Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7847

2026-07-24 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 26/2113
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-24
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
26/2113
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Extra bedrag aan kinderbijslag. Met de extra kinderbijslag beoogde de regelgever een fiscale achterstand weg te nemen voor huishoudens met de zorg voor een chronisch ziek of gehandicapt kind, waarin de minstverdienende partner geen of onvoldoende arbeidsinkomen had om voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting in aanmerking te komen. Het was de bedoeling dat deze ouders, die hun chronisch zieke of gehandicapte kind zelf willen verzorgen en dit belangrijker vinden dan de arbeidsparticipatie van beide ouders, niet zouden worden belemmerd in deze keuze. Beroep evenredigheidsbeginsel slaagt niet.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.744 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht


zaaknummer: AMS 26/2113




uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen




[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


en




de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder
(gemachtigden: mr. C.A. van der Vlist en mr. S. Venema).



Inleiding


In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de herziening en terugvordering van een bedrag van € 2.634,17 aan extra kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) over het jaar 2024.



Met de besluiten van 12 november 2025 heeft verweerder het extra bedrag aan kinderbijslag over het jaar 2024 herzien en teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 25 februari 2026 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn ex-partner die tevens zijn gemachtigde is. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.




Totstandkoming van de besluiten

1. Eiser ontvangt vanaf het derde kwartaal van 2023 dubbele kinderbijslag voor zijn zoon. Eiser heeft op 24 januari 2025 een extra bedrag aan kinderbijslag als bedoeld in artikel 7a, tweede lid, van de AKW aangevraagd. Dit is een extra financiële ondersteuning die de regelgever heeft ingevoerd voor alleenverdienershuishoudens die de zorg hebben voor chronisch zieke of gehandicapte kinderen. Verweerder heeft aanvankelijk aan eiser een extra bedrag aan kinderbijslag voor het jaar 2024 toegekend.

2. Met de in de inleiding genoemde besluiten heeft verweerder het recht op een extra bedrag aan kinderbijslag voor het jaar 2024 herzien en het al betaalde bedrag teruggevorderd. Uit onderzoek is volgens verweerder gebleken dat eiser en mevrouw [gemachtigde] in 2024 fiscale partners zijn geweest. Volgens de Belastingdienst is zowel eisers arbeidsinkomen als dat van zijn fiscale partner in 2024 hoger dan het grensbedrag van € 6.073,00. Eiser voldoet hiermee niet aan de voorwaarden voor het extra bedrag aan kinderbijslag voor 2024.



Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of verweerder het extra bedrag aan kinderbijslag voor het jaar 2024 op goede gronden heeft herzien en teruggevorderd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

4. Verweerder heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat zowel het inkomen van eiser als dat van zijn ex-partner, die verweerder op grond van het fiscale recht als fiscaal partner van eiser aanmerkt, in 2024 hoger was dan het grensbedrag van € 6.073,00. Eiser betwist niet dat zijn inkomen en dat van zijn ex-partner het geldende grensbedrag overschrijdt.

5. Het beroep van eiser komt er in essentie op neer dat de extra kinderbijslag niet als een fiscale, maar als een sociaalzekerheidsrechtelijke voorziening moet worden aangemerkt. Volgens eiser brengt dit, naar de rechtbank begrijpt, mee dat voor de uitleg van de regeling niet moet worden aangesloten bij het fiscale recht, waaronder het begrip fiscale partner, maar moet worden gekeken naar het belang van het kind en de feitelijke situatie. Of eiser in 2024 een fiscale partner had is volgens hem niet van belang.

6. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 7a, tweede lid, van de AKW volgt dat de regelgever met de extra kinderbijslag heeft beoogd alleenverdienershuishoudens met de zorg voor een chronisch ziek of gehandicapt kind financieel te compenseren voor de gevolgen van fiscale maatregelen die waren gericht op de bevordering van de arbeidsparticipatie en de economische zelfstandigheid van vrouwen. Als gevolg van deze fiscale maatregelen bleven deze huishoudens in besteedbaar inkomen achter bij tweeverdienershuishoudens. Met name bestond binnen deze alleenverdienershuishoudens geen recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting, die gold voor de minstverdienende partner in een tweeverdienershuishouden die een arbeidsinkomen had boven een zekere inkomensgrens, en voor de alleenstaande ouder met een arbeidsinkomen boven die inkomensgrens. Met de extra kinderbijslag beoogde de regelgever deze fiscale achterstand weg te nemen voor huishoudens met de zorg voor een chronisch ziek of gehandicapt kind, waarin de minstverdienende partner geen of onvoldoende arbeidsinkomen had om voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting in aanmerking te komen. Het was de bedoeling dat deze ouders, die hun chronisch zieke of gehandicapte kind zelf willen verzorgen en dit belangrijker vinden dan de arbeidsparticipatie van beide ouders, niet zouden worden belemmerd in deze keuze. Daarom moesten zij niet fiscaal worden achtergesteld bij ouders die niet de zorg hebben voor een chronisch ziek of gehandicapt kind. Het voorgaande brengt mee dat voor de uitleg van de voorwaarden voor de extra kinderbijslag het fiscale recht leidend is. Dat volgt niet alleen uit het bovenstaande, maar ook uitdrukkelijk uit de tekst van artikel 7a, tweede lid, van de AKW.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden bij de herziening van de extra kinderbijslag rekening gehouden met de inkomsten van de ex-partner van eiser, omdat zij voor het jaar 2024 als zijn fiscaal partner in de zin van artikel 5a van de Awr en artikel 1.2 van de Wet IB moet worden aangemerkt. De beperkingen van het partnerbegrip die in artikel 1.2 van de Wet IB zijn opgenomen, zijn niet van toepassing op de ex-partner van eiser. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om eiser in weerwil van de wettekst en de wetsgeschiedenis te volgen in zijn standpunt dat zijn feitelijke situatie doorslaggevend moet zijn. Per 1 januari 2011 is het fiscale partnerschap herzien en geüniformeerd. Voor dit geschil is van belang dat duurzaam gescheiden levende geregistreerde partners niet langer als niet-partners worden aangemerkt. Uit de parlementaire behandeling van artikel 5a van de Awr blijkt dat met de introductie van het nieuwe partnerbegrip een belangrijke vereenvoudiging is beoogd. Op basis van objectieve criteria wordt bepaald of sprake is van partnerschap en wanneer het partnerschap begint en ophoudt te bestaan. De wetgever heeft daarom bewust gekozen voor eenvoudig toetsbare criteria en niet voor het begrip duurzaam gescheiden leven, dat minder eenvoudig kan worden gecontroleerd. Dit betekent dat eiser en zijn ex-partner fiscale partners zijn, ook als zij duurzaam gescheiden leven. De rechtbank ziet geen ruimte om in het onderhavige geval de feitelijke situatie van eiser in de plaats te stellen van het wettelijke criterium van het geregistreerd partnerschap.

8. Het voorgaande betekent dat eiser op grond van de AKW geen recht heeft op extra kinderbijslag, omdat hij en zijn ex-partner voor de toepassing van de AKW als fiscale partners worden aangemerkt en hun gezamenlijke inkomen hoger is dan het geldende grensbedrag.

9. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting nogmaals benadrukt dat de extra kinderbijslag is bedoeld om het belang van het kind te dienen en van gezinnen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Daarbij heeft zij toegelicht dat eiser en zij er bewust voor hebben gekozen om vanwege de kosten het geregistreerd partnerschap vooralsnog niet te ontbinden. Het enkele uit elkaar gaan brengt immers al veel kosten met zich mee. Volgens eiser mag deze keuze er niet toe leiden dat de extra kinderbijslag wordt geweigerd. Voor zover eiser daarmee heeft willen betogen dat de voorwaarden voor de extra kinderbijslag wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing moet worden gelaten, volgt de rechtbank hem daarin niet. De toekenning van de extra kinderbijslag berust op een dwingendrechtelijke bepaling uit een wet in formele zin, de AKW. Naar de huidige stand van het recht is toetsing van een bepaling van een wet in formele zin aan het evenredigheidsbeginsel slechts mogelijk onder zeer bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de wetgever de gevolgen van de aanvullende tegemoetkoming voor een geval als het onderhavige niet of onvoldoende heeft verdisconteerd of dat toepassing van de wet anderszins tot een resultaat leidt dat zozeer in strijd is met fundamentele rechtsbeginselen dat afwijking van de wet gerechtvaardigd is.



Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft op goede gronden geconcludeerd dat eiser geen recht heeft op extra kinderbijslag over 2024 en van eiser over dat jaar een bedrag van € 2.634,17 mogen terugvorderen. Dat betekent dat het bestreden besluit van 25 februari 2026 in stand kan blijven.

11. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.



griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.




Zie de toelichting bij de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister voor Jeugd en Gezin, van 21 december 2009, IVV/LZW/2009/27817, tot wijziging van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 in verband met de wijziging van de indicatiestelling en de invoering van een extra tegemoetkoming voor alleenverdieners (Stcrt. 2010, nr. 34).


Bedrag genoemd in artikel 8:14a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001.


Algemene wet inzake rijksbelastingen.


Wet inkomstenbelasting 2001.


Kamerstukken II 2009/10, 32 130, nr. 3, p. 25.


Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:158.