Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7894
Inhoudsindicatie
Partneralimentatie vastgelegd in overeenkomst. De rechtbank ziet geen reden om, op grond van de overeenkomst tussen partijen met betrekking tot de partneralimentatie dan wel op grond van artikel 1:160 BW de alimentatieverplichting van de man geheel te beëindigen. Wettelijke indexering verplicht periode 2019 tot september 2022. Dat de man deze wettelijke verplichting (artikel 1:402a BW) niet zou kennen, doet daar niet aan af. Een ieder, en dus ook de man, wordt immers geacht de wet te kennen. Periode oktober 2022 tot juni 2024. In voldoende mate aannemelijk geworden dat de man in deze periode zijn alimentatieverplichting in natura heeft voldaan. Periode juni 2024 tot afloop overeenkomst (mei 2037). Volgens de rechtbank heeft de man in voldoende mate begrepen wat de ondertekening van de overeenkomst tot gevolg zou hebben. Bovendien zijn partijen, bij onderlinge vaststelling, niet gehouden aan de wettelijke termijn zoals volgt uit artikel 1:158 BW. Door de man niet aangetoond dat sprake is van artikel 1:401 lid 2 BW. Daarnaast kan de rechtbank niet vaststellen of sprake is van een wijziging zoals bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW. De man heeft € 1.374,- aan griffierecht betaald, zijnde het tarief voor dagvaardingsprocedures. De rechtbank zal dit griffierecht terugboeken tot een bedrag van € 331,-, zijnde het tarief voor onderhavige procedure.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (33.400 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/773954 / FA RK 25/6076
Beschikking van 2 juni 2026 betreffende partneralimentatie
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. S.L. Fronik te Haarlem,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. D.J.I. Kroezen te Amsterdam.
1De procedure
1.1.
De kantonrechter van de rechtbank Amsterdam heeft de zaak bij vonnis van 30 juli 2025 in de stand waarin die zich toen bevond verwezen naar deze rechtbank, afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd, nu uit vaste rechtspraak volgt dat in zaken van levensonderhoud, verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), het volgen van een verzoekschriftprocedure als dwingend voorgeschreven moet worden beschouwd.
1.2.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
de dagvaarding met bijlagen van de vrouw van 2 januari 2025, ingekomen op 7 augustus 2025;
de conclusie van antwoord in reconventie tevens conclusie van eis in reconventie van de man van 23 april 2025, ingekomen op 7 augustus 2025;
de conclusie van antwoord in reconventie met bijlagen van de vrouw van 3 juni 2025, ingekomen op 7 augustus 2025;
het F9-formulier met bijlagen van de man, ingekomen op 8 april 2026;
het F9-formulier met bijlagen van de man, ingekomen op 10 april 2026;
het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 13 april 2026.
1.3.
De vrouw heeft verzocht de dagvaarding te lezen als verzoekschrift.
1.4.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Verschenen zijn:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk Engels.
1.5.
Vanuit beide partijen zijn pleitnotities voorgedragen en overgelegd.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 3 december 2014 van deze rechtbank in de registers van de burgerlijke stand op 1 september 2015 ontbonden.
2.2.
Uit het huwelijk zijn de twee thans meerderjarige kinderen geboren:
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] (Zuid-Korea) op [geboortedag 1] 2001:
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] (Zuid-Korea) op [geboortedag 2] 2006.
2.3.
Partijen hebben op 23 april 2019 hun eerder gemaakte afspraken gewijzigd en opgenomen in een tweede ‘termination agreement’. Daarin hebben zij – voor zover hier van belang – de volgende afspraken vastgelegd:
de man neemt de woning van de vrouw over;
de vrouw verlaat de woning;
de man betaalt de vrouw € 530,- per maand aan partneralimentatie voor 18 jaar;
indien de vrouw gaat samenleven met een ander als waren zij gehuwd, huwt, of een geregistreerd partnerschap aangaat, eindigt de bijdrageplicht van de man aan de vrouw.
3Het verzoek
3.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te veroordelen om aan de vrouw een bedrag van € 17.165,04 aan achterstallige partneralimentatie te betalen over de periode van januari 2020 tot en met december 2024, te betalen binnen veertien dagen na beschikking;
II. de man te veroordelen om vanaf januari 2025 bij vooruitbetaling de partneralimentatie van € 666,82 per maand aan de vrouw te voldoen voor een periode van 16 jaar, zijnde tot aan mei 2037, jaarlijks te vermeerderen met de wettelijke indexatie;
III. de man te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.2.
De man voert verweer en verzoekt de rechtbank – na aanvulling van zijn verzoek – bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw te veroordelen tot de betaling aan de man van een vergoeding voor het gebruik van zijn woning in de periode van 16 mei 2019 tot 1 juni 2024 ter hoogte van de eerder op 23 april 2019 tussen partijen overeengekomen bijdrage, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 23 april 2019 tot aan de dag dat de gehele vordering zal zijn voldaan aan de man;
II. de beëindiging, dan wel de nihilstelling, van de partneralimentatie aan de vrouw vast te stellen per 1 juni 2019, dan wel 1 oktober 2022, dan wel 1 juni 2024, dan wel 1 september 2027, dan wel per een naar het oordeel van de rechtbank redelijk en passende ingangsdatum;
III. de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder het salaris van de procesadvocaat van de man en de griffierechten opgelegd aan de man.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.
4De beoordeling
Partneralimentatie
4.1.
De vrouw
4.1.1.
De vrouw stelt dat de man de afspraken, zoals neergelegd in de overeenkomst van 23 april 2019, dient na te komen. De man wilde de voormalig echtelijke woning in [plaats 1] van de vrouw overnemen, maar kreeg de financiering daarvoor niet rond. De man kon niet meer dan € 100.000,- aan overwaarde aan de vrouw vergoeden, terwijl zij recht had op € 119.000,-. Partijen hebben het verschil in de alimentatie verdisconteerd, in die zin dat de partneralimentatie is vastgesteld op € 530,- per maand voor de duur van achttien jaar. Dit volgt volgens de vrouw direct uit de ingediende stukken.
4.1.2.
De vrouw heeft in oktober 2019 een woning in [plaats 2] gekocht, waar zij van vrijdag tot en met zondag verbleef. De kinderen woonden in de woning van de man waar de vrouw doordeweeks ook was, zodat zij contact kon hebben met de kinderen. De vrouw benadrukt dat partijen in onderling overleg hebben afgesproken dat de vrouw in de woning bij de man zou blijven wonen tot het eindexamen van [minderjarige 2] . Partijen hadden daarbij duidelijke afspraken gemaakt over de verdeling van de kosten. De man heeft de vrouw een kostenoverzicht gestuurd en voorgesteld dat de vrouw de alimentatie gedurende hun samenleving zou gebruiken voor de kosten van de huishouding. De verdeling tussen partijen was aldus dat de man de vaste lasten droeg van de woning in [plaats 1] en de vrouw van de woning in [plaats 2] . De man betaalde de vrouw daarnaast € 530,- partneralimentatie per maand en de vrouw besteedde dit bedrag aan het huishouden in [plaats 1] .
4.1.3.
De vrouw heeft besloten om minimaal één kamer in de woning in [plaats 2] te verhuren, zodat de woning bewoond zou zijn en zij bovendien extra inkomen zou genereren. Zodoende heeft de heer [persoon 1] in april 2021 zijn intrek genomen. Gelijktijdig met de heer [persoon 1] heeft eerst mevrouw [persoon 2] en daarna mevrouw [persoon 3] een tweede kamer in de woning gehuurd. De vrouw heeft de extra huurinkomsten met name gebruikt om de kosten van boodschappen voor de huishouding in [plaats 1] en de kosten van de kinderen te betalen.
De vrouw woonde niet samen met de heer [persoon 1] , en woont op dit moment ook niet samen met haar huidige partner. De huidige partner van de vrouw woont namelijk in het buitenland.
De heer [persoon 1] is de huurder van de vrouw. De vrouw en de heer [persoon 1] hebben goed contact met elkaar en zijn in de loop der jaren bevriend geraakt. Zij hebben echter geen relatie en wonen ook niet samen. Dit ontkent de vrouw stellig. Er is volgens de vrouw niet voldaan aan de eisen van artikel 1:160 BW.
4.1.4.
In oktober 2022 is de man werkloos geraakt en is hij gestopt met het betalen van de partneralimentatie, terwijl hij binnen drie maanden weer een nieuwe baan met vergelijkbaar salaris had. De man had dus voldoende draagkracht om de partnerbijdrage conform afspraak te betalen, maar de betaling hiervan heeft hij niet meer hervat.
De vrouw heeft, in de periode dat zij ook nog in de woning in [plaats 1] verbleef, een bedrag vele malen hoger dan de alimentatie besteed aan de kosten van de kinderen en het huishouden. Toen de man de alimentatiebetaling staakte, is de financiële verdeling tussen partijen niet anders geworden. Alle kosten van de kinderen en het huishouden kwamen sindsdien dus volledig op de schouders van de vrouw te rusten. Dit was niet conform afspraak, en gezien de inkomensverdeling ook niet eerlijk. Het is voor de vrouw dan ook onbegrijpelijk dat de man nu verzoekt om haar te veroordelen tot een vergoeding voor het gebruik van de woning.
4.1.5.
De vrouw is, conform afspraak, in juni 2024 verhuisd naar haar woning in [plaats 2] . Namens de vrouw is de man nadien aangeschreven met het verzoek alsnog de afspraken, zoals vastgelegd bij de overeenkomst van 23 april 2019, na te komen en de partneralimentatie te voldoen. De man heeft gereageerd door te stellen dat de vrouw na de verbreking van de samenleving in 2019 onrechtmatig in zijn huis heeft verbleven en dat zij dus geld schuldig is aan hem. De afspraken die partijen met betrekking tot de partneralimentatie en de overwaarde van de woning hebben gemaakt, staan echter geheel los van het feit dat de vrouw in een kamer in de woning van de man is blijven wonen. Dat blijkt volgens de vrouw ook uit de mailcommunicatie tussen partijen en het feit dat de man de partnerbijdrage tot oktober 2022, terwijl de vrouw ook in de woning verbleef, is door blijven betalen.
4.1.6.
De vrouw concludeert als volgt. De afspraken uit de overeenkomst van 23 april 2019 dienen te worden nagekomen. De man heeft zijn verplichtingen jegens de vrouw ook altijd erkend. Er is geen sprake van onrechtmatig verblijf in de woning. De man heeft expliciet ingestemd met het verblijf van de vrouw in de woning. Er is daarnaast geen sprake van dat de man zijn onderhoudsverplichting in natura zou hebben betaald door de vrouw in de woning te laten verblijven. De man spreekt zichzelf hiermee ook tegen, nu hij tegelijkertijd meent dat de vrouw samenwoonde met de heer [persoon 1] , wat tevens onjuist is.
Bovendien heeft man de gehele periode draagkracht gehad om de partneralimentatie te betalen, mede doordat hij zelf huurinkomsten ontving uit de woning in [plaats 1] .
Tenslotte kan de vrouw niet veroordeeld worden tot enige gebruiksvergoeding voor de woning. De vrouw is in de woning gebleven om voor de kinderen te zorgen. Deze afspraak stond los van de financiële afspraken tussen partijen, zoals zij die hebben neergelegd en tot 2022, terwijl de vrouw ook nog in de woning bij de man verbleef.
4.2.
De man
4.2.1.
De man voert aan dat partijen zijn overeengekomen dat de man de woning overneemt en de vrouw deze verlaat zodra zij van de man de overeengekomen uitkoopsom heeft ontvangen. De woning is vervolgens op 16 mei 2019 geleverd aan de man. De vrouw heeft daarbij de aan haar toekomende uitkoopsom van € 100.000,- ontvangen. De man wilde de overeenkomst van 23 april 2019 graag nakomen, maar de vrouw heeft eenzijdig besloten om in de woning te blijven. De man betwist met klem dat er een overeenkomst met de vrouw zou zijn gesloten waaruit volgt dat de man, vanwege een tekort aan financieringsmogelijkheden om de woning te kunnen overnemen, een hogere en langere partnerbijdrage aan de vrouw zou voldoen.
4.2.2.
De vrouw had vanaf september 2019 de beschikking over een eigen koopwoning. Zij is daardoor verrijkt ten koste van de man. De vrouw kon namelijk haar koopwoning delen met de heer [persoon 1] . De man kon daarentegen niet een deel van zijn woning verhuren, omdat de vrouw daar nog verbleef. Daarnaast heeft de man de vrouw herhaaldelijk verzocht de woning te verlaten, maar heeft zij dat geweigerd tot haar vertrek op 1 juni 2024. De vrouw doet het voorkomen dat partijen hadden afgesproken dat de vrouw in de woning van de man zou verblijven tot [minderjarige 2] haar eindexamen had gedaan. Dit is volgens de man onjuist en hij betwist dit dan ook stellig.
4.2.3.
Vanaf oktober 2022 was de man werkloos. De man betwist dat hij nadien een vergelijkbaar salaris heeft ontvangen. Hij is destijds, geheel volgens de overeenkomst, gestopt met het betalen van de partneralimentatie, niet wetende dat hij ook voordien geen bijdrage aan de vrouw verschuldigd was, omdat hij al deels in haar kosten van levensonderhoud voorzag. De partneralimentatie tot oktober 2022 heeft hij dus geheel onverschuldigd aan haar voldaan. De vrouw verbleef namelijk ook in de woning van de man en hij heeft de kosten van huisvesting en van levensonderhoud van het hele gezin, en dus ook die van de vrouw, voldaan. De man betwist dat alle kosten van de kinderen en het huishouden op de schouders van de vrouw terechtkwamen. Bovendien heeft de vrouw geen huur of andere bijdrage voldaan aan de man. Feitelijk heeft de man de partneralimentatie jarenlang, en in ieder geval tot juni 2024, in natura aan de vrouw voldaan. Het verzoek van de vrouw om met terugwerkende kracht de vermeende achterstallige alimentatie te voldoen dient dan ook te worden afgewezen.
4.2.4.
Ook heeft de man uit het gedrag en de berichten van de vrouw mogen afleiden dat de vrouw geen aanspraak op de partneralimentatie zou maken. De vrouw heeft tijdens haar verblijf in de woning van de man immers niet verzocht om de betaling van een bijdrage voor haar kosten van levensonderhoud. Zij vroeg daar pas vanaf juli 2024 om. Door rechtsverwerking is haar aanspraak op een bijdrage dan ook, in ieder geval in de periode tot 1 juli 2024, komen te vervallen.
4.2.5.
Daarnaast stelt de man vast dat de vrouw per mei 2021 samenwoont met haar partner, de heer [persoon 1] . Subsidiair woont zij sinds 1 juni 2024 met hem samen. Volgens de man is voldaan aan de criteria voor een beroep op artikel 1:160 BW. De man meent dat hij met zijn ingediende stukken aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw samenwoont met de heer [persoon 1] en de lotsverbondenheid van de man jegens de vrouw daarmee tot een eind is gekomen. De enkele blote stelling van de vrouw dat de heer [persoon 1] slechts een huurder is, met de overlegging van een contract en gebrekkige betalingsbewijzen, is onvoldoende om het gemotiveerde verweer van de man te weerspreken. De bewijslast is daarmee, subsidiair, verlegd naar de vrouw. Meer subsidiair doet de man een bewijsaanbod, waarbij de kinderen als getuigen kunnen verklaren over de affectieve relatie van de vrouw met de heer [persoon 1] .
4.2.6.
Meer subsidiair stelt de man dat hij bij het ondertekenen van de overeenkomst van 23 april 2019 zich niet bewust was van de wettelijke maatstaven en wettelijke regeling aangaande partneralimentatie. Aangezien de echtscheiding op 1 september 2015 werd ingeschreven, eindigt de wettelijke onderhoudsverplichting van de man op 1 september 2027. De man vraagt om deze wettelijke termijn uitdrukkelijk aan te houden, in plaats van de termijn zoals vermeld in de overeenkomst van 23 april 2019. Daarnaast is er geen wettelijke indexering overeengekomen in de overeenkomst, zodat daar geen rekening mee gehouden dient te worden.
4.2.7.
Tenslotte stelt de man dat de vrouw haar behoefte niet aannemelijk heeft gemaakt. De vrouw heeft altijd gewerkt en ontvangt daarnaast netto huurinkomsten. Volgens de man heeft de vrouw, nu zij een hoger inkomen heeft dan de man, geen behoefte aan partneralimentatie en dient deze per 1 april 2021 op nihil gesteld te worden.
4.3.
De rechtbank
De overeenkomst
4.3.1.
De rechtbank gaat allereerst in op de stelling van de man dat de vrouw een relatie heeft met de heer [persoon 1] en met hem samenwoont, zodat de overeenkomst tussen partijen van 23 april 2019, en de daaruit voortgevloeide partneralimentatie, is komen te vervallen. De rechtbank overweegt als volgt.
4.3.2.
Uit de overeenkomst tussen partijen volgt dat de alimentatieverplichting van de man komt te vervallen indien de vrouw gaat samenleven met een ander als waren zij gehuwd, huwt, of een geregistreerd partnerschap aangaat. In onderhavige zaak ziet de vraag op het begrip ‘samenleven als waren’, nu een huwelijk of geregistreerd partnerschap aan de zijde van de vrouw niet aan de orde is. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor het ‘samenleven als waren’ in de zin van artikel 1:160 BW is vereist: (i) een affectieve relatie (ii) van duurzame aard die meebrengt dat de samenlevers (iii) elkaar wederzijds verzorgen, (iv) met elkaar samenwonen en (v) een gemeenschappelijke huishouding voeren.
4.3.3.
In de zin van de overeenkomst tussen partijen, als zowel in de zin van artikel 1:160 BW is, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende aannemelijk geworden dat de (eventuele) relatie tussen de vrouw en de heer [persoon 1] een zodanige relatie is dat deze valt onder voornoemd artikel dan wel zoals bedoeld in de overeenkomst. De rechtbank heeft daartoe immers geen concrete of objectieve stukken ontvangen.
De man heeft een bewijsaanbod gedaan om de relatie tussen de vrouw en de heer [persoon 1] aan te tonen. Dit bewijsaanbod ziet echter enkel op het vaststellen van een relatie en niet op de (benodigde) economische verwevenheid en verzorging tussen hen. Bovendien is de vrouw in de periode van 2019 tot 2024 grotendeels woonachtig geweest in de woning van de man. Dit gegeven verhoudt zich slecht met de door de man gestelde samenwoning en samenleving tussen de vrouw en de heer [persoon 1] .
4.3.4.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank dan ook geen reden om, op grond van de overeenkomst tussen partijen van 23 april 2019 dan wel op grond van artikel 1:160 BW, de alimentatieverplichting van de man geheel te beëindigen.
Periodes
4.3.5.
Nu naar het oordeel van de rechtbank de overeenkomst van 23 april 2019 nog steeds van kracht is tussen partijen, gaat de rechtbank inhoudelijk in op de alimentatieverplichting van de man. De rechtbank onderscheidt hierin drie verschillende periodes.
2019 tot september 2022
4.3.6.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is gebleken dat de man vanaf 2019 tot september 2022 de overeengekomen partneralimentatie heeft betaald. Uit de gedragingen van de man, namelijk het overmaken van de geldbedragen naar de vrouw, volgt dat hij zich heeft willen houden aan de overeenkomst. Dit blijkt tevens uit zijn stelling tijdens de mondelinge behandeling, waaruit volgt dat hij zich te allen tijden aan de overeenkomst wilde houden.
Uit artikel 1:402a BW volgt de wettelijke verplichting om de bij overeenkomst vastgestelde bedragen voor levensonderhoud jaarlijks te indexeren. De man heeft de jaarlijkse indexering van de partneralimentatie nagelaten. Dat de man deze wettelijke verplichting niet zou kennen, doet daar niet aan af. Een ieder, en dus ook de man, wordt immers geacht de wet te kennen.
4.3.7.
De rechtbank zal over bovenstaande periode dan ook de wettelijke indexering toepassen op het overeengekomen bedrag van € 530,- per maand, welke de man reeds dient te voldoen en als volgt wordt berekend:
2020: wettelijke indexering 2,5% = € 543,25, verschil van € 13,25 x 12 maanden = € 159,-
2021: wettelijke indexering 3,0% = € 559,55, verschil van € 29,55 x 12 maanden = € 345,60
2022: wettelijke indexering 1,9% = € 570,18, verschil van € 40,18 x 9 maanden (tot en met september) = € 361,62
4.3.8.
Gelet op het voorgaande, dient de man de vrouw over voornoemde periode een bedrag van € 866,- na te betalen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in staat zijn om in onderling overleg redelijke afspraken te maken over de betaling van dit resterende bedrag, mogelijk door middel van een betalingsregeling. Het verzoek van de vrouw, dat ziet op voornoemde periode, wordt dan ook toegewezen.
4.3.9.
De rechtbank wijst het zelfstandige (voorwaardelijke) verzoek van de man af. Hoewel de man zich aan de overeenkomst tussen partijen heeft willen houden, en de vrouw dit heeft nagelaten nu zij in de woning is blijven wonen, ziet de rechtbank geen reden om de vrouw te veroordelen tot de betaling van een vergoeding voor het gebruik van de woning. Niet is gebleken dat de man concrete acties heeft ondernomen om de vrouw uit de woning te krijgen. Dit had, op het moment dat hij van mening was dat de vrouw zich niet aan de overeenkomst hield, op zijn weg gelegen om te doen. Naar het oordeel van de rechtbank doet het feit dat de vrouw zich niet aan de overeenkomst heeft gehouden daar dus niet aan af.
Oktober 2022 tot juni 2024
4.3.10.
Per oktober 2022 is de man, vanwege zijn werkloosheid, gestopt met het betalen van de partneralimentatie. De vrouw stelt dat zij in die periode recht had op partneralimentatie. De man voert daartegen verweer en voert aan dat de man in natura aan zijn alimentatieverplichting heeft voldaan. De vrouw heeft immers tot juni 2024 gratis bij hem gewoond. De vrouw heeft daartegenover aangevoerd dat partijen in die periode de kosten hebben verdeeld, waarbij de vrouw alle kosten van de kinderen, waaronder school, sport, kleding en boodschappen, en de woning in [plaats 2] droeg en de man de vaste lasten droeg voor de woning in [plaats 1] . Ondanks dat zij in een kamer in de woning van de man is blijven wonen, had de overeengekomen partneralimentatie volgens de vrouw dus betaald moeten blijven worden door de man.
4.3.11.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw het verweer van de man, namelijk dat hij de partneralimentatie in natura heeft voldaan, onvoldoende onderbouwd betwist. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar standpunt bankafschriften over de periode januari 2019 tot 16 mei 2019 ingediend. Daaruit zou blijken dat de vrouw de boodschappen voor het gezin betaalde. Dit enkele afschrift, waarop betalingen tot en met 30 april 2019 zijn weergegeven, is onvoldoende om haar stelling te onderbouwen. Het gaat hier immers over de periode oktober 2022 tot juni 2024. Uit het overgelegde afschrift kan dan ook niet volgen dat de vrouw alle kosten voor het gezin in deze betreffende periode heeft voldaan. Indien de vrouw meent dat de kosten van de door haar betaalde boodschappen zodanig hoog waren dat dat de in natura betaling van de partneralimentatie door de man zou overtreffen, had het op haar weg gelegen daartoe relevante stukken te overleggen. De vrouw heeft dit nagelaten.
Gelet op het voorgaande, is in voldoende mate aannemelijk geworden dat de man in de periode oktober 2022 tot juni 2024 zijn alimentatieverplichting in natura heeft voldaan. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw, ten aanzien van deze periode, dan ook af.
4.3.12.
De rechtbank wijst het zelfstandige (voorwaardelijke) verzoek van de man af, nu de rechtbank het verweer van de man volgt en vaststelt dat hij geen bijdrage verschuldigd is over voornoemde periode. Daarmee vervalt dan ook zijn voorwaardelijke verzoek om de vrouw te veroordelen tot een vergoeding aan de man ter grootte van de overeengekomen bijdrage.
Juni 2024 tot afloop overeenkomst (mei 2037)
4.3.13.
In juni 2024 is de vrouw naar haar eigen woning in [plaats 2] verhuisd. Partijen hebben in de overeenkomst vastgelegd dat de man voor de duur van 18 jaar € 530,- per maand aan partneralimentatie dient te betalen aan de vrouw. Deze periode is, volgens de vrouw, mede gebaseerd op het feit dat de man de aanvullende overwaarde van de woning, te weten € 19.000,-, niet direct aan de vrouw kon betalen. Dit bedrag is dan ook verrekend binnen de overeengekomen partneralimentatie. Volgens de vrouw gelden de bij deze overeenkomst gemaakte afspraken nog steeds, zodat de man gehouden is aan de overeengekomen partneralimentatie.
De man voert aan dat hij bij het ondertekenen van de overeenkomst zich niet bewust was van de wettelijke maatstaven en de wettelijke regeling aangaande partneralimentatie en verzoekt daarom om de wettelijke termijn aan te houden in plaats van de termijn van 18 jaar. Bovendien heeft de vrouw haar behoefte niet aannemelijk gemaakt. De partneralimentatie dient, volgens de man, daarom te worden beëindigd dan wel op nihil te worden gesteld.
- Wijziging termijn
4.3.14.
Zoals hiervoor overwogen wordt van een ieder, en dus ook de man, geacht de wet te kennen. Het standpunt dat de man de gebruikelijke wettelijke termijn niet kende ten tijde van ondertekening, en de overeengekomen partneralimentatie daarom niet voldoet aan de wettelijke maatstaven, volgt de rechtbank daarom niet. Uit de stukken is immers gebleken dat partijen na elke gewijzigde situatie met elkaar in overleg zijn getreden. Deze overleggen en wijzigingen hebben meermaals plaatsgevonden. Uiteindelijk is de overeenkomst van 23 april 2019, wederom door middel van onderling overleg tussen partijen, tot stand gekomen. De rechtbank maakt daaruit op dat de man in voldoende mate heeft begrepen wat de ondertekening van de overeenkomst tot gevolg zou hebben.
Bovendien zijn partijen, bij onderlinge vaststelling, niet gehouden aan de wettelijke termijn. Zoals volgt uit artikel 1:158 BW kunnen partijen bedragen en termijnen onderling overeenkomen.
4.3.15.
Daarnaast blijkt uit artikel 1:401 lid 2 BW dat de tussen partijen overeengekomen termijn ten aanzien van de partneralimentatie enkel kan worden gewijzigd in geval sprake is van zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de man kan worden gevergd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man niet aangetoond dat daarvan sprake is.
- Wijziging bijdrage
4.3.16.
Uit artikel 1:401 lid 1 BW blijkt dat een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Het is voor de rechtbank onduidelijk gebleven op basis van welke financiële gegevens partijen tot het bedrag van € 530,- per maand zijn gekomen. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of het inkomen van de vrouw in de navolgende jaren zodanig is verhoogd en het inkomen van de man zodanig is verlaagd, dat dit een wijziging van omstandigheden betreft en tot een wijziging van de overeengekomen partneralimentatie dient te leiden.
Bovendien acht de rechtbank een bedrag van € 530,- per maand, gelet op de financiële gegevens waarover de rechtbank wel beschikt, niet onredelijk hoog.
4.3.17.
De rechtbank zal het verzoek van de man om de partneralimentatie te beëindigen dan wel op nihil te stellen daarom afwijzen. Dit heeft tot gevolg dat de man gehouden is de overeengekomen partneralimentatie, inclusief de wettelijke indexering, per juni 2024 na te betalen:
2024: wettelijke indexering 6,2% = € 626,15 x 7 maanden (juni tot en met december) = € 4.383,05
2025: wettelijke indexering 6,5% = € 666,85 x 12 maanden = € 8.002,20
2026: wettelijke indexering 4,6% = € 697,53 x 6 maanden (tot en met juni) = € 4.185,20
4.3.18.
Gelet op het voorgaande, dient de man de vrouw over voornoemde periode een bedrag van € 16.571,- na te betalen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in staat zijn om in onderling overleg redelijke afspraken te maken over de betaling van dit resterende bedrag, mogelijk door middel van een betalingsregeling. Ook blijft de man gehouden aan de tussen partijen overeengekomen partneralimentatie die per juli 2026 een bedrag van € 697,53 per maand behelst, en welke jaarlijks met de wettelijke indexering wordt verhoogd. De rechtbank zal dit dan ook vastleggen in de beslissing.
Griffierecht
4.4.
De man stelt dat hij, nu de vrouw de procedure in eerste instantie aanhangig heeft gemaakt bij de verkeerde instantie, € 1.374,- aan griffierechten heeft moeten voldoen in plaats van het bedrag van € 331,- dat geldt bij de familiekamer. Aan de man is daarom € 1.043,- onterecht aan griffierecht opgelegd. De man is hierdoor rechtstreeks en ernstig in zijn belangen geschaad.
4.5.
De vrouw voert aan dat de man de te veel betaalde griffiekosten nog niet terug heeft gekregen van de rechtbank.
4.6.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft € 1.374,- aan griffierecht betaald, zijnde het tarief voor dagvaardingsprocedures. De rechtbank zal dit griffierecht terugboeken tot een bedrag van € 331,-, zijnde het tarief voor onderhavige procedure.
Proceskosten
4.7.
Gelet op de aard van de procedure, en de wederzijdse omvangrijke verzoeken, zal de rechtbank bepalen dat elk van partijen de eigen kosten draagt.
4.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat de man € 866,-, aan de over de periode 2020 tot oktober 2022 na te betalen partneralimentatie, aan de vrouw dient te voldoen;
5.2.
bepaalt dat de man € 16.571,-, aan de over de periode juni 2024 tot juni 2026 na te betalen partneralimentatie, aan de vrouw dient te voldoen;
5.3.
bepaalt dat de man vanaf 1 juli 2026 een bedrag van € 697,53 per maand moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, jaarlijks te vermeerderen met de wettelijke indexering, welke beëindigt per mei 2037;
5.4.
draagt de griffier van het team Handelszaken van de Afdeling Privaatrecht van deze rechtbank op om, voor zover nog niet is voldaan, het door de man betaalde griffierecht naar hem terug te boeken tot een bedrag van € 331,-;
5.5.
bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt;
5.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van der Heijden, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hulskes, griffier, op 2 juni 2026
Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).Het beroep moet worden ingesteld:- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.