Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7861
2026-07-08
Civiel recht; Ondernemingsrecht
C/13/776687
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vordering in verband met het saldo van de cash pool binnen een concern, ingesteld namens de failliete topholding van het concern. Het positieve saldo levert een bewijsvermoeden van een vordering op. Volgens de gedaagde dochterentiteiten is het saldo van de cash pool echter onjuist omdat er drie boekhoudkundige fouten zijn gemaakt. De rechtbank oordeelt dat gedaagden het vermoeden dat het saldo de daadwerkelijke intercompany-verhoudingen weergeeft, voldoende hebben ontzenuwd.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (79.959 tekens)
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/776687 / HA ZA 25-1561
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[eiser] Q.Q.,
kantoorhoudende te [kantoorplaats] , [staat] (Verenigde Staten van Amerika),
in zijn hoedanigheid van curator (Chapter 7 trustee) in het faillissement van [gefailleerde] (hierna: [gefailleerde] ), een vennootschap naar buitenlands recht, gevestigd op de [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de trustee,
advocaat: mr. B.T. Craemer,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
CEVA LOGISTICS FINANCE S.A.S., voorheen CEVA LOGISTICS FINANCE B.V.,
gevestigd te Puteaux (Frankrijk),
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CEVA LOGISTICS HEADOFFICE B.V.,
gevestigd te Hoofddorp,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
CEVA GROUP LIMITED, voorheen CEVA GROUP PLC,
gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna respectievelijk te noemen: CEVA Finance, CEVA Headoffice, CEVA Group, en samen: CEVA c.s.,
advocaat: mr. S.P. Kamerbeek.
1De kern van de zaak en de beslissing
1.1.
[gefailleerde] , de voormalige topholding van het miljardenconcern CEVA, is in 2013 in de Verenigde Staten failliet verklaard. De trustee, de curator van [gefailleerde] , stelt een intercompany-vordering van ruim € 13 miljoen te hebben op drie dochterentiteiten uit het concern (de gedaagde partijen in conventie). De eis ziet hoofdzakelijk op het saldo van cash pools die CEVA Finance voor het concern aanhoudt bij banken, en dan specifiek het saldo van zogenoemde ‘reference accounts’ (rekeningen) die ten behoeve van [gefailleerde] worden aangehouden. De trustee vordert ook betaling van een aan CEVA Headoffice gerichte factuur van bijna € 3 miljoen. CEVA Group wordt aangesproken voor het totaal, omdat zij (in zogenaamde 403-verklaringen) heeft verklaard dat zij als moederbedrijf ook aansprakelijk is voor de schulden van haar dochterondernemingen.
1.2.
CEVA c.s. spreken de eis van de trustee tegen. Volgens hen is het saldo op de reference accounts onjuist, omdat in de administratie van het concern drie boekhoudkundige fouten zijn gemaakt. Deze fouten houden met name verband met de uitvoering van een managementparticipatieplan op grond waarvan aan werknemers van CEVA-entiteiten aandelen en aandelenopties konden worden toegekend. Het werkelijke saldo van de reference accounts is dan ook veel lager en zelfs negatief. CEVA Finance heeft daarmee een tegenvordering op [gefailleerde] . Die tegenvordering bedraagt volgens CEVA c.s. ruim € 23 miljoen.
1.3.
De rechtbank oordeelt dat CEVA c.s. het vermoeden dat het saldo op de reference accounts de daadwerkelijke (financiële) intercompany-verhoudingen weergeeft, voldoende hebben ontzenuwd. Daarom wijst de rechtbank de vordering van de trustee tot uitbetaling van het saldo af. Ook de tegenvordering van CEVA c.s. wordt afgewezen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 december 2025,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 april 2026.
2.2.
Uitspraak is bepaald op vandaag.
3De feiten
Partijen en het CEVA-concern
3.1.
[gefailleerde] was de topholding van CEVA Logistics (hierna ook: het CEVA-concern), een wereldwijd opererend logistiek- en ketenbeheerbedrijf. Het concern bestaat uit een grote hoeveelheid groepsentiteiten, waaronder CEVA c.s. Het concern heeft een miljardenomzet.
3.2.
CEVA Logistics is ontstaan uit het voormalige TNT Logistics, nadat TNT Logistics in 2006 was overgenomen door diverse fondsen die gelieerd zijn aan Apollo Global Management (Apollo), een van 's werelds grootste private equity-investeerders. Vanaf de overname door Apollo tot november 2013 werd het bestuur van [gefailleerde] gevormd door
[naam 1] en [naam 2] , die beiden waren gelieerd aan Apollo.
3.3.
CEVA Group is een houdstermaatschappij binnen het concern, CEVA Finance en CEVA Headoffice zijn werkmaatschappijen. CEVA Finance fungeerde als in-house bank en clearinghouse van het concern.
LTIP
3.4.
Vanaf 2006 heeft [gefailleerde] op initiatief van Apollo een long term incentive plan (LTIP) uitgevoerd, op grond waarvan werknemers van diverse CEVA-entiteiten konden participeren door middel van uitgifte van diverse instrumenten in [gefailleerde] , in grote lijnen onder te verdelen in stock awards (aandelen) en tranches (aandelenopties). De aandelenopties gaven recht op verkrijging (op een later moment) van aandelen in [gefailleerde] . De aandelenopties waren in beginsel onderhevig aan vesting-voorwaarden (verwervingsvoorwaarden).
Het cash pool-systeem en de LCMA
3.5.
CEVA Finance hield bij verschillende banken cash pools aan voor het concern, op basis van (al dan niet door haar rechtsvoorganger) met die banken gesloten cash pool-overeenkomsten. In dat kader heeft CEVA Finance ten behoeve van CEVA-entiteiten die aan de cash pool deelnamen rekeningen geopend of aangemaakt (reference accounts) die beoogden, al dan niet in combinatie met andere reference accounts, de intercompany-balans met de desbetreffende groepsentiteit te reflecteren. In de cash pool-overeenkomsten en de na te noemen LCMA is een exclusieve rechtskeuze voor Nederlands recht en een forumkeuze ten behoeve van de rechtbank Amsterdam opgenomen.
3.6.
Het cash pool-systeem had onder meer als doel het behalen van rentevoordelen. Dankzij dit systeem konden de debet- en creditstanden op de verschillende reference accounts op samengevoegde basis worden beschouwd, waardoor in de relatie tot de bank voor de berekening van rente nog slechts één saldo resteerde.
3.7.
[gefailleerde] was participant in de door CEVA Finance bij Bank Mendes Gans N.V. (BMG)
aangehouden cash pool (hierna: de BMG Reference account).
3.8.
Eind 2007 zijn CEVA Finance en [gefailleerde] een Logistics Cash Management Agreement (LCMA) aangegaan waarin afspraken zijn neergelegd met betrekking tot de BMG Reference account. Artikel 7 van de LCMA luidt, voor zover hier van belang als volgt:
“The balances as reported through the (…) system shall be prima facie evidence of the balance outstanding between CLF B.V. [rb: CEVA Finance] and CI LTD [rb: [gefailleerde] ].”
3.9.
Daarnaast was [gefailleerde] participant in een cash pool aangehouden bij The Royal Bank of Scotland (RBS), waartoe twee reference accounts op naam van [gefailleerde] zijn aangemaakt, één in euro’s en de andere in US-dollars (hierna: de RBS Reference accounts, en samen met de BMG Reference account: de Reference accounts). De cash pool bij RBS was een zogenoemde notional cash pool, wat inhoudt dat er geen werkelijke sub-rekeningen bestonden. Bij de cash pool bij BMG, een zogenoemde fictional cash pool, bestonden die wel echt.
3.10.
Gedurende de deelname van [gefailleerde] aan het cash pool-systeem van CEVA Finance, werden er onder meer boekingen gedaan op de Reference accounts in verband met de aankoop van aandelen en aandelenopties in [gefailleerde] door medewerkers van het concern.
Samenvoeging Reference accounts
3.11.
Doordat RBS in 2016 haar branches in Europa beëindigde was CEVA Finance genoodzaakt de RBS-bankrekeningen over te zetten naar BMG. Ten gevolge hiervan zijn de RBS Reference accounts ook overgezet naar BMG. De RBS Reference accounts bestaan sindsdien dus niet meer.
3.12.
Hierdoor had CEVA Finance twee rekeningen in euro's bij BMG, waarvan één met een negatief saldo (de originele BMG Reference account). Beide accounts in euro’s zijn op 25 mei 2018 samengevoegd.
3.13.
Door de hiervoor beschreven aanpassingen aan de Reference accounts is de situatie nu dat er (nog) twee Reference accounts zijn, beide bij BMG, waarvan één in euro's en één in US dollars. De huidige saldi op die Reference accounts zijn € 10.470.253,83 respectievelijk USD 779.969,68.
De Manual
3.14.
In december 2010 is een group accounting manual (hierna: de Manual) van CEVA Group opgesteld als interne richtlijn om het LTIP in overeenstemming met de International Financial Reporting Standards (IFRS) te verwerken in de financiële verslaggeving. In paragraaf 10.4.8 van de Manual staat dat de met de toekenning van opties samenhangende kosten door [gefailleerde] worden gefactureerd (“recharged”) aan CEVA Headoffice, die de kosten op haar beurt weer factureert aan de CEVA-entiteiten waar de werknemers die de opties toegekend hebben gekregen werkzaam zijn.
3.15.
[gefailleerde] heeft in lijn hiermee steeds jaarlijks facturen voor recharges verstuurd aan CEVA Headoffice, die CEVA Headoffice heeft voldaan door overboeking van de verschuldigde bedragen op de BMG Reference account. Een door [gefailleerde] verstuurde factuur voor € 2.901.633 inzake LTIP-recharges over 2010 is nooit door CEVA Headoffice voldaan.
Reimbursement agreements
3.16.
In de maanden januari en maart 2013 hebben [gefailleerde] en CEVA Group vier reimbursement agreements (hierna: de Reimbursement agreements) gesloten, op grond waarvan CEVA Group of CEVA Finance bedragen aan [gefailleerde] overmaakte voor kosten voor “the hiring of professionals” in het kader van de na te noemen herstructurering. In elk van deze overeenkomsten is een rechtskeuze opgenomen voor het recht van de staat New York .
Herstructurering en aandelenuitgifte
3.17.
In verband met een herstructurering begin april 2013 heeft CEVA Group nieuwe aandelen uitgegeven aan CEVA Holdings LLC, die kort daarvoor was opgericht (hierna: de Aandelenuitgifte). Na de Aandelenuitgifte was het belang van [gefailleerde] in CEVA Group nog slechts 0,01%. De overige 99,99% van de aandelen kwam in handen van CEVA Holdings LLC.
Faillissementsprocedure [gefailleerde] en benoeming trustee
3.18.
Enkele weken later, op 22 april 2013, hebben verschillende schuldeisers bij de bevoegde rechtbank te New York in een Chapter 7 procedure verzocht om het faillissement van [gefailleerde] . Met het verzoek trad naar Amerikaans recht van rechtswege onmiddellijk het faillissement van [gefailleerde] in, met een daaraan gekoppelde zogenoemde ‘automatic stay’, die het voor schuldeisers onmogelijk maakt om vorderingen tegen [gefailleerde] in te stellen, ook buiten de Verenigde Staten. In het kader van de procedure is de trustee als zodanig benoemd.
Afwijzing revindicatievordering in Amerikaanse procedure
3.19.
Op 8 december 2014 heeft de trustee een procedure tegen onder meer CEVA Finance en CEVA Group aanhangig gemaakt bij de rechtbank te New York . In deze procedure heeft de rechtbank te New York zich op 5 januari 2018 onbevoegd verklaard kennis te nemen van vorderingen ter hoogte van circa € 14 miljoen tegen CEVA Finance uit hoofde van bepaalde intercompany-verhoudingen in verband met de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam. Op 18 april 2024 is een ‘Memorandum Decision Resolving Summary Judgment Motions’ gegeven en daarin is 'Count 13', een revindicatievordering van de trustee met betrekking tot het saldo op de Reference accounts, afgewezen. In een formele Order van 2 juli 2024 is Count 13 vervolgens definitief afgewezen. Daarna heeft de trustee de onderhavige zaak, die sinds 2020 had stilgelegen, weer voortgezet.
4Het geschil
in conventie
4.1.
Na wijziging van eis vordert de trustee bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort weergegeven:
Vorderingen 1 tot en met 3:
hoofdelijke veroordeling van CEVA Finance en CEVA Group tot betaling van:
- het actuele saldo (voor zover van een positief saldo sprake is) op de RBS Reference accounts (vordering 1);
- het actuele saldo op de BMG Reference accounts, ten minste € 10.470.253,83 en USD 779.969,68 (vorderingen 2 en 3);
Vordering 4:
hoofdelijke veroordeling van CEVA Headoffice en CEVA Group tot betaling van € 2.901.633,
alles vermeerderd met wettelijke rente, en daarnaast ook hoofdelijke veroordeling van CEVA c.s. in de proceskosten, met wettelijke rente.
De vorderingen zijn integraal weergegeven in bijlage I bij dit vonnis.
4.2.
De trustee stelt daartoe samengevat het volgende. Tussen [gefailleerde] en CEVA c.s. bestaan verschillende intercompany-verhoudingen uit hoofde waarvan de trustee nog bedragen heeft te vorderen, namelijk:
van CEVA Finance
- in de door CEVA Finance ten behoeve van [gefailleerde] geadministreerde cash pools bij BMG en RBS bevinden zich nog aan [gefailleerde] toebehorende gelden; op grond van de cash pool-overeenkomsten dient CEVA Finance de actuele saldi op die accounts te betalen;
van CEVA Headoffice
- de factuur over 2010 van € 2.901.633 inzake het door [gefailleerde] uitgevoerde LTIP is niet voldaan;
van CEVA Group
- CEVA Group is naast CEVA Finance en CEVA Headoffice hoofdelijk aansprakelijk voor het door de trustee gevorderde op grond van twee 403-verklaringen.
4.3.
CEVA c.s. voeren verweer. Zij voeren daartoe samengevat het volgende aan.
4.3.1.
Doordat drie significante fouten (hierna samen: de Fouten, dan wel afzonderlijk: Fout 1, 2 en 3) zijn gemaakt in het administreren van de Reference accounts, reflecteren de saldi niet de onderliggende rechtsverhoudingen. De met de Fouten gemoeide bedragen moeten nog van de Reference accounts worden afgeboekt teneinde de onderliggende rechtsverhoudingen juist te weerspiegelen, althans moet verrekening hiervan met de vorderingen van de trustee plaatsvinden. Dit betekent dat CEVA c.s. per saldo nog een groot bedrag hebben te vorderen van de trustee en dat de vorderingen van de trustee dus moeten worden afgewezen.
4.3.2.
Subsidiair moeten de vorderingen worden afgewezen op grond van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) of de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW). Meer subsidiair vormen de individuele boekhoudkundige fouten afwijzingsgronden voor de desbetreffende vorderingen.
4.3.3.
De vorderingen tegen CEVA Group moeten worden afgewezen, omdat de 403-verklaringen van CEVA Group alleen zien op aansprakelijkheid "voor de uit na 1 januari 2008 gepleegde rechtshandelingen voortvloeiende schulden" van CEVA Head Office en CEVA Finance, en de trustee zich ten aanzien van de vorderingen beroept op de LCMA en het LTIP, die beide dateren van vóór 2008.
in reconventie
4.4.
CEVA c.s. vorderen onder verwijzing naar het verweer in conventie, samengevat:
Primair
Vordering 1
een verklaring voor recht dat de gepretendeerde vorderingen van de trustee, namens [gefailleerde] , door middel van verrekening teniet zijn gegaan;
Vorderingen 2 tot en met 5
een verklaring voor recht dat CEVA Finance een vordering heeft op [gefailleerde] van € 22.894.877,62 (vordering 2) en USD 964.875,32 (vordering 3) telkens te vermeerderen met wettelijke rente en veroordeling van de trustee tot betaling van deze bedragen (vordering 4 en 5);
Subsidiair
Fout 1 (Kapitaalstortingen)
Vorderingen 1 tot en met 4
een verklaring voor recht dat CEVA Finance, althans CEVA Group een vordering heeft op [gefailleerde] van € 20.256.948 uit hoofde van kapitaalstortingen onder het LTIP (vordering 1) en van € 5.127.277 uit hoofde van een onjuiste accumulatie van rente in de Reference accounts over kapitaalstortingen onder het LTIP (vordering 3) telkens te vermeerderen met wettelijke rente en veroordeling van de trustee tot betaling van deze bedragen (vordering 2 en 4);
Fout 2 (Forfeitures)
Vorderingen 5 tot en met 8
een verklaring voor recht dat CEVA Finance, althans CEVA Headoffice, een vordering heeft op [gefailleerde] van € 10.147,528 uit hoofde van vervallen Recharge Payments (“Forfeitures”) (vordering 5) en van € 774.890 uit hoofde van een onjuiste accumulatie van rente in de Reference accounts over vervallen Recharge Payments (Forfeitures) (vordering 7) telkens te vermeerderen met wettelijke rente en veroordeling van de trustee tot betaling van deze bedragen (vordering 6 en 8);
Fout 3 (Reimbursement agreements en accountantskosten)
Vorderingen 9 tot en met 12
een verklaring voor recht dat CEVA Finance, althans CEVA Group, een vordering heeft op [gefailleerde] van USD 1.744.845 uit hoofde van de Reimbursement Agreements (vordering 9) en van EUR 59.000 uit hoofde van voorgeschoten accountantskosten (vordering 11) telkens te vermeerderen met wettelijke rente en veroordeling van de trustee tot betaling van deze bedragen (vordering 10 en 12);
in conventie en in reconventie
Vordering 1
veroordeling van de trustee tot betaling aan CEVA c.s. van gemaakte buitengerechtelijke kosten en CEVA c.s. in de gelegenheid te stellen voorafgaand aan het wijzen van het (eind)vonnis in deze procedure deze kosten bij akte te substantiëren;
Vordering 2
de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De tegenvorderingen zijn integraal weergegeven in bijlage I bij dit vonnis.
4.5.
CEVA c.s. leggen aan de vorderingen de Fouten ten grondslag. CEVA c.s. wensen de in hun ogen juiste schuldpositie van [gefailleerde] ten opzichte van CEVA Finance te laten vaststellen.
4.6.
In aanvulling daarop voeren CEVA c.s. nog het volgende aan. Ten gevolge van de Fouten reflecteerde en reflecteren de Reference accounts (lange tijd) niet de daadwerkelijke intercompany-balans tussen [gefailleerde] en CEVA Finance, waardoor de rente tussen hen onjuist werd berekend. De balansen van de Reference accounts moeten hierop worden aangepast.
4.7.
De trustee voert verweer. De gestelde Fouten in de administratie doen zich niet voor. Er moet worden uitgegaan van het saldo op de Reference accounts. De trustee voert ook een rechtsverwerkings- en verjaringsverweer. De trustee concludeert tot afwijzing van de vorderingen van CEVA c.s..
5De beoordeling
Vorderingen (in conventie) en tegenvorderingen (in reconventie)
Rechtsmacht
5.1.
Vanwege het internationale karakter van deze zaak moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of zij rechtsmacht heeft. Omdat gedaagden zijn verschenen zonder de bevoegdheid van de rechtbank te betwisten, wordt de rechtsmacht van de rechtbank vastgesteld op grond van de stilzwijgende forumkeuze van partijen als bedoeld in artikel 26 lid 1 Brussel I bis. Op grond van dat artikel, dat van toepassing is ongeacht de vestigingsplaats van gedaagden, heeft de rechtbank rechtsmacht om kennis te nemen van de vorderingen van de trustee tegen alle gedaagden. Dit staat tussen partijen ook niet ter discussie.
Toepasselijk recht
5.2.
Daarnaast moet de rechtbank vaststellen door welk recht de vorderingen worden beheerst. Dit wordt vastgesteld aan de hand van artikel 3 lid 1 van de Rome I-verordening dat bepaalt dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen.
Tegenvorderingen (in reconventie) 9 en 10: het recht van de staat New York
5.3.
Tegenvorderingen 9 en 10 worden beheerst door het recht van de staat van New York . Deze beide vorderingen zijn immers gebaseerd op de Reimbursement agreements, en in die overeenkomsten hebben de partijen een rechtskeuze gemaakt voor het recht van de staat van New York , zodat dat recht op grond van artikel 3 lid 1 Rome I op deze vorderingen van toepassing is.
Alle overige vorderingen en tegenvorderingen: Nederlands recht
5.4.
Alle overige vorderingen en tegenvorderingen worden, ook volgens partijen, beheerst door Nederlands recht. In de cash pool-overeenkomsten en de LCMA hebben partijen een rechtskeuze gemaakt voor Nederlands recht. Daarnaast hebben partijen hun stellingen over alle vorderingen en tegenvorderingen gebaseerd op Nederlands recht, zodat sprake is van een rechtskeuze die voldoende duidelijk blijkt uit de omstandigheden van het geval. Dit is ter zitting uitdrukkelijk door partijen bevestigd. Vanwege deze rechtskeuzes is Nederlands recht op grond van artikel 3 lid 1 Rome I op alle overige vorderingen en tegenvorderingen van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling: inleiding
5.5.
Zoals ook volgt uit de feiten die hiervoor zijn weergegeven, is
het CEVA-concern een wereldwijd opererend miljardenconcern bestaande uit vele entiteiten, met destijds aan het aan het hoofd van het concern [gefailleerde] als topholding. Vanwege de grote omvang van het concern, en het internationale en gefragmenteerde karakter van de dienstverlening, waar vaak verschillende concernentiteiten bij betrokken zijn, was de interne financiële boekhouding complex, zoals volgt uit de tweede getuigenverklaring van de CFO van CEVA Group (vanaf augustus 2009), [naam 3] :
“To illustrate the accounting complexities that the CEVA finance and accounting teams faced, please consider the following example: CEVA Thailand picks up freight from a customer for delivery in the Netherlands. CEVA Thailand may use lift trucks, and it may wrap the goods for security in-transit. CEVA Thailand would then purchase capacity on an aircraft or cargo ship and dispatch the freight to the Netherlands. CEVA Thailand would then record an inter-company receivable for the services provided or purchased. Later, typically two to five days by air or several weeks by cargo ship, the goods would be received by CEVA Netherlands. CEVA Netherlands would record a payable to CEVA Thailand then pick up and deliver the shipment. Upon completion, CEVA Netherlands would bill the customer for all services and freight at both origin and destination and collect the entire payment. With more than forty country pairs and a minimum of three freight modes (air, ocean, and truck) there would be thousands of transactions that would require reconciliation each accounting period. While this process has been significantly automated over time, it was almost entirely manual in 2009 (…).”
5.6.
Na de overname van het concern door Apollo in 2006, toen ook het LTIP tot stand kwam, liet de interne financiële boekhouding van het concern te wensen over, wegens gebrek aan gespecialiseerde kennis. In de jaren hierna zijn aanpassingen doorgevoerd. Vanaf augustus 2009 is [naam 3] aangetreden als CFO van CEVA Group. Vanaf zijn aantreden is hij ook de rol van CFO van [gefailleerde] gaan vervullen; eerst feitelijk, omdat [gefailleerde] toen formeel nog geen CFO had, en vanaf april 2012 ook (voor een korte periode) formeel. Als (feitelijk) CFO van zowel CEVA Group als [gefailleerde] was [naam 3] de hoogste financieel verantwoordelijke binnen het gehele concern. Feitelijk fungeerde hij als CFO van het gehele concern. Een en ander volgt uit de tweede getuigenverklaring van [naam 3] en zijn bevestiging ter zitting. De trustee heeft niet weersproken dat [naam 3] feitelijk vanaf augustus 2009 als de hoogste financiële man binnen het concern had te gelden, zodat dit ook voor de rechtbank tot uitgangspunt strekt.
5.7.
Door toedoen van [naam 3] is in 2010 de Manual, een richtlijn voor de interne boekhouding die de IFRS tot uitgangspunt neemt, tot stand gekomen. In deze periode liepen de belangen binnen het concern, en tussen [gefailleerde] en CEVA Group, synchroon.
5.8.
Dit veranderde in de aanloop naar de herstructurering in 2013, toen de financiële situatie van het concern penibel werd en de belangen van [gefailleerde] en de overige CEVA-entiteiten uiteen gingen lopen. De herstructurering was een poging om de schuldenpositie van het concern te verbeteren en zo de activiteiten van het concern voort te kunnen zetten. Het 100% belang van [gefailleerde] in CEVA Group is in verband met de herstructurering sterk verwaterd; na de Aandelenuitgifte had zij nog maar een belang van 0,01%. In die periode en in aanloop naar de faillissementsprocedure werden de (rechts)verhoudingen tussen de entiteiten relevant(er).
5.9.
Tegen deze achtergrond zal de rechtbank eerst de vorderingen in conventie beoordelen.
Vorderingen in conventie
5.10.
De vordering van de trustee namens [gefailleerde] tot betaling van het (positieve) saldo op de Reference accounts zal worden afgewezen. Hiervoor is het volgende redengevend.
Saldo levert bewijsvermoeden op
5.11.
De trustee beroept zich namens [gefailleerde] ter onderbouwing van de vordering tot uitbetaling van de saldi op de LCMA. Uit de LCMA volgt dat CEVA Finance in het kader van de cash pool de BMG Reference account ten behoeve van [gefailleerde] beheerde om de intercompany-verhouding tussen CEVA Finance en [gefailleerde] te reflecteren.
5.12.
Uit de LCMA volgt verder dat [gefailleerde] aan CEVA Finance een volmacht heeft gegeven om betalingen van de ten behoeve van haar ( [gefailleerde] ) gestelde BMG Reference account te verrichten ter voldoening (“settle”) van openstaande intercompany-facturen (“intercompany charges”). Het systeem van de cash pool en de reference accounts ten behoeve van de daaraan deelnemende groepsentiteiten was daarmee ook een systeem van doorlopende verrekening van intercompany-verhoudingen.
5.13.
Een positieve balans op de BMG Reference account leverde een vordering (“payable”) van CEVA Finance aan [gefailleerde] op, en omgekeerd, een negatieve balans een vordering (“payable”) van [gefailleerde] aan CEVA Finance. Een positief saldo op de BMG Reference account indiceert dus een vordering van CEVA Finance aan [gefailleerde] . Daarbij is het saldo op de BMG Reference account prima facie-bewijs van de openstaande balans (intercompany-verhouding) tussen CEVA Finance en [gefailleerde] . Dit is uitdrukkelijk zo bepaald in artikel 7 van de LCMA.
5.14.
Weliswaar zag de LCMA dus alleen op de BMG Reference account, maar tussen partijen staat niet ter discussie – zoals ook [naam 3] in een verklaring bevestigt – dat CEVA Finance met instemming van [gefailleerde] ook binnen de cash pool die zij bij RBS aanhield reference accounts ten behoeve van [gefailleerde] administreerde, de RBS Reference accounts, en dat CEVA Finance deze cash pool op dezelfde wijze beheerde. Dat de cash pool bij RBS een “notional” cash pool was, wat inhield dat er bij die cash pool geen werkelijke sub-rekeningen bestonden, maakt voor het voorgaande geen verschil.
5.15.
Kortom, uit de LCMA volgt het bewijsvermoeden van een vordering van [gefailleerde] op CEVA Finance ter hoogte van het saldo (voor zover positief).
Saldo onjuist vanwege boekhoudkundige fouten
5.16.
Een bewijsvermoeden is weerlegbaar, waarbij voldoende is dat het vermoeden wordt ontzenuwd. Daartoe hebben CEVA c.s. gemotiveerd aangevoerd dat het werkelijke saldo van de onderlinge intercompany-verhouding veel lager en zelfs negatief is.
5.17.
CEVA c.s. hebben aangevoerd dat niet de administratieve boekingen, maar de onderliggende rechtsverhoudingen doorslaggevend zijn voor het bepalen van de werkelijke schuldpositie/vordering van [gefailleerde] ten opzichte van CEVA Finance. CEVA c.s. wijzen ter onderbouwing van hun stelling, dat de saldi een hogere stand weergeven dan de werkelijke onderliggende rechtsverhoudingen (ten tijde van het faillissement) rechtvaardigen, op de Fouten waarop hierna nader zal worden ingegaan.
Fout 1: doorstortverplichting
5.18.
Fout 1 houdt volgens CEVA c.s. in dat de bedragen die door werknemers van CEVA-entiteiten zijn betaald voor de aandelen in [gefailleerde] onder het LITP, op de Reference accounts zijn geboekt als vordering van [gefailleerde] op CEVA Finance, terwijl dit equity-stortingen in CEVA Group hadden moeten zijn. CEVA c.s. hebben toegelicht waarom dit beleid van kapitaalstorting van [gefailleerde] in CEVA Group logisch was.
- Het LTIP had ten doel om de groei en het succes van het gehele concern te bevorderen. Dat werknemers [gefailleerde] -aandelen kregen had als doel dat die werknemers konden profiteren van de waardegroei van het hele concern. De gelden die hiermee werden opgehaald (de stortingen) moesten dan ook worden aangewend ten behoeve van het hele concern.
- Het was onlogisch om liquide middelen te laten staan bij een topholding zonder operationele activiteiten, [gefailleerde] had geen behoefte aan liquide middelen.
- Een reden dat de werknemers participeerden op het niveau van [gefailleerde] was nu juist dat zij participeerden op hetzelfde niveau als de Apollo-fondsen, en zij daarmee gelijklopende belangen hadden. Alle kapitaalstortingen van de Apollo-fondsen zijn doorgestort aan CEVA Group. Daarom diende ook de inleg van werknemers op die manier te worden verwerkt.
5.19.
Deze bedoeling, om meer beschikbaar eigen vermogen in CEVA Group te creëren voor de daadwerkelijke activiteiten binnen het concern, en dus niet voor de topholding, lag volgens CEVA c.s. al ten grondslag aan het LTIP in 2006 en is nog eens bevestigd in een besluit in december 2009 en als instructie uitgegeven binnen het concern. Dat dit beleid niet volgens het besluit en de instructie daadwerkelijk ten uitvoer is gelegd, is vervolgens ontdekt in de aanloop naar de herstructurering in 2013 toen de belangen binnen het concern uiteen gingen lopen. Toen is de fout niet hersteld omdat het concern in zwaar weer verkeerde en andere kwesties meer aandacht behoefden. Door Fout 1 is – zoals uit onderzoek van [naam 3] blijkt – de balans van de Reference accounts € 20.256.948 te hoog.
5.20.
De rechtbank volgt het standpunt van CEVA c.s. Hetgeen CEVA c.s. aanvoeren is overtuigend gemotiveerd en vindt steun in de verklaring van [naam 3] . Zoals vooropgesteld was [naam 3] feitelijk CFO van het concern. Als hoogst en centrale financieel verantwoordelijke bepaalde hij mede het interne financiële beleid van het concern. Vanuit die rol en zijn deskundigheid is hij bij uitstek degene die helderheid kan verschaffen over de gestelde fout.
5.21.
[naam 3] heeft op 30 september 2019 het volgende verklaard:
“The intent had always been that the employees would invest cash for equity in [gefailleerde] and that [gefailleerde] would invest that cash for equity into CEVA Group, since that was its only meaningful asset; [gefailleerde] was a holding company for the holding of all shares in CEVA Group without any further activities. The cash was therefore better used in the CEVA group of companies; there was no reason for [gefailleerde] to be holding cash when that cash could be pushed downstream to fund operations or reduce the leverage in some of the operating companies in order to comply with certain debt instrument covenants. For the exact same reason, the cash capital contributions by Apollo had also been pushed down as equity in the CEVA group of companies.
However, contrary to this intended structure, the investments by employees were not recorded as an equity investment by [gefailleerde] in CEVA, but as an alleged intercompany loan by [gefailleerde] to CEVA (within the cash pooling system of CEVA Finance).
Recording the transaction as a payable to [gefailleerde] was an error that went against instructions that had been provided by CEVA management in 2009 when [gefailleerde] joined the CEVA Finance cash pooling arrangements. In the latter half of 2009, shortly after I first joined the company, [naam 4] , the then-company treasurer, told me about the decision to account for management's stock purchases in [gefailleerde] as equity. At that time, he told me that this decision had not yet been implemented. I asked [naam 4] to work with my accounting team and the legal department to implement this change. I believed that the change was implemented at this time, but I discovered during the 2013 Restructuring that the change was never implemented. I was not altogether surprised by this given that the dollar amounts were small relative to CEVA's nearly €3 billion in debt owed to outside creditors and the amounts related to intercompany (as opposed to third party) transactions. I also believe this error took longer to be identified due to the relatively slow pace at which it accumulated. Individual transactions and annual balance movements typically were below our external auditor's materiality threshold and, as noted earlier, less urgent for internal accounting staff than intercompany accounting between operating freight forwarding entities.”
5.22.
De uitgebreide en gedetailleerde verklaring van [naam 3] en het standpunt van CEVA c.s. worden ook ondersteund door de verklaring van [naam 5] , voormalig werknemer bij Apollo. [naam 5] onderschrijft dat evident sprake is van een boekhoudkundige fout op dit punt. Hij heeft
op 14 januari 2016 het volgende verklaard:
“(…)
Q. So the management shareholders owned stock in CEVA Group PLC?
A. No, they - sorry. The money went down into CEVA Group PLC when they invested, same as our money or anybody's share. I'm talking about A shares before the B transaction. When anyone bought A shares, they gave their money, that money went into the operating company, and they were given shares of [gefailleerde] .
Q. Do you know why the amount of the intercompany between CEVA and [gefailleerde] was listed as a payable on CEVA's financial statements for many years?
A. (…) No idea other than it was a massive mistake by the finance group. And I think it was originally done by a CFO to be fired, which was the CFO before [naam 3] .
Q. And when to your knowledge did anyone realize this supposed massive mistake?
A. Around the time of the restructuring, actually.
(…).”
5.23.
Ook de verklaring van [naam 6] , werknemer bij Apollo, ondersteunt het standpunt van CEVA c.s. [naam 6] heeft op 12 januari 2016 het volgende verklaard:
“So my understanding of the situation is that money that came in as equity into [gefailleerde] which should have been contributed as equity to CEVA group, was not documented necessarily at all and misrepresented on the financial statement, then placed into an account where ultimately it had no documentation really at all as to whether it was debt or equity.”
5.24.
De trustee voert hiertegen aan dat er geen (schriftelijk) besluit uit 2009 is ingebracht waaruit blijkt dat de stortingen zouden worden verwerkt als kapitaalinbreng (equity) in CEVA Group. Met name zou niet uit de stukken blijken dat [gefailleerde] uitdrukkelijk heeft ingestemd met de gestelde afspraak. Dit overtuigt, met name gelet op de uitgebreide verklaring hierover van [naam 3] (die hier nu juist voor het hele concern over ging), niet. Daarbij is van belang dat het besluit uit 2009 enkel zag op bevestiging van reeds bestaand beleid. Dat geen (separaat) schriftelijk document van het besluit uit 2009 is ingebracht laat zich volgens [naam 3] verklaren doordat dit besluit onderdeel werd van (correspondentie over) een veelomvattender schikking met TNT waarvoor geheimhouding is afgesproken. Dat er (ook voor 2009) niet naar de instructie om het beleid uit te voeren is gehandeld en dit dus ook niet in de jaarrekeningen is verwerkt, is niet van doorslaggevend belang gelet op de onderlinge verhouding tussen de entiteiten. De kwestie had toen – begrijpelijk – geen prioriteit. Pas in de aanloop naar de herstructurering in 2013 begonnen de belangen tussen de entiteiten uiteen te lopen en is Fout 1 (en het voortduren daarvan) in de aandacht komen te staan.
5.25.
[naam 3] verklaart hierover in zijn eerste verklaring:
“This was because CEVA only first began to carefully review its intercompany arrangements involving [gefailleerde] in connection with the 2013 Restructuring which contemplated a dilution of [gefailleerde] 's ownership in CEVA. Until that time, CEVA and [gefailleerde] had never been in a meaningfully adversarial position.”
5.26.
[naam 3] heeft in zijn tweede verklaring daarnaast uitgelegd waarom de fout niet is gecorrigeerd in de periode direct volgend op het besluit van 14 december 2009:
“I have recently had the opportunity to review contemporaneous documents, including privileged emails dated December 14, 2009, that confirmed my recollection that both CEVA and [gefailleerde] , including [gefailleerde] director (…) [naam 2] , had agreed to treat the cash that had built up at [gefailleerde] between 2006 and 2009 on account of CEVA employee purchases of [gefailleerde] stock as a capital contribution in CEVA by [gefailleerde] - and to continue contributing all such cash to CEVA Group going forward.
However, just days after the decision had been made, CEVA and [gefailleerde] instead elected to use the cash as part of a “tripartite” settlement of claims with TNT N.V. (…). As a result, the money that [gefailleerde] had collected from CEVA Group employees was used to fund the TNT settlement and was not paid to CEVA Group as a capital contribution. However, there was no change in the agreement that the cash from employee stock purchases should be deemed to be equity contributions in CEVA Group. We simply failed to do so as our focus instead shifted to settling the TNT matter.”
Fout 2: Forfeitures
5.27.
Fout 2 houdt volgens CEVA c.s. in dat bij de boekhoudkundige verwerking van de Tranche opties die werknemers verkregen in het kader van het LITP de voorschriften van IFRS en de Manual niet correct werden nageleefd. Indien duidelijk werd dat Tranche opties niet zouden vesten en vervielen ("forfeitures") vanwege het vertrek van werknemers dan wel het niet behalen van de “performance conditions”, dan diende dit boekhoudkundig te worden geadministreerd door de zogenaamde IFRS Expense en de Recharge Payment parallel te verminderen. Dit diende ook te gebeuren indien de verwachting van het aantal te vesten opties moest worden bijgesteld. Dat de IFRS Expense en de Recharge Payment – gezien de “clear link” tussen deze twee boekingen – parallel moesten worden aangepast in de beide genoemde gevallen, was logisch omdat door het vervallen van de Tranche opties [gefailleerde] ook geen aandelen aan de (voorheen) participerende werknemers hoefde uit te geven en daarmee geen kosten hoefde te verantwoorden. Toch bleven deze aanpassingen achterwege. Daarbij werd door het bedrijf Global Shares, dat de berekeningen voor de transacties op basis van het LITP opstelde, onterecht uitgegaan van de aanname dat sprake was van een “zero forfeiture rate”. Daarnaast werden volgens CEVA c.s. de jaarlijkse vesting van Tranche A opties en de IFRS Expense over 2013 niet goed verwerkt. Door deze fouten tezamen zijn de Reference accounts ten onrechte € 10.147.528 te hoog, aldus steeds CEVA c.s.
5.28.
Ook hier onderschrijft de rechtbank dat de boekhoudkundige verwerking afwijkt van de daadwerkelijke rechtsverhouding tussen partijen. Het standpunt van CEVA c.s. over deze administratieve fout vindt wederom steun in de gedetailleerde verklaring van [naam 3] . Hij heeft hierover op 30 september 2019 het volgende verklaard:
“IFRS accounting rules, which are reflected in CEVA's own internal accounting policies and of which [gefailleerde] had been aware all along, require that a company issuing stock options to employees in exchange for service record a corresponding expense to account for the value of the options provided. (…) Global Shares calculated the fair market value of the stock option awards in accordance with the Black-Scholes Merton model and prepared detailed annual expense spreadsheets reflecting the calculation. CEVA would then book this expense along with an increase in equity as a contribution from [gefailleerde] , and credit a "recharge payment" to [gefailleerde] to offset the equity contribution in accordance with its own internal accounting policy.
Neither the annual expense nor the corresponding recharge payment reflected any adjustment for the possibility that awards might not vest or had not vested. Over the course of the existence of the LTIP (i.e., from November 2006 through April 2013), approximately €15.8 million of these stock option recharge expenses accrued in favor of [gefailleerde] . (…) No such expenses were ever reversed, even after awards failed to vest.
CEVA's accounting in this regard was contrary to both IFRS and its own accounting policy. CEVA's internal accounting policy for stock option expenses was contained in Section 10 of its Group Accounting Manual ("Accounting Manual") titled "Share based payments." This was CEVA's official policy. Of note, Section 10.4.7 contained a section on "forfeitures" which stated that "where a number of individual awards within a larger portfolio of awards are forfeited, the expense is revised to reflect the best available estimate of the number of equity instruments expected to vest. Hence, on a cumulative basis, no expense is recognized for services received if the equity instruments do not vest (e.g. if the employee or counterparty fails to complete a specified service period)." CEVA failed to comply with this policy, as explained in greater detail below.
5.29.
De rechtbank acht van belang dat uit de Manual (de interne richtlijn van CEVA Group) volgt dat (i) de IFRS Expense en de Recharge Payment dienden te worden aangepast voor forfeitures en de (ii) Recharge Payment parallel dient te lopen aan de IFRS Expense. De Manual is door [naam 3] beschreven als “CEVA’s official policy” en deze gaf weer hoe een en ander diende te worden verwerkt als Tranche opties niet zouden vesten.
5.30.
Hoofdstuk 10 van de Manual, gewijd aan Share based payments, luidt (met een aantal keer een onderstreping van de rechtbank) als volgt:
“10.4.4. Vesting Conditions
Conditions that must be satisfied before the employee becomes unconditionally entitled to the equity instruments it has been granted are referred to as vesting conditions. Vesting conditions are the conditions that determine whether CEVA receives the services that entitle the employee to receive equity instruments of the Group under a share-based payment arrangement.
Vesting conditions are either:
(a) Service conditions; or
(b) Performance conditions.
Service conditions require the employee to complete a specified period of service. Performance conditions require the employee to complete a specified period of service and specified performance targets to be met (such as a specified increase
in the Group's or entity's profit over a specified period of time). A performance condition might include a market condition.
Any other conditions in a share-based payment transaction, such as requirements to save or a requirement to hold shares, are "non-vesting conditions".
(…)
10.4.7.
Modifications, cancellations, settlements and forfeitures
(…)
Forfeitures
A forfeiture occurs when either a service or a non-market performance condition is not met, as this affects the number of awards that vest. Failures to meet either market conditions or non-vesting conditions are not forfeitures as these are already
taken into account when determining the grant date fair value.
The accounting for forfeitures is different to that of cancellations described in the paragraph above. Forfeiture of a vested award has no accounting implications, unless it results from a post-vesting restriction, which will have been incorporated into the grant date fair value.
Where a number of individual awards within a larger portfolio of awards are forfeited, the expense is revised to reflect the best available estimate of the number of equity instruments expected to vest. Hence, on a cumulative basis, no expense is recognized for services received if the equity instruments do not vest
(…).
10.4.8.
Situation for individual entities within the CEVA Group
(…)
However, this still does not fully cover CEVA's situation, as CEVA Investments Ltd makes a (indirect) recharge to the subsidiaries in respect of share options granted to its subsidiaries' employees. Neither IFRS nor an IFRIC interpretation
addresses how to account for such intra-group payment arrangements for share-based payment transactions.
CEVA concluded, in agreement with its auditors, that an intercompany charge payable by a subsidiary entity should be offset against the capital contribution of the (ultimate) parent entity. We believe that this is particularly appropriate where there is a clear link between the recharge and the share-based payment
.”
5.31.
[naam 3] heeft hierover in 2019 het volgende verklaard:
“Additionally, Section 10.4.8, titled "Situation for individual entities within the CEVA Group," laid out the specific accounting entries to be recognized on CEVA's books. Under this policy, [gefailleerde] , as the parent company issuing the awards, was required to recognize, initially, an increase in equity and an increase in its investment in the CEVA subsidiary which issued the options for the value of the options granted ("IFRS 2 Expense"). It was decided by CEVA, after consultation with its auditors, that [gefailleerde] would then recognize a receivable from CEVA, offsetting the increase in the investment in the subsidiary. This offset was known as a "Recharge Payment." As reflected in the Accounting Manual, it was always contemplated that the amount of the Recharge Payment would exactly offset the underlying IFRS 2 Expense. As a result, in the event that stock option awards failed to vest causing the IFRS 2 Expense to be reduced, the Recharge Payment should correspondingly be reduced.”
5.32.
In maart 2026 heeft [naam 3] in aanvulling hierop het volgende verklaard:
“I can say with confidence as CFO for CEVA Group (and in my capacity as primary person responsible for [gefailleerde] ’s finances and accounting policy) that the IFRS 2 charge and recharge expense were always intended to match. (…)
Although the Group Accounting Manual was not itself put in place until 2010, I am not aware of any other policies on this topic during my tenure at CEVA. To the contrary, the Group Accounting Manual codified the policies and procedures that were already in place.”
5.33.
Taub, een door CEVA c.s. ingeschakelde deskundige op het gebied van financiële verslaggeving, heeft onderschreven dat fouten zijn gemaakt in de boekhoudkundige verwerking van de IFRS Expense en de Recharge Payment onder het LTIP. Zo was volgens Taub in 2011, maar in ieder geval in 2012 en dus voorafgaand aan de herstructurering, volstrekt helder dat de performance condities voor de Tranche opties B en C nooit zouden worden gehaald. Dit had tot aanpassingen moeten leiden.
5.34.
De rechtbank is tegen de hiervoor geschetste achtergrond van oordeel dat de door CEVA c.s. gestelde Fout 2 voldoende steun vindt in de Manual en de verklaring hierover van [naam 3] . Hieruit blijkt wat er had moeten gebeuren in het geval van forfeitures. Wat de trustee hier tegenin heeft gebracht legt onvoldoende gewicht in de schaal. De rapporten van de door hem ingeschakelde deskundigen Brice en Dearman zijn niet van doorslaggevend belang aangezien zij hun standpunt vooral baseren op het uitgangspunt dat (aantoonbare) afspraken tussen de entiteiten over deze kwestie ontbreken en dit volgt de rechtbank gelet op het voorgaande niet. Anders dan [naam 3] hebben Brice en Dearman bovendien geen kennis over de gang van zaken binnen het concern in de tijd dat [naam 3] daar (financieel) aan het roer stond. Hiervoor is al overwogen dat de feitelijke gang van zaken nu juist afweek van wat de afspraak c.q. het beleid was en dat hieraan, begrijpelijk, in de jaren dat de belangen van [gefailleerde] en CEVA Group binnen het concern synchroon liepen, weinig aandacht is besteed.
Bewijsvermoeden van saldo is voldoende ontzenuwd: fout 3 blijft onbesproken
5.35.
Met het voorgaande hebben CEVA c.s. concreet en overtuigend onderbouwd dat de Reference accounts ten behoeve van [gefailleerde] niet de daadwerkelijke intercompany-verhouding met CEVA Finance weergeven. Fout 1 en Fout 2 zijn voorafgaand aan het faillissement van [gefailleerde] ontdekt, maar konden na het faillissement vanwege de automatic stay niet meer worden gecorrigeerd. Het bewijsvermoeden dat het saldo op de Reference accounts de bestaande intercompany-verhouding weergeeft hebben CEVA c.s. hiermee voldoende ontzenuwd.
5.36.
Hetgeen de trustee hiertegen nog in het algemeen heeft aangevoerd maakt dit niet anders. De trustee heeft vooral gewezen op latere omstandigheden, maar die gaan steeds uit van de bestaande, onjuiste (administratieve) situatie, namelijk die waarin de Fouten nog niet zijn gecorrigeerd. Het gaat dan om de omstandigheden dat de Fouten niet blijken uit de verschillende jaarrekeningen van het concern en van de betrokken entiteiten, dat de fouten niet voldoen aan het materialiteitsvereiste voor boekhoudkundige correcties, dat PWC de jaarrekeningen heeft goedgekeurd, en dat de jaarrekeningen tot op heden niet zijn gecorrigeerd.
5.37.
Voor zover de trustee een beroep doet op verjaring treft dit in conventie geen doel. De standpunten van CEVA c.s. zien op het niet bestaan (of teniet gaan door verrekening) van de vorderingen van de trustee. Een beroep op verjaring staat hieraan niet in de weg. Om diezelfde reden wordt ook het standpunt van de trustee dat de automatic stay in de weg staat aan een ‘afboeking’ op de Reference accounts niet gevolgd.
5.38.
CEVA c.s. hebben aangevoerd dat een derde fout (Fout 3) ook nog van invloed is op de intercompany-verhouding. Gelet op de financiële impact die Fout 1 en 2 reeds hebben op de intercompany-verhouding komt de rechtbank aan het bespreken van Fout 3 niet toe. Hierop zal wel nader worden ingegaan bij de beoordeling van de tegenvorderingen van CEVA c.s.
Conclusie: afwijzing vorderingen trustee
5.39.
Slotsom van het voorgaande is dat het ervoor moet worden gehouden dat het saldo van de Reference accounts niet de juiste hoogte van de intercompany-verhouding tussen [gefailleerde] en CEVA Finance weergeeft. Als wordt uitgegaan van de werkelijke onderliggende rechtsverhoudingen (en dus van de situatie waarin de Fouten 1 en 2 zijn gecorrigeerd), waarbij ook rekening is gehouden met de openstaande factuur aan CEVA Headoffice voor de Recharge Payment over 2010, dan is het saldo van de Reference accounts negatief.
5.40.
Het is bij deze stand van zaken aan de trustee om aan te tonen dat [gefailleerde] de gestelde vorderingen op CEVA c.s. heeft. Daarin is hij niet geslaagd. Er is geen aanleiding om de trustee de gelegenheid te geven nader bewijs te leveren, nu hij geen daarop toegesneden concreet bewijsaanbod heeft gedaan.
Vorderingen in reconventie
Primaire vorderingen
5.41.
De primaire vorderingen van CEVA c.s. zullen worden afgewezen. Uit hetgeen in conventie is overwogen volgt dat de onderliggende rechtsverhoudingen doorslaggevend zijn voor de vraag wie een vordering op wie heeft, overeenkomstig het in conventie primair ingenomen standpunt van CEVA c.s. Deze primaire tegenvorderingen van CEVA c.s. gaan echter ervan uit dat “de gepretendeerde vorderingen van de Trustee namens [gefailleerde] [in conventie, rb] door middel van verrekening teniet zijn gegaan”. Die situatie doet zich niet voor, omdat in conventie geen vordering van de trustee is komen vast te staan, zodat ook niet van verrekening met die vordering sprake is of kan zijn.
De subsidiaire vorderingen die door Nederlands recht worden beheerst zijn verjaard
5.42.
Subsidiair vorderen CEVA c.s. om naar aanleiding van de Fouten in rechte vast te stellen dat zij vorderingen hebben op [gefailleerde] , en een veroordeling tot betaling daarvan door de trustee als curator van [gefailleerde] .
5.43.
Er bestaat aanleiding eerst de vorderingen te bespreken die worden beheerst door Nederlands recht (vorderingen 1 tot en met 8, 11 en 12). Voor die vorderingen slaagt namelijk het beroep van de trustee op verjaring. De trustee heeft onweersproken aangevoerd dat de door CEVA c.s. gestelde vorderingen volgens CEVA c.s. zijn ontstaan vóór 13 februari 2013 en pas zijn ingediend bij conclusie van antwoord op 2 oktober 2019. Dat is buiten de verjaringstermijn en de verjaring is niet rechtsgeldig gestuit. CEVA c.s. hebben weliswaar op tal van momenten in de Amerikaanse procedure (schriftelijk) duidelijk gemaakt dat zij de intercompany-vordering betwisten en dat correctie van die vordering zou leiden tot een vordering van CEVA c.s. op [gefailleerde] , maar die mededelingen zijn niet te beschouwen als een geldige stuitingsverklaring naar Nederlands recht van de in deze procedure gestelde vorderingen van CEVA c.s. op [gefailleerde] . Dit betekent dat deze subsidiaire tegenvorderingen zijn verjaard en dus worden afgewezen.
De subsidiaire vorderingen uit hoofde van de Reimbursement agreements
5.44.
De overige subsidiaire tegenvorderingen (vorderingen 9 en 10), die zoals overwogen worden beheerst door het recht van de staat New York , zijn niet verjaard. Deze vorderingen vloeien volgens CEVA c.s. voort uit een aantal Reimbursement agreements die CEVA Group heeft gesloten met [gefailleerde] en hierop is, zoals overwogen onder 5.3, het recht van de staat van New York van toepassing. Naar het recht van de staat New York is de verjaring van deze vorderingen van rechtswege gestuit door de faillietverklaring van [gefailleerde] en de daaraan gekoppelde automatic stay.
5.45.
CEVA c.s. willen in rechte zien vastgesteld dat CEVA Finance, althans CEVA Group, recht heeft op een bedrag van € 1.744.845, te vermeerderen met wettelijke rente (vordering 9) en vorderen betaling daarvan (vordering 10). CEVA c.s. stellen daartoe dat bepaalde kosten op grond van vier Reimbursement agreements tussen [gefailleerde] en CEVA Group zijn voorgeschoten door CEVA Group en/of CEVA Finance. Het gaat kort gezegd om kosten voor "the hiring of professionals” in het kader van de Herstructurering in 2013. Het totaal van deze voorschotten is USD 1.744.845.
5.46.
In drie van de vier Reimbursement agreements is de volgende steeds nagenoeg gelijkluidende offset-bepaling opgenomen:
“Offset. To the extent, if any, that amounts are presently due from any CEVA Entity
to [gefailleerde] on account of any debt or obligation of any nature, the delivery of the Funds
hereunder (and the delivery of all of the Total Funds) shall constitute (i) an irrevocable payment to [gefailleerde] , in the amount of the Total Funds, on account of such obligations, which shall be applied by [gefailleerde] in its discretion, and (ii) a corresponding reduction of such obligations owing from any CEVA Entity to [gefailleerde] .”
5.47.
In een van de vier Reimbursement agreements die ziet op een bedrag van USD 50.000 staat deze bepaling niet.
5.48.
CEVA c.s. voeren aan dat op grond van de offset-bepaling in de overeenkomsten de voorschotten vergoed/gerestitueerd dienden te worden door [gefailleerde] en dat dit zou plaatsvinden door middel van afboeking van de Reference accounts. De rechtbank volgt echter de lezing van de trustee dat de offset-bepaling geen zelfstandige terugbetalingsverplichting door [gefailleerde] bevat. Deze bepaling maakt het weliswaar – onder bepaalde omstandigheden – mogelijk dat aan [gefailleerde] ter beschikking gestelde bedragen worden verrekend met nog door CEVA-entiteiten aan [gefailleerde] verschuldigde bedragen, maar verrekening is niet aan de orde nu in conventie geen vordering van [gefailleerde] op CEVA Finance (of een andere CEVA entiteit) is komen vast te staan. De Reimbursement agreements voorzien ook overigens niet in een zelfstandige terugbetalingsverplichting.
5.49.
Bij die stand van zaken kunnen de overige verweren onbesproken blijven, en dus ook het verweer dat toepassing van deze overeengekomen regel in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Conclusie: ook afwijzing vorderingen 9 en 10
5.50.
Het voorgaande betekent dat de door CEVA c.s. gevorderde verklaring voor recht (vordering 9) en de vordering tot betaling van het bedrag USD 1.744.845 (vordering 10) eveneens worden afgewezen.
Buitengerechtelijke kosten
5.51.
Omdat alle tegenvorderingen worden afgewezen, deelt de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten hetzelfde lot.
Proceskosten
in conventie
5.52.
De trustee is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CEVA c.s. worden begroot op:
- griffierecht
€
3.946,00
- salaris advocaat
€
9.262,00
(2 punten × € 4.631,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
13.397,00
in reconventie
5.53.
CEVA c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen, die vanwege de verwevenheid met de conventie worden gehalveerd. De proceskosten van de trustee worden begroot op:
- salaris advocaat
€
4.631,00
(0,5 x 2 punten × € 4.631,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.820,00
5.54.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie en in reconventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen van de trustee af,
6.2.
veroordeelt de trustee in de proceskosten van € 13.397,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.3.
veroordeelt de trustee tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als de trustee niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt de trustee tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in reconventie
6.5.
wijst de vorderingen van CEVA c.s. af,
6.6.
veroordeelt CEVA c.s. in de proceskosten van € 4.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.7.
veroordeelt CEVA c.s. tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als CEVA c.s. niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.8.
veroordeelt CEVA c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in conventie en in reconventie
6.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 tot en met 6.4 en 6.6 tot en met 6.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzitter, mr. S.P. Pompe en mr. R.C.J. Hamming, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026
Bijlage I, het integrale petitum in conventie en in reconventie
In conventie
De trustee vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. CEVA Finance en CEVA Group hoofdelijk veroordeelt om aan de Chapter 7 Trustee te voldoen een bedrag gelijk aan het actuele saldo op de RBS Reference Accounts (indien en voor zover daar van een positief saldo sprake is), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 februari 2013 althans 8 december 2014 althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;
2) CEVA Finance en CEVA Group hoofdelijk veroordeelt om aan de Chapter 7 Trustee te voldoen een bedrag van EUR 10.470.253,83 alsmede - indien en voor zover het huidige saldo van de BMG Euro Account dat bedrag overstijgt - betaling van een bedrag gelijk aan dat meerdere, steeds vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 februari 2013 althans 8 december 2014 althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;
3) CEVA Finance en CEVA Group hoofdelijk veroordeelt om aan de Chapter 7 Trustee te voldoen een bedrag van USD 779.969,68 alsmede - indien en voorzover het huidige saldo van de BMG Dollar Account dat bedrag overstijgt - betaling van een bedrag gelijk aan dat meerdere, steeds vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 februari 2013 althans 8 december 2014 althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;
4) CEVA Headoffice en CEVA Group hoofdelijk veroordeelt om aan de Chapter 7 Trustee te voldoen een bedrag van EUR 2.901.633, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 februari 2013 althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;
5) Gedaagden hoofdelijk veroordeelt om de kosten van dit geding te voldoen binnen zeven dagen na het wijzen van het vonnis, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is.
In reconventie
De vorderingen in reconventie luiden in de bewoordingen van CEVA c.s. als volgt.
Dat het uw rechtbank behage bij vonnis, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
Primair:
1. te verklaren voor recht dat de gepretendeerde vorderingen van de Trustee, namens [gefailleerde] , door middel van verrekening teniet zijn gegaan en daardoor niet bestaan;
2) te verklaren voor recht dat CEVA Finance een vordering heeft op [gefailleerde] ad EUR 22.894.877,62, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
3) te verklaren voor recht dat CEVA Finance een vordering heeft op [gefailleerde] ad USD 964.875,32, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
4) de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen aan CEVA Finance te betalen een bedrag ad EUR 22.894.877,62, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
5) de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen aan CEVA Finance te betalen een bedrag ad USD 964.875,32, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
Subsidiair:
Fout 1 (Kapitaalstortingen):
1. te verklaren voor recht dat CEVA Finance, althans CEVA Group, een vordering heeft op [gefailleerde] ad EUR 20.256.948 uit hoofde van kapitaalstortingen onder het LTIP (Fout 1), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
2) de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen aan CEVA Finance, althans CEVA Group, te betalen een bedrag ad EUR 20.256.948 uit hoofde van kapitaalstortingen onder het LTIP (Fout 1), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum te bepalen datum van deze conclusie van antwoord tevens van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
3) te verklaren voor recht dat CEVA Finance, althans CEVA Group, een vordering heeft op [gefailleerde] ad EUR 5.127.277 uit hoofde van een onjuiste accumulatie van rente in de Reference accounts over kapitaalstortingen onder het LTIP (Fout 1), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
4) de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen aan CEVA Finance, althans CEVA Group, te betalen een bedrag EUR 5.127.277 uit hoofde van een onjuiste accumulatie van rente in de Reference accounts over kapitaalstortingen onder het LTIP (Fout 1), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
Fout 2 (Forfeitures):
5) te verklaren voor recht dat CEVA Finance, althans CEVA Headoffice, een vordering heeft op [gefailleerde] ad EUR 10,147,528 uit hoofde van vervallen Recharge Payments (Forfeitures) (Fout 2), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
6) de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen aan CEVA Finance, althans CEVA Headoffice, te betalen een bedrag ad EUR 10,147,528 uit hoofde van vervallen Recharge Payments (Forfeitures) (Fout 2), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
7) te verklaren voor recht dat CEVA Finance, althans CEVA Headoffice, een vordering heeft op [gefailleerde] ad EUR 774.890 uit hoofde van een onjuiste accumulatie van rente in de Reference accounts over vervallen Recharge Payments (Forfeitures) (Fout 2), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
8) de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen aan CEVA Finance, althans CEVA Headoffice, te betalen een bedrag ad EUR 774.890 uit hoofde van een onjuiste accumulatie van rente in de Reference accounts over vervallen Recharge Payments (Forfeitures)(Fout 2), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
Fout 3 (Reimbursement agreements en accountantskosten):
9) te verklaren voor recht dat CEVA Finance, althans CEVA Group, een vordering heeft op [gefailleerde] ad USD 1.744.845 uit hoofde van de Reimbursement Agreements (Fout 3), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 maart 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
10) de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen aan CEVA Finance, althans CEVA Group, te betalen een bedrag ad USD 1.744.845 uit hoofde van de Reimbursement Agreements (Fout 3), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 maart 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
11) te verklaren voor recht dat CEVA Finance, althans CEVA Group, een vordering heeft op [gefailleerde] ad EUR 59.000 uit hoofde van voorgeschoten accountantskosten (Fout 3), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 maart 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
12) de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen aan CEVA Finance, althans CEVA Group, te betalen een bedrag ad EUR 59.000 uit hoofde van voorgeschoten accountantskosten (Fout 3), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 maart 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
In conventie en in reconventie
1. de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen aan CEVA c.s. te betalen de door CEVA c.s. gemaakte buitengerechtelijke kosten en CEVA c.s. in de gelegenheid te stellen voorafgaand aan het wijzen van het (eind)vonnis in deze procedure deze kosten bij akte te substantiëren;
2) de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen in de kosten van het geding, inclusief eventuele nakosten (in conventie en in reconventie), met de toevoeging dat de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , vanaf de achtste dag na betekening wettelijke rente verschuldigd is tot aan de dag van algehele voldoening.
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1
Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I-Verordening)
Toelichting IFRS Expense: Entiteiten die IFRS toepassen zijn verplicht om share-based payment transactions in hun financiële verslaggeving op te nemen. Een entiteit dient de ontvangen werkzaamheden of goederen in principe te verwerken “when it obtains the goods or as the services are received." De entiteit dient op het moment dat de werkzaamheden of goederen worden ontvangen hiervoor kosten te nemen in de winst- en verliesrekening, welke kosten worden gefinancierd door een verhoging van het eigen vermogen (equity) op de balans.
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/776687 / HA ZA 25-1561
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[eiser] Q.Q.,
kantoorhoudende te [kantoorplaats] , [staat] (Verenigde Staten van Amerika),
in zijn hoedanigheid van curator (Chapter 7 trustee) in het faillissement van [gefailleerde] (hierna: [gefailleerde] ), een vennootschap naar buitenlands recht, gevestigd op de [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de trustee,
advocaat: mr. B.T. Craemer,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
CEVA LOGISTICS FINANCE S.A.S., voorheen CEVA LOGISTICS FINANCE B.V.,
gevestigd te Puteaux (Frankrijk),
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CEVA LOGISTICS HEADOFFICE B.V.,
gevestigd te Hoofddorp,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
CEVA GROUP LIMITED, voorheen CEVA GROUP PLC,
gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna respectievelijk te noemen: CEVA Finance, CEVA Headoffice, CEVA Group, en samen: CEVA c.s.,
advocaat: mr. S.P. Kamerbeek.
1De kern van de zaak en de beslissing
1.1.
[gefailleerde] , de voormalige topholding van het miljardenconcern CEVA, is in 2013 in de Verenigde Staten failliet verklaard. De trustee, de curator van [gefailleerde] , stelt een intercompany-vordering van ruim € 13 miljoen te hebben op drie dochterentiteiten uit het concern (de gedaagde partijen in conventie). De eis ziet hoofdzakelijk op het saldo van cash pools die CEVA Finance voor het concern aanhoudt bij banken, en dan specifiek het saldo van zogenoemde ‘reference accounts’ (rekeningen) die ten behoeve van [gefailleerde] worden aangehouden. De trustee vordert ook betaling van een aan CEVA Headoffice gerichte factuur van bijna € 3 miljoen. CEVA Group wordt aangesproken voor het totaal, omdat zij (in zogenaamde 403-verklaringen) heeft verklaard dat zij als moederbedrijf ook aansprakelijk is voor de schulden van haar dochterondernemingen.
1.2.
CEVA c.s. spreken de eis van de trustee tegen. Volgens hen is het saldo op de reference accounts onjuist, omdat in de administratie van het concern drie boekhoudkundige fouten zijn gemaakt. Deze fouten houden met name verband met de uitvoering van een managementparticipatieplan op grond waarvan aan werknemers van CEVA-entiteiten aandelen en aandelenopties konden worden toegekend. Het werkelijke saldo van de reference accounts is dan ook veel lager en zelfs negatief. CEVA Finance heeft daarmee een tegenvordering op [gefailleerde] . Die tegenvordering bedraagt volgens CEVA c.s. ruim € 23 miljoen.
1.3.
De rechtbank oordeelt dat CEVA c.s. het vermoeden dat het saldo op de reference accounts de daadwerkelijke (financiële) intercompany-verhoudingen weergeeft, voldoende hebben ontzenuwd. Daarom wijst de rechtbank de vordering van de trustee tot uitbetaling van het saldo af. Ook de tegenvordering van CEVA c.s. wordt afgewezen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 december 2025,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 april 2026.
2.2.
Uitspraak is bepaald op vandaag.
3De feiten
Partijen en het CEVA-concern
3.1.
[gefailleerde] was de topholding van CEVA Logistics (hierna ook: het CEVA-concern), een wereldwijd opererend logistiek- en ketenbeheerbedrijf. Het concern bestaat uit een grote hoeveelheid groepsentiteiten, waaronder CEVA c.s. Het concern heeft een miljardenomzet.
3.2.
CEVA Logistics is ontstaan uit het voormalige TNT Logistics, nadat TNT Logistics in 2006 was overgenomen door diverse fondsen die gelieerd zijn aan Apollo Global Management (Apollo), een van 's werelds grootste private equity-investeerders. Vanaf de overname door Apollo tot november 2013 werd het bestuur van [gefailleerde] gevormd door
[naam 1] en [naam 2] , die beiden waren gelieerd aan Apollo.
3.3.
CEVA Group is een houdstermaatschappij binnen het concern, CEVA Finance en CEVA Headoffice zijn werkmaatschappijen. CEVA Finance fungeerde als in-house bank en clearinghouse van het concern.
LTIP
3.4.
Vanaf 2006 heeft [gefailleerde] op initiatief van Apollo een long term incentive plan (LTIP) uitgevoerd, op grond waarvan werknemers van diverse CEVA-entiteiten konden participeren door middel van uitgifte van diverse instrumenten in [gefailleerde] , in grote lijnen onder te verdelen in stock awards (aandelen) en tranches (aandelenopties). De aandelenopties gaven recht op verkrijging (op een later moment) van aandelen in [gefailleerde] . De aandelenopties waren in beginsel onderhevig aan vesting-voorwaarden (verwervingsvoorwaarden).
Het cash pool-systeem en de LCMA
3.5.
CEVA Finance hield bij verschillende banken cash pools aan voor het concern, op basis van (al dan niet door haar rechtsvoorganger) met die banken gesloten cash pool-overeenkomsten. In dat kader heeft CEVA Finance ten behoeve van CEVA-entiteiten die aan de cash pool deelnamen rekeningen geopend of aangemaakt (reference accounts) die beoogden, al dan niet in combinatie met andere reference accounts, de intercompany-balans met de desbetreffende groepsentiteit te reflecteren. In de cash pool-overeenkomsten en de na te noemen LCMA is een exclusieve rechtskeuze voor Nederlands recht en een forumkeuze ten behoeve van de rechtbank Amsterdam opgenomen.
3.6.
Het cash pool-systeem had onder meer als doel het behalen van rentevoordelen. Dankzij dit systeem konden de debet- en creditstanden op de verschillende reference accounts op samengevoegde basis worden beschouwd, waardoor in de relatie tot de bank voor de berekening van rente nog slechts één saldo resteerde.
3.7.
[gefailleerde] was participant in de door CEVA Finance bij Bank Mendes Gans N.V. (BMG)
aangehouden cash pool (hierna: de BMG Reference account).
3.8.
Eind 2007 zijn CEVA Finance en [gefailleerde] een Logistics Cash Management Agreement (LCMA) aangegaan waarin afspraken zijn neergelegd met betrekking tot de BMG Reference account. Artikel 7 van de LCMA luidt, voor zover hier van belang als volgt:
“The balances as reported through the (…) system shall be prima facie evidence of the balance outstanding between CLF B.V. [rb: CEVA Finance] and CI LTD [rb: [gefailleerde] ].”
3.9.
Daarnaast was [gefailleerde] participant in een cash pool aangehouden bij The Royal Bank of Scotland (RBS), waartoe twee reference accounts op naam van [gefailleerde] zijn aangemaakt, één in euro’s en de andere in US-dollars (hierna: de RBS Reference accounts, en samen met de BMG Reference account: de Reference accounts). De cash pool bij RBS was een zogenoemde notional cash pool, wat inhoudt dat er geen werkelijke sub-rekeningen bestonden. Bij de cash pool bij BMG, een zogenoemde fictional cash pool, bestonden die wel echt.
3.10.
Gedurende de deelname van [gefailleerde] aan het cash pool-systeem van CEVA Finance, werden er onder meer boekingen gedaan op de Reference accounts in verband met de aankoop van aandelen en aandelenopties in [gefailleerde] door medewerkers van het concern.
Samenvoeging Reference accounts
3.11.
Doordat RBS in 2016 haar branches in Europa beëindigde was CEVA Finance genoodzaakt de RBS-bankrekeningen over te zetten naar BMG. Ten gevolge hiervan zijn de RBS Reference accounts ook overgezet naar BMG. De RBS Reference accounts bestaan sindsdien dus niet meer.
3.12.
Hierdoor had CEVA Finance twee rekeningen in euro's bij BMG, waarvan één met een negatief saldo (de originele BMG Reference account). Beide accounts in euro’s zijn op 25 mei 2018 samengevoegd.
3.13.
Door de hiervoor beschreven aanpassingen aan de Reference accounts is de situatie nu dat er (nog) twee Reference accounts zijn, beide bij BMG, waarvan één in euro's en één in US dollars. De huidige saldi op die Reference accounts zijn € 10.470.253,83 respectievelijk USD 779.969,68.
De Manual
3.14.
In december 2010 is een group accounting manual (hierna: de Manual) van CEVA Group opgesteld als interne richtlijn om het LTIP in overeenstemming met de International Financial Reporting Standards (IFRS) te verwerken in de financiële verslaggeving. In paragraaf 10.4.8 van de Manual staat dat de met de toekenning van opties samenhangende kosten door [gefailleerde] worden gefactureerd (“recharged”) aan CEVA Headoffice, die de kosten op haar beurt weer factureert aan de CEVA-entiteiten waar de werknemers die de opties toegekend hebben gekregen werkzaam zijn.
3.15.
[gefailleerde] heeft in lijn hiermee steeds jaarlijks facturen voor recharges verstuurd aan CEVA Headoffice, die CEVA Headoffice heeft voldaan door overboeking van de verschuldigde bedragen op de BMG Reference account. Een door [gefailleerde] verstuurde factuur voor € 2.901.633 inzake LTIP-recharges over 2010 is nooit door CEVA Headoffice voldaan.
Reimbursement agreements
3.16.
In de maanden januari en maart 2013 hebben [gefailleerde] en CEVA Group vier reimbursement agreements (hierna: de Reimbursement agreements) gesloten, op grond waarvan CEVA Group of CEVA Finance bedragen aan [gefailleerde] overmaakte voor kosten voor “the hiring of professionals” in het kader van de na te noemen herstructurering. In elk van deze overeenkomsten is een rechtskeuze opgenomen voor het recht van de staat New York .
Herstructurering en aandelenuitgifte
3.17.
In verband met een herstructurering begin april 2013 heeft CEVA Group nieuwe aandelen uitgegeven aan CEVA Holdings LLC, die kort daarvoor was opgericht (hierna: de Aandelenuitgifte). Na de Aandelenuitgifte was het belang van [gefailleerde] in CEVA Group nog slechts 0,01%. De overige 99,99% van de aandelen kwam in handen van CEVA Holdings LLC.
Faillissementsprocedure [gefailleerde] en benoeming trustee
3.18.
Enkele weken later, op 22 april 2013, hebben verschillende schuldeisers bij de bevoegde rechtbank te New York in een Chapter 7 procedure verzocht om het faillissement van [gefailleerde] . Met het verzoek trad naar Amerikaans recht van rechtswege onmiddellijk het faillissement van [gefailleerde] in, met een daaraan gekoppelde zogenoemde ‘automatic stay’, die het voor schuldeisers onmogelijk maakt om vorderingen tegen [gefailleerde] in te stellen, ook buiten de Verenigde Staten. In het kader van de procedure is de trustee als zodanig benoemd.
Afwijzing revindicatievordering in Amerikaanse procedure
3.19.
Op 8 december 2014 heeft de trustee een procedure tegen onder meer CEVA Finance en CEVA Group aanhangig gemaakt bij de rechtbank te New York . In deze procedure heeft de rechtbank te New York zich op 5 januari 2018 onbevoegd verklaard kennis te nemen van vorderingen ter hoogte van circa € 14 miljoen tegen CEVA Finance uit hoofde van bepaalde intercompany-verhoudingen in verband met de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam. Op 18 april 2024 is een ‘Memorandum Decision Resolving Summary Judgment Motions’ gegeven en daarin is 'Count 13', een revindicatievordering van de trustee met betrekking tot het saldo op de Reference accounts, afgewezen. In een formele Order van 2 juli 2024 is Count 13 vervolgens definitief afgewezen. Daarna heeft de trustee de onderhavige zaak, die sinds 2020 had stilgelegen, weer voortgezet.
4Het geschil
in conventie
4.1.
Na wijziging van eis vordert de trustee bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort weergegeven:
Vorderingen 1 tot en met 3:
hoofdelijke veroordeling van CEVA Finance en CEVA Group tot betaling van:
- het actuele saldo (voor zover van een positief saldo sprake is) op de RBS Reference accounts (vordering 1);
- het actuele saldo op de BMG Reference accounts, ten minste € 10.470.253,83 en USD 779.969,68 (vorderingen 2 en 3);
Vordering 4:
hoofdelijke veroordeling van CEVA Headoffice en CEVA Group tot betaling van € 2.901.633,
alles vermeerderd met wettelijke rente, en daarnaast ook hoofdelijke veroordeling van CEVA c.s. in de proceskosten, met wettelijke rente.
De vorderingen zijn integraal weergegeven in bijlage I bij dit vonnis.
4.2.
De trustee stelt daartoe samengevat het volgende. Tussen [gefailleerde] en CEVA c.s. bestaan verschillende intercompany-verhoudingen uit hoofde waarvan de trustee nog bedragen heeft te vorderen, namelijk:
van CEVA Finance
- in de door CEVA Finance ten behoeve van [gefailleerde] geadministreerde cash pools bij BMG en RBS bevinden zich nog aan [gefailleerde] toebehorende gelden; op grond van de cash pool-overeenkomsten dient CEVA Finance de actuele saldi op die accounts te betalen;
van CEVA Headoffice
- de factuur over 2010 van € 2.901.633 inzake het door [gefailleerde] uitgevoerde LTIP is niet voldaan;
van CEVA Group
- CEVA Group is naast CEVA Finance en CEVA Headoffice hoofdelijk aansprakelijk voor het door de trustee gevorderde op grond van twee 403-verklaringen.
4.3.
CEVA c.s. voeren verweer. Zij voeren daartoe samengevat het volgende aan.
4.3.1.
Doordat drie significante fouten (hierna samen: de Fouten, dan wel afzonderlijk: Fout 1, 2 en 3) zijn gemaakt in het administreren van de Reference accounts, reflecteren de saldi niet de onderliggende rechtsverhoudingen. De met de Fouten gemoeide bedragen moeten nog van de Reference accounts worden afgeboekt teneinde de onderliggende rechtsverhoudingen juist te weerspiegelen, althans moet verrekening hiervan met de vorderingen van de trustee plaatsvinden. Dit betekent dat CEVA c.s. per saldo nog een groot bedrag hebben te vorderen van de trustee en dat de vorderingen van de trustee dus moeten worden afgewezen.
4.3.2.
Subsidiair moeten de vorderingen worden afgewezen op grond van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) of de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW). Meer subsidiair vormen de individuele boekhoudkundige fouten afwijzingsgronden voor de desbetreffende vorderingen.
4.3.3.
De vorderingen tegen CEVA Group moeten worden afgewezen, omdat de 403-verklaringen van CEVA Group alleen zien op aansprakelijkheid "voor de uit na 1 januari 2008 gepleegde rechtshandelingen voortvloeiende schulden" van CEVA Head Office en CEVA Finance, en de trustee zich ten aanzien van de vorderingen beroept op de LCMA en het LTIP, die beide dateren van vóór 2008.
in reconventie
4.4.
CEVA c.s. vorderen onder verwijzing naar het verweer in conventie, samengevat:
Primair
Vordering 1
een verklaring voor recht dat de gepretendeerde vorderingen van de trustee, namens [gefailleerde] , door middel van verrekening teniet zijn gegaan;
Vorderingen 2 tot en met 5
een verklaring voor recht dat CEVA Finance een vordering heeft op [gefailleerde] van € 22.894.877,62 (vordering 2) en USD 964.875,32 (vordering 3) telkens te vermeerderen met wettelijke rente en veroordeling van de trustee tot betaling van deze bedragen (vordering 4 en 5);
Subsidiair
Fout 1 (Kapitaalstortingen)
Vorderingen 1 tot en met 4
een verklaring voor recht dat CEVA Finance, althans CEVA Group een vordering heeft op [gefailleerde] van € 20.256.948 uit hoofde van kapitaalstortingen onder het LTIP (vordering 1) en van € 5.127.277 uit hoofde van een onjuiste accumulatie van rente in de Reference accounts over kapitaalstortingen onder het LTIP (vordering 3) telkens te vermeerderen met wettelijke rente en veroordeling van de trustee tot betaling van deze bedragen (vordering 2 en 4);
Fout 2 (Forfeitures)
Vorderingen 5 tot en met 8
een verklaring voor recht dat CEVA Finance, althans CEVA Headoffice, een vordering heeft op [gefailleerde] van € 10.147,528 uit hoofde van vervallen Recharge Payments (“Forfeitures”) (vordering 5) en van € 774.890 uit hoofde van een onjuiste accumulatie van rente in de Reference accounts over vervallen Recharge Payments (Forfeitures) (vordering 7) telkens te vermeerderen met wettelijke rente en veroordeling van de trustee tot betaling van deze bedragen (vordering 6 en 8);
Fout 3 (Reimbursement agreements en accountantskosten)
Vorderingen 9 tot en met 12
een verklaring voor recht dat CEVA Finance, althans CEVA Group, een vordering heeft op [gefailleerde] van USD 1.744.845 uit hoofde van de Reimbursement Agreements (vordering 9) en van EUR 59.000 uit hoofde van voorgeschoten accountantskosten (vordering 11) telkens te vermeerderen met wettelijke rente en veroordeling van de trustee tot betaling van deze bedragen (vordering 10 en 12);
in conventie en in reconventie
Vordering 1
veroordeling van de trustee tot betaling aan CEVA c.s. van gemaakte buitengerechtelijke kosten en CEVA c.s. in de gelegenheid te stellen voorafgaand aan het wijzen van het (eind)vonnis in deze procedure deze kosten bij akte te substantiëren;
Vordering 2
de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De tegenvorderingen zijn integraal weergegeven in bijlage I bij dit vonnis.
4.5.
CEVA c.s. leggen aan de vorderingen de Fouten ten grondslag. CEVA c.s. wensen de in hun ogen juiste schuldpositie van [gefailleerde] ten opzichte van CEVA Finance te laten vaststellen.
4.6.
In aanvulling daarop voeren CEVA c.s. nog het volgende aan. Ten gevolge van de Fouten reflecteerde en reflecteren de Reference accounts (lange tijd) niet de daadwerkelijke intercompany-balans tussen [gefailleerde] en CEVA Finance, waardoor de rente tussen hen onjuist werd berekend. De balansen van de Reference accounts moeten hierop worden aangepast.
4.7.
De trustee voert verweer. De gestelde Fouten in de administratie doen zich niet voor. Er moet worden uitgegaan van het saldo op de Reference accounts. De trustee voert ook een rechtsverwerkings- en verjaringsverweer. De trustee concludeert tot afwijzing van de vorderingen van CEVA c.s..
5De beoordeling
Vorderingen (in conventie) en tegenvorderingen (in reconventie)
Rechtsmacht
5.1.
Vanwege het internationale karakter van deze zaak moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of zij rechtsmacht heeft. Omdat gedaagden zijn verschenen zonder de bevoegdheid van de rechtbank te betwisten, wordt de rechtsmacht van de rechtbank vastgesteld op grond van de stilzwijgende forumkeuze van partijen als bedoeld in artikel 26 lid 1 Brussel I bis. Op grond van dat artikel, dat van toepassing is ongeacht de vestigingsplaats van gedaagden, heeft de rechtbank rechtsmacht om kennis te nemen van de vorderingen van de trustee tegen alle gedaagden. Dit staat tussen partijen ook niet ter discussie.
Toepasselijk recht
5.2.
Daarnaast moet de rechtbank vaststellen door welk recht de vorderingen worden beheerst. Dit wordt vastgesteld aan de hand van artikel 3 lid 1 van de Rome I-verordening dat bepaalt dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen.
Tegenvorderingen (in reconventie) 9 en 10: het recht van de staat New York
5.3.
Tegenvorderingen 9 en 10 worden beheerst door het recht van de staat van New York . Deze beide vorderingen zijn immers gebaseerd op de Reimbursement agreements, en in die overeenkomsten hebben de partijen een rechtskeuze gemaakt voor het recht van de staat van New York , zodat dat recht op grond van artikel 3 lid 1 Rome I op deze vorderingen van toepassing is.
Alle overige vorderingen en tegenvorderingen: Nederlands recht
5.4.
Alle overige vorderingen en tegenvorderingen worden, ook volgens partijen, beheerst door Nederlands recht. In de cash pool-overeenkomsten en de LCMA hebben partijen een rechtskeuze gemaakt voor Nederlands recht. Daarnaast hebben partijen hun stellingen over alle vorderingen en tegenvorderingen gebaseerd op Nederlands recht, zodat sprake is van een rechtskeuze die voldoende duidelijk blijkt uit de omstandigheden van het geval. Dit is ter zitting uitdrukkelijk door partijen bevestigd. Vanwege deze rechtskeuzes is Nederlands recht op grond van artikel 3 lid 1 Rome I op alle overige vorderingen en tegenvorderingen van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling: inleiding
5.5.
Zoals ook volgt uit de feiten die hiervoor zijn weergegeven, is
het CEVA-concern een wereldwijd opererend miljardenconcern bestaande uit vele entiteiten, met destijds aan het aan het hoofd van het concern [gefailleerde] als topholding. Vanwege de grote omvang van het concern, en het internationale en gefragmenteerde karakter van de dienstverlening, waar vaak verschillende concernentiteiten bij betrokken zijn, was de interne financiële boekhouding complex, zoals volgt uit de tweede getuigenverklaring van de CFO van CEVA Group (vanaf augustus 2009), [naam 3] :
“To illustrate the accounting complexities that the CEVA finance and accounting teams faced, please consider the following example: CEVA Thailand picks up freight from a customer for delivery in the Netherlands. CEVA Thailand may use lift trucks, and it may wrap the goods for security in-transit. CEVA Thailand would then purchase capacity on an aircraft or cargo ship and dispatch the freight to the Netherlands. CEVA Thailand would then record an inter-company receivable for the services provided or purchased. Later, typically two to five days by air or several weeks by cargo ship, the goods would be received by CEVA Netherlands. CEVA Netherlands would record a payable to CEVA Thailand then pick up and deliver the shipment. Upon completion, CEVA Netherlands would bill the customer for all services and freight at both origin and destination and collect the entire payment. With more than forty country pairs and a minimum of three freight modes (air, ocean, and truck) there would be thousands of transactions that would require reconciliation each accounting period. While this process has been significantly automated over time, it was almost entirely manual in 2009 (…).”
5.6.
Na de overname van het concern door Apollo in 2006, toen ook het LTIP tot stand kwam, liet de interne financiële boekhouding van het concern te wensen over, wegens gebrek aan gespecialiseerde kennis. In de jaren hierna zijn aanpassingen doorgevoerd. Vanaf augustus 2009 is [naam 3] aangetreden als CFO van CEVA Group. Vanaf zijn aantreden is hij ook de rol van CFO van [gefailleerde] gaan vervullen; eerst feitelijk, omdat [gefailleerde] toen formeel nog geen CFO had, en vanaf april 2012 ook (voor een korte periode) formeel. Als (feitelijk) CFO van zowel CEVA Group als [gefailleerde] was [naam 3] de hoogste financieel verantwoordelijke binnen het gehele concern. Feitelijk fungeerde hij als CFO van het gehele concern. Een en ander volgt uit de tweede getuigenverklaring van [naam 3] en zijn bevestiging ter zitting. De trustee heeft niet weersproken dat [naam 3] feitelijk vanaf augustus 2009 als de hoogste financiële man binnen het concern had te gelden, zodat dit ook voor de rechtbank tot uitgangspunt strekt.
5.7.
Door toedoen van [naam 3] is in 2010 de Manual, een richtlijn voor de interne boekhouding die de IFRS tot uitgangspunt neemt, tot stand gekomen. In deze periode liepen de belangen binnen het concern, en tussen [gefailleerde] en CEVA Group, synchroon.
5.8.
Dit veranderde in de aanloop naar de herstructurering in 2013, toen de financiële situatie van het concern penibel werd en de belangen van [gefailleerde] en de overige CEVA-entiteiten uiteen gingen lopen. De herstructurering was een poging om de schuldenpositie van het concern te verbeteren en zo de activiteiten van het concern voort te kunnen zetten. Het 100% belang van [gefailleerde] in CEVA Group is in verband met de herstructurering sterk verwaterd; na de Aandelenuitgifte had zij nog maar een belang van 0,01%. In die periode en in aanloop naar de faillissementsprocedure werden de (rechts)verhoudingen tussen de entiteiten relevant(er).
5.9.
Tegen deze achtergrond zal de rechtbank eerst de vorderingen in conventie beoordelen.
Vorderingen in conventie
5.10.
De vordering van de trustee namens [gefailleerde] tot betaling van het (positieve) saldo op de Reference accounts zal worden afgewezen. Hiervoor is het volgende redengevend.
Saldo levert bewijsvermoeden op
5.11.
De trustee beroept zich namens [gefailleerde] ter onderbouwing van de vordering tot uitbetaling van de saldi op de LCMA. Uit de LCMA volgt dat CEVA Finance in het kader van de cash pool de BMG Reference account ten behoeve van [gefailleerde] beheerde om de intercompany-verhouding tussen CEVA Finance en [gefailleerde] te reflecteren.
5.12.
Uit de LCMA volgt verder dat [gefailleerde] aan CEVA Finance een volmacht heeft gegeven om betalingen van de ten behoeve van haar ( [gefailleerde] ) gestelde BMG Reference account te verrichten ter voldoening (“settle”) van openstaande intercompany-facturen (“intercompany charges”). Het systeem van de cash pool en de reference accounts ten behoeve van de daaraan deelnemende groepsentiteiten was daarmee ook een systeem van doorlopende verrekening van intercompany-verhoudingen.
5.13.
Een positieve balans op de BMG Reference account leverde een vordering (“payable”) van CEVA Finance aan [gefailleerde] op, en omgekeerd, een negatieve balans een vordering (“payable”) van [gefailleerde] aan CEVA Finance. Een positief saldo op de BMG Reference account indiceert dus een vordering van CEVA Finance aan [gefailleerde] . Daarbij is het saldo op de BMG Reference account prima facie-bewijs van de openstaande balans (intercompany-verhouding) tussen CEVA Finance en [gefailleerde] . Dit is uitdrukkelijk zo bepaald in artikel 7 van de LCMA.
5.14.
Weliswaar zag de LCMA dus alleen op de BMG Reference account, maar tussen partijen staat niet ter discussie – zoals ook [naam 3] in een verklaring bevestigt – dat CEVA Finance met instemming van [gefailleerde] ook binnen de cash pool die zij bij RBS aanhield reference accounts ten behoeve van [gefailleerde] administreerde, de RBS Reference accounts, en dat CEVA Finance deze cash pool op dezelfde wijze beheerde. Dat de cash pool bij RBS een “notional” cash pool was, wat inhield dat er bij die cash pool geen werkelijke sub-rekeningen bestonden, maakt voor het voorgaande geen verschil.
5.15.
Kortom, uit de LCMA volgt het bewijsvermoeden van een vordering van [gefailleerde] op CEVA Finance ter hoogte van het saldo (voor zover positief).
Saldo onjuist vanwege boekhoudkundige fouten
5.16.
Een bewijsvermoeden is weerlegbaar, waarbij voldoende is dat het vermoeden wordt ontzenuwd. Daartoe hebben CEVA c.s. gemotiveerd aangevoerd dat het werkelijke saldo van de onderlinge intercompany-verhouding veel lager en zelfs negatief is.
5.17.
CEVA c.s. hebben aangevoerd dat niet de administratieve boekingen, maar de onderliggende rechtsverhoudingen doorslaggevend zijn voor het bepalen van de werkelijke schuldpositie/vordering van [gefailleerde] ten opzichte van CEVA Finance. CEVA c.s. wijzen ter onderbouwing van hun stelling, dat de saldi een hogere stand weergeven dan de werkelijke onderliggende rechtsverhoudingen (ten tijde van het faillissement) rechtvaardigen, op de Fouten waarop hierna nader zal worden ingegaan.
Fout 1: doorstortverplichting
5.18.
Fout 1 houdt volgens CEVA c.s. in dat de bedragen die door werknemers van CEVA-entiteiten zijn betaald voor de aandelen in [gefailleerde] onder het LITP, op de Reference accounts zijn geboekt als vordering van [gefailleerde] op CEVA Finance, terwijl dit equity-stortingen in CEVA Group hadden moeten zijn. CEVA c.s. hebben toegelicht waarom dit beleid van kapitaalstorting van [gefailleerde] in CEVA Group logisch was.
- Het LTIP had ten doel om de groei en het succes van het gehele concern te bevorderen. Dat werknemers [gefailleerde] -aandelen kregen had als doel dat die werknemers konden profiteren van de waardegroei van het hele concern. De gelden die hiermee werden opgehaald (de stortingen) moesten dan ook worden aangewend ten behoeve van het hele concern.
- Het was onlogisch om liquide middelen te laten staan bij een topholding zonder operationele activiteiten, [gefailleerde] had geen behoefte aan liquide middelen.
- Een reden dat de werknemers participeerden op het niveau van [gefailleerde] was nu juist dat zij participeerden op hetzelfde niveau als de Apollo-fondsen, en zij daarmee gelijklopende belangen hadden. Alle kapitaalstortingen van de Apollo-fondsen zijn doorgestort aan CEVA Group. Daarom diende ook de inleg van werknemers op die manier te worden verwerkt.
5.19.
Deze bedoeling, om meer beschikbaar eigen vermogen in CEVA Group te creëren voor de daadwerkelijke activiteiten binnen het concern, en dus niet voor de topholding, lag volgens CEVA c.s. al ten grondslag aan het LTIP in 2006 en is nog eens bevestigd in een besluit in december 2009 en als instructie uitgegeven binnen het concern. Dat dit beleid niet volgens het besluit en de instructie daadwerkelijk ten uitvoer is gelegd, is vervolgens ontdekt in de aanloop naar de herstructurering in 2013 toen de belangen binnen het concern uiteen gingen lopen. Toen is de fout niet hersteld omdat het concern in zwaar weer verkeerde en andere kwesties meer aandacht behoefden. Door Fout 1 is – zoals uit onderzoek van [naam 3] blijkt – de balans van de Reference accounts € 20.256.948 te hoog.
5.20.
De rechtbank volgt het standpunt van CEVA c.s. Hetgeen CEVA c.s. aanvoeren is overtuigend gemotiveerd en vindt steun in de verklaring van [naam 3] . Zoals vooropgesteld was [naam 3] feitelijk CFO van het concern. Als hoogst en centrale financieel verantwoordelijke bepaalde hij mede het interne financiële beleid van het concern. Vanuit die rol en zijn deskundigheid is hij bij uitstek degene die helderheid kan verschaffen over de gestelde fout.
5.21.
[naam 3] heeft op 30 september 2019 het volgende verklaard:
“The intent had always been that the employees would invest cash for equity in [gefailleerde] and that [gefailleerde] would invest that cash for equity into CEVA Group, since that was its only meaningful asset; [gefailleerde] was a holding company for the holding of all shares in CEVA Group without any further activities. The cash was therefore better used in the CEVA group of companies; there was no reason for [gefailleerde] to be holding cash when that cash could be pushed downstream to fund operations or reduce the leverage in some of the operating companies in order to comply with certain debt instrument covenants. For the exact same reason, the cash capital contributions by Apollo had also been pushed down as equity in the CEVA group of companies.
However, contrary to this intended structure, the investments by employees were not recorded as an equity investment by [gefailleerde] in CEVA, but as an alleged intercompany loan by [gefailleerde] to CEVA (within the cash pooling system of CEVA Finance).
Recording the transaction as a payable to [gefailleerde] was an error that went against instructions that had been provided by CEVA management in 2009 when [gefailleerde] joined the CEVA Finance cash pooling arrangements. In the latter half of 2009, shortly after I first joined the company, [naam 4] , the then-company treasurer, told me about the decision to account for management's stock purchases in [gefailleerde] as equity. At that time, he told me that this decision had not yet been implemented. I asked [naam 4] to work with my accounting team and the legal department to implement this change. I believed that the change was implemented at this time, but I discovered during the 2013 Restructuring that the change was never implemented. I was not altogether surprised by this given that the dollar amounts were small relative to CEVA's nearly €3 billion in debt owed to outside creditors and the amounts related to intercompany (as opposed to third party) transactions. I also believe this error took longer to be identified due to the relatively slow pace at which it accumulated. Individual transactions and annual balance movements typically were below our external auditor's materiality threshold and, as noted earlier, less urgent for internal accounting staff than intercompany accounting between operating freight forwarding entities.”
5.22.
De uitgebreide en gedetailleerde verklaring van [naam 3] en het standpunt van CEVA c.s. worden ook ondersteund door de verklaring van [naam 5] , voormalig werknemer bij Apollo. [naam 5] onderschrijft dat evident sprake is van een boekhoudkundige fout op dit punt. Hij heeft
op 14 januari 2016 het volgende verklaard:
“(…)
Q. So the management shareholders owned stock in CEVA Group PLC?
A. No, they - sorry. The money went down into CEVA Group PLC when they invested, same as our money or anybody's share. I'm talking about A shares before the B transaction. When anyone bought A shares, they gave their money, that money went into the operating company, and they were given shares of [gefailleerde] .
Q. Do you know why the amount of the intercompany between CEVA and [gefailleerde] was listed as a payable on CEVA's financial statements for many years?
A. (…) No idea other than it was a massive mistake by the finance group. And I think it was originally done by a CFO to be fired, which was the CFO before [naam 3] .
Q. And when to your knowledge did anyone realize this supposed massive mistake?
A. Around the time of the restructuring, actually.
(…).”
5.23.
Ook de verklaring van [naam 6] , werknemer bij Apollo, ondersteunt het standpunt van CEVA c.s. [naam 6] heeft op 12 januari 2016 het volgende verklaard:
“So my understanding of the situation is that money that came in as equity into [gefailleerde] which should have been contributed as equity to CEVA group, was not documented necessarily at all and misrepresented on the financial statement, then placed into an account where ultimately it had no documentation really at all as to whether it was debt or equity.”
5.24.
De trustee voert hiertegen aan dat er geen (schriftelijk) besluit uit 2009 is ingebracht waaruit blijkt dat de stortingen zouden worden verwerkt als kapitaalinbreng (equity) in CEVA Group. Met name zou niet uit de stukken blijken dat [gefailleerde] uitdrukkelijk heeft ingestemd met de gestelde afspraak. Dit overtuigt, met name gelet op de uitgebreide verklaring hierover van [naam 3] (die hier nu juist voor het hele concern over ging), niet. Daarbij is van belang dat het besluit uit 2009 enkel zag op bevestiging van reeds bestaand beleid. Dat geen (separaat) schriftelijk document van het besluit uit 2009 is ingebracht laat zich volgens [naam 3] verklaren doordat dit besluit onderdeel werd van (correspondentie over) een veelomvattender schikking met TNT waarvoor geheimhouding is afgesproken. Dat er (ook voor 2009) niet naar de instructie om het beleid uit te voeren is gehandeld en dit dus ook niet in de jaarrekeningen is verwerkt, is niet van doorslaggevend belang gelet op de onderlinge verhouding tussen de entiteiten. De kwestie had toen – begrijpelijk – geen prioriteit. Pas in de aanloop naar de herstructurering in 2013 begonnen de belangen tussen de entiteiten uiteen te lopen en is Fout 1 (en het voortduren daarvan) in de aandacht komen te staan.
5.25.
[naam 3] verklaart hierover in zijn eerste verklaring:
“This was because CEVA only first began to carefully review its intercompany arrangements involving [gefailleerde] in connection with the 2013 Restructuring which contemplated a dilution of [gefailleerde] 's ownership in CEVA. Until that time, CEVA and [gefailleerde] had never been in a meaningfully adversarial position.”
5.26.
[naam 3] heeft in zijn tweede verklaring daarnaast uitgelegd waarom de fout niet is gecorrigeerd in de periode direct volgend op het besluit van 14 december 2009:
“I have recently had the opportunity to review contemporaneous documents, including privileged emails dated December 14, 2009, that confirmed my recollection that both CEVA and [gefailleerde] , including [gefailleerde] director (…) [naam 2] , had agreed to treat the cash that had built up at [gefailleerde] between 2006 and 2009 on account of CEVA employee purchases of [gefailleerde] stock as a capital contribution in CEVA by [gefailleerde] - and to continue contributing all such cash to CEVA Group going forward.
However, just days after the decision had been made, CEVA and [gefailleerde] instead elected to use the cash as part of a “tripartite” settlement of claims with TNT N.V. (…). As a result, the money that [gefailleerde] had collected from CEVA Group employees was used to fund the TNT settlement and was not paid to CEVA Group as a capital contribution. However, there was no change in the agreement that the cash from employee stock purchases should be deemed to be equity contributions in CEVA Group. We simply failed to do so as our focus instead shifted to settling the TNT matter.”
Fout 2: Forfeitures
5.27.
Fout 2 houdt volgens CEVA c.s. in dat bij de boekhoudkundige verwerking van de Tranche opties die werknemers verkregen in het kader van het LITP de voorschriften van IFRS en de Manual niet correct werden nageleefd. Indien duidelijk werd dat Tranche opties niet zouden vesten en vervielen ("forfeitures") vanwege het vertrek van werknemers dan wel het niet behalen van de “performance conditions”, dan diende dit boekhoudkundig te worden geadministreerd door de zogenaamde IFRS Expense en de Recharge Payment parallel te verminderen. Dit diende ook te gebeuren indien de verwachting van het aantal te vesten opties moest worden bijgesteld. Dat de IFRS Expense en de Recharge Payment – gezien de “clear link” tussen deze twee boekingen – parallel moesten worden aangepast in de beide genoemde gevallen, was logisch omdat door het vervallen van de Tranche opties [gefailleerde] ook geen aandelen aan de (voorheen) participerende werknemers hoefde uit te geven en daarmee geen kosten hoefde te verantwoorden. Toch bleven deze aanpassingen achterwege. Daarbij werd door het bedrijf Global Shares, dat de berekeningen voor de transacties op basis van het LITP opstelde, onterecht uitgegaan van de aanname dat sprake was van een “zero forfeiture rate”. Daarnaast werden volgens CEVA c.s. de jaarlijkse vesting van Tranche A opties en de IFRS Expense over 2013 niet goed verwerkt. Door deze fouten tezamen zijn de Reference accounts ten onrechte € 10.147.528 te hoog, aldus steeds CEVA c.s.
5.28.
Ook hier onderschrijft de rechtbank dat de boekhoudkundige verwerking afwijkt van de daadwerkelijke rechtsverhouding tussen partijen. Het standpunt van CEVA c.s. over deze administratieve fout vindt wederom steun in de gedetailleerde verklaring van [naam 3] . Hij heeft hierover op 30 september 2019 het volgende verklaard:
“IFRS accounting rules, which are reflected in CEVA's own internal accounting policies and of which [gefailleerde] had been aware all along, require that a company issuing stock options to employees in exchange for service record a corresponding expense to account for the value of the options provided. (…) Global Shares calculated the fair market value of the stock option awards in accordance with the Black-Scholes Merton model and prepared detailed annual expense spreadsheets reflecting the calculation. CEVA would then book this expense along with an increase in equity as a contribution from [gefailleerde] , and credit a "recharge payment" to [gefailleerde] to offset the equity contribution in accordance with its own internal accounting policy.
Neither the annual expense nor the corresponding recharge payment reflected any adjustment for the possibility that awards might not vest or had not vested. Over the course of the existence of the LTIP (i.e., from November 2006 through April 2013), approximately €15.8 million of these stock option recharge expenses accrued in favor of [gefailleerde] . (…) No such expenses were ever reversed, even after awards failed to vest.
CEVA's accounting in this regard was contrary to both IFRS and its own accounting policy. CEVA's internal accounting policy for stock option expenses was contained in Section 10 of its Group Accounting Manual ("Accounting Manual") titled "Share based payments." This was CEVA's official policy. Of note, Section 10.4.7 contained a section on "forfeitures" which stated that "where a number of individual awards within a larger portfolio of awards are forfeited, the expense is revised to reflect the best available estimate of the number of equity instruments expected to vest. Hence, on a cumulative basis, no expense is recognized for services received if the equity instruments do not vest (e.g. if the employee or counterparty fails to complete a specified service period)." CEVA failed to comply with this policy, as explained in greater detail below.
5.29.
De rechtbank acht van belang dat uit de Manual (de interne richtlijn van CEVA Group) volgt dat (i) de IFRS Expense en de Recharge Payment dienden te worden aangepast voor forfeitures en de (ii) Recharge Payment parallel dient te lopen aan de IFRS Expense. De Manual is door [naam 3] beschreven als “CEVA’s official policy” en deze gaf weer hoe een en ander diende te worden verwerkt als Tranche opties niet zouden vesten.
5.30.
Hoofdstuk 10 van de Manual, gewijd aan Share based payments, luidt (met een aantal keer een onderstreping van de rechtbank) als volgt:
“10.4.4. Vesting Conditions
Conditions that must be satisfied before the employee becomes unconditionally entitled to the equity instruments it has been granted are referred to as vesting conditions. Vesting conditions are the conditions that determine whether CEVA receives the services that entitle the employee to receive equity instruments of the Group under a share-based payment arrangement.
Vesting conditions are either:
(a) Service conditions; or
(b) Performance conditions.
Service conditions require the employee to complete a specified period of service. Performance conditions require the employee to complete a specified period of service and specified performance targets to be met (such as a specified increase
in the Group's or entity's profit over a specified period of time). A performance condition might include a market condition.
Any other conditions in a share-based payment transaction, such as requirements to save or a requirement to hold shares, are "non-vesting conditions".
(…)
10.4.7.
Modifications, cancellations, settlements and forfeitures
(…)
Forfeitures
A forfeiture occurs when either a service or a non-market performance condition is not met, as this affects the number of awards that vest. Failures to meet either market conditions or non-vesting conditions are not forfeitures as these are already
taken into account when determining the grant date fair value.
The accounting for forfeitures is different to that of cancellations described in the paragraph above. Forfeiture of a vested award has no accounting implications, unless it results from a post-vesting restriction, which will have been incorporated into the grant date fair value.
Where a number of individual awards within a larger portfolio of awards are forfeited, the expense is revised to reflect the best available estimate of the number of equity instruments expected to vest. Hence, on a cumulative basis, no expense is recognized for services received if the equity instruments do not vest
(…).
10.4.8.
Situation for individual entities within the CEVA Group
(…)
However, this still does not fully cover CEVA's situation, as CEVA Investments Ltd makes a (indirect) recharge to the subsidiaries in respect of share options granted to its subsidiaries' employees. Neither IFRS nor an IFRIC interpretation
addresses how to account for such intra-group payment arrangements for share-based payment transactions.
CEVA concluded, in agreement with its auditors, that an intercompany charge payable by a subsidiary entity should be offset against the capital contribution of the (ultimate) parent entity. We believe that this is particularly appropriate where there is a clear link between the recharge and the share-based payment
.”
5.31.
[naam 3] heeft hierover in 2019 het volgende verklaard:
“Additionally, Section 10.4.8, titled "Situation for individual entities within the CEVA Group," laid out the specific accounting entries to be recognized on CEVA's books. Under this policy, [gefailleerde] , as the parent company issuing the awards, was required to recognize, initially, an increase in equity and an increase in its investment in the CEVA subsidiary which issued the options for the value of the options granted ("IFRS 2 Expense"). It was decided by CEVA, after consultation with its auditors, that [gefailleerde] would then recognize a receivable from CEVA, offsetting the increase in the investment in the subsidiary. This offset was known as a "Recharge Payment." As reflected in the Accounting Manual, it was always contemplated that the amount of the Recharge Payment would exactly offset the underlying IFRS 2 Expense. As a result, in the event that stock option awards failed to vest causing the IFRS 2 Expense to be reduced, the Recharge Payment should correspondingly be reduced.”
5.32.
In maart 2026 heeft [naam 3] in aanvulling hierop het volgende verklaard:
“I can say with confidence as CFO for CEVA Group (and in my capacity as primary person responsible for [gefailleerde] ’s finances and accounting policy) that the IFRS 2 charge and recharge expense were always intended to match. (…)
Although the Group Accounting Manual was not itself put in place until 2010, I am not aware of any other policies on this topic during my tenure at CEVA. To the contrary, the Group Accounting Manual codified the policies and procedures that were already in place.”
5.33.
Taub, een door CEVA c.s. ingeschakelde deskundige op het gebied van financiële verslaggeving, heeft onderschreven dat fouten zijn gemaakt in de boekhoudkundige verwerking van de IFRS Expense en de Recharge Payment onder het LTIP. Zo was volgens Taub in 2011, maar in ieder geval in 2012 en dus voorafgaand aan de herstructurering, volstrekt helder dat de performance condities voor de Tranche opties B en C nooit zouden worden gehaald. Dit had tot aanpassingen moeten leiden.
5.34.
De rechtbank is tegen de hiervoor geschetste achtergrond van oordeel dat de door CEVA c.s. gestelde Fout 2 voldoende steun vindt in de Manual en de verklaring hierover van [naam 3] . Hieruit blijkt wat er had moeten gebeuren in het geval van forfeitures. Wat de trustee hier tegenin heeft gebracht legt onvoldoende gewicht in de schaal. De rapporten van de door hem ingeschakelde deskundigen Brice en Dearman zijn niet van doorslaggevend belang aangezien zij hun standpunt vooral baseren op het uitgangspunt dat (aantoonbare) afspraken tussen de entiteiten over deze kwestie ontbreken en dit volgt de rechtbank gelet op het voorgaande niet. Anders dan [naam 3] hebben Brice en Dearman bovendien geen kennis over de gang van zaken binnen het concern in de tijd dat [naam 3] daar (financieel) aan het roer stond. Hiervoor is al overwogen dat de feitelijke gang van zaken nu juist afweek van wat de afspraak c.q. het beleid was en dat hieraan, begrijpelijk, in de jaren dat de belangen van [gefailleerde] en CEVA Group binnen het concern synchroon liepen, weinig aandacht is besteed.
Bewijsvermoeden van saldo is voldoende ontzenuwd: fout 3 blijft onbesproken
5.35.
Met het voorgaande hebben CEVA c.s. concreet en overtuigend onderbouwd dat de Reference accounts ten behoeve van [gefailleerde] niet de daadwerkelijke intercompany-verhouding met CEVA Finance weergeven. Fout 1 en Fout 2 zijn voorafgaand aan het faillissement van [gefailleerde] ontdekt, maar konden na het faillissement vanwege de automatic stay niet meer worden gecorrigeerd. Het bewijsvermoeden dat het saldo op de Reference accounts de bestaande intercompany-verhouding weergeeft hebben CEVA c.s. hiermee voldoende ontzenuwd.
5.36.
Hetgeen de trustee hiertegen nog in het algemeen heeft aangevoerd maakt dit niet anders. De trustee heeft vooral gewezen op latere omstandigheden, maar die gaan steeds uit van de bestaande, onjuiste (administratieve) situatie, namelijk die waarin de Fouten nog niet zijn gecorrigeerd. Het gaat dan om de omstandigheden dat de Fouten niet blijken uit de verschillende jaarrekeningen van het concern en van de betrokken entiteiten, dat de fouten niet voldoen aan het materialiteitsvereiste voor boekhoudkundige correcties, dat PWC de jaarrekeningen heeft goedgekeurd, en dat de jaarrekeningen tot op heden niet zijn gecorrigeerd.
5.37.
Voor zover de trustee een beroep doet op verjaring treft dit in conventie geen doel. De standpunten van CEVA c.s. zien op het niet bestaan (of teniet gaan door verrekening) van de vorderingen van de trustee. Een beroep op verjaring staat hieraan niet in de weg. Om diezelfde reden wordt ook het standpunt van de trustee dat de automatic stay in de weg staat aan een ‘afboeking’ op de Reference accounts niet gevolgd.
5.38.
CEVA c.s. hebben aangevoerd dat een derde fout (Fout 3) ook nog van invloed is op de intercompany-verhouding. Gelet op de financiële impact die Fout 1 en 2 reeds hebben op de intercompany-verhouding komt de rechtbank aan het bespreken van Fout 3 niet toe. Hierop zal wel nader worden ingegaan bij de beoordeling van de tegenvorderingen van CEVA c.s.
Conclusie: afwijzing vorderingen trustee
5.39.
Slotsom van het voorgaande is dat het ervoor moet worden gehouden dat het saldo van de Reference accounts niet de juiste hoogte van de intercompany-verhouding tussen [gefailleerde] en CEVA Finance weergeeft. Als wordt uitgegaan van de werkelijke onderliggende rechtsverhoudingen (en dus van de situatie waarin de Fouten 1 en 2 zijn gecorrigeerd), waarbij ook rekening is gehouden met de openstaande factuur aan CEVA Headoffice voor de Recharge Payment over 2010, dan is het saldo van de Reference accounts negatief.
5.40.
Het is bij deze stand van zaken aan de trustee om aan te tonen dat [gefailleerde] de gestelde vorderingen op CEVA c.s. heeft. Daarin is hij niet geslaagd. Er is geen aanleiding om de trustee de gelegenheid te geven nader bewijs te leveren, nu hij geen daarop toegesneden concreet bewijsaanbod heeft gedaan.
Vorderingen in reconventie
Primaire vorderingen
5.41.
De primaire vorderingen van CEVA c.s. zullen worden afgewezen. Uit hetgeen in conventie is overwogen volgt dat de onderliggende rechtsverhoudingen doorslaggevend zijn voor de vraag wie een vordering op wie heeft, overeenkomstig het in conventie primair ingenomen standpunt van CEVA c.s. Deze primaire tegenvorderingen van CEVA c.s. gaan echter ervan uit dat “de gepretendeerde vorderingen van de Trustee namens [gefailleerde] [in conventie, rb] door middel van verrekening teniet zijn gegaan”. Die situatie doet zich niet voor, omdat in conventie geen vordering van de trustee is komen vast te staan, zodat ook niet van verrekening met die vordering sprake is of kan zijn.
De subsidiaire vorderingen die door Nederlands recht worden beheerst zijn verjaard
5.42.
Subsidiair vorderen CEVA c.s. om naar aanleiding van de Fouten in rechte vast te stellen dat zij vorderingen hebben op [gefailleerde] , en een veroordeling tot betaling daarvan door de trustee als curator van [gefailleerde] .
5.43.
Er bestaat aanleiding eerst de vorderingen te bespreken die worden beheerst door Nederlands recht (vorderingen 1 tot en met 8, 11 en 12). Voor die vorderingen slaagt namelijk het beroep van de trustee op verjaring. De trustee heeft onweersproken aangevoerd dat de door CEVA c.s. gestelde vorderingen volgens CEVA c.s. zijn ontstaan vóór 13 februari 2013 en pas zijn ingediend bij conclusie van antwoord op 2 oktober 2019. Dat is buiten de verjaringstermijn en de verjaring is niet rechtsgeldig gestuit. CEVA c.s. hebben weliswaar op tal van momenten in de Amerikaanse procedure (schriftelijk) duidelijk gemaakt dat zij de intercompany-vordering betwisten en dat correctie van die vordering zou leiden tot een vordering van CEVA c.s. op [gefailleerde] , maar die mededelingen zijn niet te beschouwen als een geldige stuitingsverklaring naar Nederlands recht van de in deze procedure gestelde vorderingen van CEVA c.s. op [gefailleerde] . Dit betekent dat deze subsidiaire tegenvorderingen zijn verjaard en dus worden afgewezen.
De subsidiaire vorderingen uit hoofde van de Reimbursement agreements
5.44.
De overige subsidiaire tegenvorderingen (vorderingen 9 en 10), die zoals overwogen worden beheerst door het recht van de staat New York , zijn niet verjaard. Deze vorderingen vloeien volgens CEVA c.s. voort uit een aantal Reimbursement agreements die CEVA Group heeft gesloten met [gefailleerde] en hierop is, zoals overwogen onder 5.3, het recht van de staat van New York van toepassing. Naar het recht van de staat New York is de verjaring van deze vorderingen van rechtswege gestuit door de faillietverklaring van [gefailleerde] en de daaraan gekoppelde automatic stay.
5.45.
CEVA c.s. willen in rechte zien vastgesteld dat CEVA Finance, althans CEVA Group, recht heeft op een bedrag van € 1.744.845, te vermeerderen met wettelijke rente (vordering 9) en vorderen betaling daarvan (vordering 10). CEVA c.s. stellen daartoe dat bepaalde kosten op grond van vier Reimbursement agreements tussen [gefailleerde] en CEVA Group zijn voorgeschoten door CEVA Group en/of CEVA Finance. Het gaat kort gezegd om kosten voor "the hiring of professionals” in het kader van de Herstructurering in 2013. Het totaal van deze voorschotten is USD 1.744.845.
5.46.
In drie van de vier Reimbursement agreements is de volgende steeds nagenoeg gelijkluidende offset-bepaling opgenomen:
“Offset. To the extent, if any, that amounts are presently due from any CEVA Entity
to [gefailleerde] on account of any debt or obligation of any nature, the delivery of the Funds
hereunder (and the delivery of all of the Total Funds) shall constitute (i) an irrevocable payment to [gefailleerde] , in the amount of the Total Funds, on account of such obligations, which shall be applied by [gefailleerde] in its discretion, and (ii) a corresponding reduction of such obligations owing from any CEVA Entity to [gefailleerde] .”
5.47.
In een van de vier Reimbursement agreements die ziet op een bedrag van USD 50.000 staat deze bepaling niet.
5.48.
CEVA c.s. voeren aan dat op grond van de offset-bepaling in de overeenkomsten de voorschotten vergoed/gerestitueerd dienden te worden door [gefailleerde] en dat dit zou plaatsvinden door middel van afboeking van de Reference accounts. De rechtbank volgt echter de lezing van de trustee dat de offset-bepaling geen zelfstandige terugbetalingsverplichting door [gefailleerde] bevat. Deze bepaling maakt het weliswaar – onder bepaalde omstandigheden – mogelijk dat aan [gefailleerde] ter beschikking gestelde bedragen worden verrekend met nog door CEVA-entiteiten aan [gefailleerde] verschuldigde bedragen, maar verrekening is niet aan de orde nu in conventie geen vordering van [gefailleerde] op CEVA Finance (of een andere CEVA entiteit) is komen vast te staan. De Reimbursement agreements voorzien ook overigens niet in een zelfstandige terugbetalingsverplichting.
5.49.
Bij die stand van zaken kunnen de overige verweren onbesproken blijven, en dus ook het verweer dat toepassing van deze overeengekomen regel in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Conclusie: ook afwijzing vorderingen 9 en 10
5.50.
Het voorgaande betekent dat de door CEVA c.s. gevorderde verklaring voor recht (vordering 9) en de vordering tot betaling van het bedrag USD 1.744.845 (vordering 10) eveneens worden afgewezen.
Buitengerechtelijke kosten
5.51.
Omdat alle tegenvorderingen worden afgewezen, deelt de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten hetzelfde lot.
Proceskosten
in conventie
5.52.
De trustee is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CEVA c.s. worden begroot op:
- griffierecht
€
3.946,00
- salaris advocaat
€
9.262,00
(2 punten × € 4.631,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
13.397,00
in reconventie
5.53.
CEVA c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen, die vanwege de verwevenheid met de conventie worden gehalveerd. De proceskosten van de trustee worden begroot op:
- salaris advocaat
€
4.631,00
(0,5 x 2 punten × € 4.631,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.820,00
5.54.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie en in reconventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen van de trustee af,
6.2.
veroordeelt de trustee in de proceskosten van € 13.397,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.3.
veroordeelt de trustee tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als de trustee niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt de trustee tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in reconventie
6.5.
wijst de vorderingen van CEVA c.s. af,
6.6.
veroordeelt CEVA c.s. in de proceskosten van € 4.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.7.
veroordeelt CEVA c.s. tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als CEVA c.s. niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.8.
veroordeelt CEVA c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in conventie en in reconventie
6.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 tot en met 6.4 en 6.6 tot en met 6.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzitter, mr. S.P. Pompe en mr. R.C.J. Hamming, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026
Bijlage I, het integrale petitum in conventie en in reconventie
In conventie
De trustee vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. CEVA Finance en CEVA Group hoofdelijk veroordeelt om aan de Chapter 7 Trustee te voldoen een bedrag gelijk aan het actuele saldo op de RBS Reference Accounts (indien en voor zover daar van een positief saldo sprake is), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 februari 2013 althans 8 december 2014 althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;
2) CEVA Finance en CEVA Group hoofdelijk veroordeelt om aan de Chapter 7 Trustee te voldoen een bedrag van EUR 10.470.253,83 alsmede - indien en voor zover het huidige saldo van de BMG Euro Account dat bedrag overstijgt - betaling van een bedrag gelijk aan dat meerdere, steeds vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 februari 2013 althans 8 december 2014 althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;
3) CEVA Finance en CEVA Group hoofdelijk veroordeelt om aan de Chapter 7 Trustee te voldoen een bedrag van USD 779.969,68 alsmede - indien en voorzover het huidige saldo van de BMG Dollar Account dat bedrag overstijgt - betaling van een bedrag gelijk aan dat meerdere, steeds vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 februari 2013 althans 8 december 2014 althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;
4) CEVA Headoffice en CEVA Group hoofdelijk veroordeelt om aan de Chapter 7 Trustee te voldoen een bedrag van EUR 2.901.633, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 februari 2013 althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;
5) Gedaagden hoofdelijk veroordeelt om de kosten van dit geding te voldoen binnen zeven dagen na het wijzen van het vonnis, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is.
In reconventie
De vorderingen in reconventie luiden in de bewoordingen van CEVA c.s. als volgt.
Dat het uw rechtbank behage bij vonnis, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
Primair:
1. te verklaren voor recht dat de gepretendeerde vorderingen van de Trustee, namens [gefailleerde] , door middel van verrekening teniet zijn gegaan en daardoor niet bestaan;
2) te verklaren voor recht dat CEVA Finance een vordering heeft op [gefailleerde] ad EUR 22.894.877,62, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
3) te verklaren voor recht dat CEVA Finance een vordering heeft op [gefailleerde] ad USD 964.875,32, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
4) de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen aan CEVA Finance te betalen een bedrag ad EUR 22.894.877,62, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
5) de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen aan CEVA Finance te betalen een bedrag ad USD 964.875,32, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
Subsidiair:
Fout 1 (Kapitaalstortingen):
1. te verklaren voor recht dat CEVA Finance, althans CEVA Group, een vordering heeft op [gefailleerde] ad EUR 20.256.948 uit hoofde van kapitaalstortingen onder het LTIP (Fout 1), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
2) de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen aan CEVA Finance, althans CEVA Group, te betalen een bedrag ad EUR 20.256.948 uit hoofde van kapitaalstortingen onder het LTIP (Fout 1), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum te bepalen datum van deze conclusie van antwoord tevens van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
3) te verklaren voor recht dat CEVA Finance, althans CEVA Group, een vordering heeft op [gefailleerde] ad EUR 5.127.277 uit hoofde van een onjuiste accumulatie van rente in de Reference accounts over kapitaalstortingen onder het LTIP (Fout 1), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
4) de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen aan CEVA Finance, althans CEVA Group, te betalen een bedrag EUR 5.127.277 uit hoofde van een onjuiste accumulatie van rente in de Reference accounts over kapitaalstortingen onder het LTIP (Fout 1), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
Fout 2 (Forfeitures):
5) te verklaren voor recht dat CEVA Finance, althans CEVA Headoffice, een vordering heeft op [gefailleerde] ad EUR 10,147,528 uit hoofde van vervallen Recharge Payments (Forfeitures) (Fout 2), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
6) de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen aan CEVA Finance, althans CEVA Headoffice, te betalen een bedrag ad EUR 10,147,528 uit hoofde van vervallen Recharge Payments (Forfeitures) (Fout 2), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
7) te verklaren voor recht dat CEVA Finance, althans CEVA Headoffice, een vordering heeft op [gefailleerde] ad EUR 774.890 uit hoofde van een onjuiste accumulatie van rente in de Reference accounts over vervallen Recharge Payments (Forfeitures) (Fout 2), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
8) de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen aan CEVA Finance, althans CEVA Headoffice, te betalen een bedrag ad EUR 774.890 uit hoofde van een onjuiste accumulatie van rente in de Reference accounts over vervallen Recharge Payments (Forfeitures)(Fout 2), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
Fout 3 (Reimbursement agreements en accountantskosten):
9) te verklaren voor recht dat CEVA Finance, althans CEVA Group, een vordering heeft op [gefailleerde] ad USD 1.744.845 uit hoofde van de Reimbursement Agreements (Fout 3), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 maart 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
10) de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen aan CEVA Finance, althans CEVA Group, te betalen een bedrag ad USD 1.744.845 uit hoofde van de Reimbursement Agreements (Fout 3), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 maart 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
11) te verklaren voor recht dat CEVA Finance, althans CEVA Group, een vordering heeft op [gefailleerde] ad EUR 59.000 uit hoofde van voorgeschoten accountantskosten (Fout 3), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 maart 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
12) de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen aan CEVA Finance, althans CEVA Group, te betalen een bedrag ad EUR 59.000 uit hoofde van voorgeschoten accountantskosten (Fout 3), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 maart 2013, althans 4 april 2013, althans 29 april 2016, althans 27 augustus 2018, althans de datum van deze conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum;
In conventie en in reconventie
1. de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen aan CEVA c.s. te betalen de door CEVA c.s. gemaakte buitengerechtelijke kosten en CEVA c.s. in de gelegenheid te stellen voorafgaand aan het wijzen van het (eind)vonnis in deze procedure deze kosten bij akte te substantiëren;
2) de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , te veroordelen in de kosten van het geding, inclusief eventuele nakosten (in conventie en in reconventie), met de toevoeging dat de Trustee, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , vanaf de achtste dag na betekening wettelijke rente verschuldigd is tot aan de dag van algehele voldoening.
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1
Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I-Verordening)
Toelichting IFRS Expense: Entiteiten die IFRS toepassen zijn verplicht om share-based payment transactions in hun financiële verslaggeving op te nemen. Een entiteit dient de ontvangen werkzaamheden of goederen in principe te verwerken “when it obtains the goods or as the services are received." De entiteit dient op het moment dat de werkzaamheden of goederen worden ontvangen hiervoor kosten te nemen in de winst- en verliesrekening, welke kosten worden gefinancierd door een verhoging van het eigen vermogen (equity) op de balans.