is van oordeel dat hij hierin niet is geslaagd. De enkele ontkenning dat hij de brief niet heeft ontvangen is daartoe onvoldoende. De stelling op zitting dat eiser een procedure heeft lopen tegen PostNL omdat hij vaker post niet ontvangt, heeft eiser niet onderbouwd.
4.4.
Het voorgaande betekent dat de beslistermijn is opgeschort tot 20 mei 2024 en eindigde op 28 mei 2024. Daarmee is de door eiser ingediende ingebrekestelling van 3 mei 2024 prematuur. Dat betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is en de raad geen bestuurlijke dwangsom is verschuldigd.
Ten aanzien van het beroep tegen het besluit van 2 juli 2024
5. Met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 2 juli 2024. De rechtbank stelt vast dat de rechtbank in de brief van 10 juli 2025 per abuis het besluit van 9 juli 2024 heeft genoemd, in plaats van het besluit van 2 juli 2024. Dat betekent dat eiser dus niet is gevraagd om gronden te formuleren tegen het laatstgenoemde besluit.
5.1.
Desgevraagd heeft eiser ter zitting aangegeven dat hij zich wel verzet tegen het inhoudelijke besluit van 2 juli 2024. Zijn verzoek is namelijk ten onrechte buiten behandeling gesteld, omdat hij de brieven 24 april 2024, 8 mei 2024 en 29 mei 2024, waarin hij is verzocht om gegevens, niet heeft ontvangen. De rechtbank volgt eiser hierin niet en verwijst voor haar motivering naar hetgeen de rechtbank daarover eerder heeft overwogen. Wat daar is overwogen ten aanzien van de brief van 24 april 2024, geldt ook voor de brieven van 8 mei 2024 en 29 mei 2024. Dat betekent dat het beroep tegen het besluit van 2 juli 2024 ongegrond is.
Overschrijding redelijke termijn
6. Eiser heeft op de zitting een verzoek gedaan om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
6.1.
De rechtbank overweegt daarover dat in het kader van het beroep niet tijdig beslissen geen inhoudelijke behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden. Dit beroep is immers enkel gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers verzoek. Als een geschil niet inhoudelijk aan de rechter is voorgelegd, kan geen aanspraak op schadevergoeding aan artikel 6 van het EVRM worden ontleend. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
6.2.
Ook ten aanzien van het beroep tegen het besluit van 2 juli 2024 wijst de rechtbank het verzoek van eiser om schadevergoeding af. Het is vaste rechtspraak dat zaken binnen een redelijke termijn moeten worden behandeld. In de regel is dat een termijn van twee jaren. De rechtbank gaat in dit geval ook uit van een redelijke termijn van twee jaren. Als in een procedure over een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een reëel besluit wordt genomen, vangt de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep over het reële besluit aan op de dag waarop het beroep van rechtswege is ontstaan. Het reële besluit in deze procedure is op 2 juli 2024 genomen, zodat op die dag het beroep van rechtswege daartegen is ontstaan. Dat betekent dat de redelijke termijn tot 2 juli 2026 loopt. De procedure eindigt met deze uitspraak. Dat betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het besluit van 2 juli 2024 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
8. Het verzoek van eiser om schadevergoeding wordt afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het besluit van 2 juli 2024 ongegrond;
wijst het verzoek van eiser om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie in dat kader artikel 6:20, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:701, rechtsoverweging 3.2 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2430, rechtsoverweging 4.1.6.
Zie in dat kader artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2624.
Op de zitting heeft eiser bevestigd dat dit zijn adres is.
ECLI:NL:RVS:2014:772.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:424.
Zie in dit kader artikel 4:17 van de Awb en de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136, rechtsoverweging 17.3.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI8475, rechtsoverweging 2.4.2 en de uitspraak van de CRvB van 28 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI2748, rechtsoverweging 4.1.
Zie de uitspraak van rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 16 januari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:412, rechtsoverweging 10.
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 25/188
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: Stichting Core, vertegenwoordigd door [gemachtigde] ),
en
het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, de raad
(gemachtigde: mr. C. de Jong).
Procesverloop
Met de brief van 10 juli 2024 stelde Stichting Core namens eiser beroep in wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek van 2 maart 2024 om een peiljaarverlegging.
De rechtbank heeft de zaak samen (maar niet gevoegd) met de zaken onder zaaknummers AWB 25/625, AWB 24/6932 en AWB 25/190 op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en de gemachtigde van de raad waren daarbij aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond en besluitvorming
1. Op 4 januari 2022 vroeg mr. K. Osei Bonsu namens eiser een toevoeging aan. Met het besluit van 3 maart 2022 stelde de raad de eigen bijdrage die eiser aan zijn advocaat moest betalen vast op € 156,-. Met het besluit van 26 februari 2024 stelde de raad de eigen bijdrage op basis van het definitief vastgestelde verzamelinkomen opnieuw vast op € 519,-.
1.1.
Op 2 maart 2024, ontvangen door de raad op 6 maart 2024, verzocht eiser om een peiljaarverlegging en verwees daarbij naar het besluit van 26 februari 2024.
1.2.
In reactie hierop vroeg de raad op 24 april 2024 om uiterlijk 20 mei 2024 de definitieve aanslag 2022 van eiser en zijn partner te overleggen.
1.3.
Met de brief van 3 mei 2024 stuurde eiser aan de raad een ingebrekestelling. Volgens eiser was de termijn om te beslissen afgelopen.
1.4.
Op 8 mei 2024 schreef de raad dat hij eiser op 24 april 2024 om nadere gegevens heeft verzocht en dat daarmee de beslistermijn is opgeschort (tot 20 mei 2024). De aanvraag is daarom binnen de gestelde termijn in behandeling genomen. De raad verzocht eiser te reageren op de brief.
1.5.
Op 29 mei 2024 stuurde de raad eiser een herinnering en vroeg hem nogmaals om de gevraagde stukken toe te sturen, dit keer uiterlijk 8 juni 2024.
1.6.
Met het besluit van 2 juli 2024 stelde de raad het verzoek om een peiljaarverlegging buiten behandeling, omdat eiser de gevraagde gegevens niet had opgestuurd.
Beoordeling door de rechtbank
Ten aanzien van het beroep niet tijdig beslissen.
Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek van 2 maart 2024 om een peiljaarverlegging. De raad heeft op 2 juli 2024 op dit verzoek beslist. De vraag is daarom of eiser nog belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek. Dat is volgens de rechtbank het geval, omdat eiser stelt dat hij recht heeft op een bestuurlijke dwangsom. De rechtbank zal daarom hierna beoordelen of de raad te laat heeft beslist op het verzoek.
Is de beslistermijn overschreden?
3. De raad betwist dat de beslistermijn is overschreden. Volgens de raad is met het sturen van de brieven van 24 april 2024, 8 mei 2024 en 29 mei 2024 de beslistermijn opgeschort.
3.1.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslistermijn is overschreden. Die verstreek volgens hem namelijk op 1 mei 2024, acht weken nadat de raad het verzoek van 2 maart 2024 had ontvangen, te weten op 6 maart 2024. De brieven van 24 april 2024, 8 mei 2024 en 29 mei 2024 heeft eiser nooit ontvangen waardoor de beslistermijn volgens eiser niet is opgeschort.
4. De rechtbank beoordeelt hierna slechts of het aannemelijk is de brief van 24 april 2024 aan eiser is verzonden. Als dat het geval is, dan is de beslistermijn opgeschort vanaf 24 april 2024 tot 20 mei 2024 en eindigde de beslistermijn op 28 mei 2024. De brief van 29 mei 2024 heeft geen invloed meer op de beslistermijn, omdat die na het einde van de beslistermijn is verstuurd.
4.1.
De raad heeft de brief van 24 april 2024 niet aangetekend verstuurd. Het is daarom aan de raad om aannemelijk te maken dat de brief op het adres van de eiser is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden dat het besluit op dat adres is ontvangen. Dit brengt met zich dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat het bestuursorgaan een deugdelijke verzendadministratie heeft. Ook dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de raad aannemelijk heeft gemaakt dat de brief van 24 april 2024 naar het juiste adres is verzonden. De brief is voorzien van het adres van eiser, dat hij ook zelf gebruikt in zijn correspondentie, zodat de raad daarvan mocht uitgaan. De brief is ook voorzien van een verzenddatum en de verzendadministratie is deugdelijk. De raad heeft dit laatste ter zitting nader toegelicht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014. Ten tijde van verzending van deze brief was nog steeds sprake van dezelfde verzending van poststukken. Van problemen bij de verzending van poststukken in die periode is niet gebleken.
4.3.
Omdat de raad de verzending van de brief van 24 april 2024 aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van eiser om dat vermoeden te ontzenuwen. De rechtbank is van oordeel dat hij hierin niet is geslaagd. De enkele ontkenning dat hij de brief niet heeft ontvangen is daartoe onvoldoende. De stelling op zitting dat eiser een procedure heeft lopen tegen PostNL omdat hij vaker post niet ontvangt, heeft eiser niet onderbouwd.
4.4.
Het voorgaande betekent dat de beslistermijn is opgeschort tot 20 mei 2024 en eindigde op 28 mei 2024. Daarmee is de door eiser ingediende ingebrekestelling van 3 mei 2024 prematuur. Dat betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is en de raad geen bestuurlijke dwangsom is verschuldigd.
Ten aanzien van het beroep tegen het besluit van 2 juli 2024
5. Met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 2 juli 2024. De rechtbank stelt vast dat de rechtbank in de brief van 10 juli 2025 per abuis het besluit van 9 juli 2024 heeft genoemd, in plaats van het besluit van 2 juli 2024. Dat betekent dat eiser dus niet is gevraagd om gronden te formuleren tegen het laatstgenoemde besluit.
5.1.
Desgevraagd heeft eiser ter zitting aangegeven dat hij zich wel verzet tegen het inhoudelijke besluit van 2 juli 2024. Zijn verzoek is namelijk ten onrechte buiten behandeling gesteld, omdat hij de brieven 24 april 2024, 8 mei 2024 en 29 mei 2024, waarin hij is verzocht om gegevens, niet heeft ontvangen. De rechtbank volgt eiser hierin niet en verwijst voor haar motivering naar hetgeen de rechtbank daarover eerder heeft overwogen. Wat daar is overwogen ten aanzien van de brief van 24 april 2024, geldt ook voor de brieven van 8 mei 2024 en 29 mei 2024. Dat betekent dat het beroep tegen het besluit van 2 juli 2024 ongegrond is.
Overschrijding redelijke termijn
6. Eiser heeft op de zitting een verzoek gedaan om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
6.1.
De rechtbank overweegt daarover dat in het kader van het beroep niet tijdig beslissen geen inhoudelijke behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden. Dit beroep is immers enkel gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers verzoek. Als een geschil niet inhoudelijk aan de rechter is voorgelegd, kan geen aanspraak op schadevergoeding aan artikel 6 van het EVRM worden ontleend. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
6.2.
Ook ten aanzien van het beroep tegen het besluit van 2 juli 2024 wijst de rechtbank het verzoek van eiser om schadevergoeding af. Het is vaste rechtspraak dat zaken binnen een redelijke termijn moeten worden behandeld. In de regel is dat een termijn van twee jaren. De rechtbank gaat in dit geval ook uit van een redelijke termijn van twee jaren. Als in een procedure over een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een reëel besluit wordt genomen, vangt de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep over het reële besluit aan op de dag waarop het beroep van rechtswege is ontstaan. Het reële besluit in deze procedure is op 2 juli 2024 genomen, zodat op die dag het beroep van rechtswege daartegen is ontstaan. Dat betekent dat de redelijke termijn tot 2 juli 2026 loopt. De procedure eindigt met deze uitspraak. Dat betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het besluit van 2 juli 2024 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
8. Het verzoek van eiser om schadevergoeding wordt afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het besluit van 2 juli 2024 ongegrond;
wijst het verzoek van eiser om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie in dat kader artikel 6:20, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:701, rechtsoverweging 3.2 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2430, rechtsoverweging 4.1.6.
Zie in dat kader artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2624.
Op de zitting heeft eiser bevestigd dat dit zijn adres is.
ECLI:NL:RVS:2014:772.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:424.
Zie in dit kader artikel 4:17 van de Awb en de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136, rechtsoverweging 17.3.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI8475, rechtsoverweging 2.4.2 en de uitspraak van de CRvB van 28 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI2748, rechtsoverweging 4.1.
Zie de uitspraak van rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 16 januari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:412, rechtsoverweging 10.