Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7841
2026-08-04
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
AMS 25/2610
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag uitkering Wet schadefonds geweldsmisdrijven. Beroep ongegrond. Verweerder mocht de aanvraag voor een uitkering afwijzen. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij slachtoffer is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2019:2322 Raad van State 10-07-2019
- ECLI:NL:RVS:2021:1385 Raad van State 30-06-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.520 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/2610
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. R.A.M. Koolen),
en
de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.B. Langerak).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag voor een uitkering op grond van de Wsg mocht afwijzen. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Eiser heeft op 30 april 2024 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wsg. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 maart 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en de aanvraag afgewezen, omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij slachtoffer is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf, als bedoeld in artikel 3 van de Wsg. Naar aanleiding van de aanvraag van eiser heeft verweerder de politie gevraagd om meer informatie over de oorzaak van de brand. De politie deelde verweerder mede dat het een grote brand was. Uiteindelijk kon niet worden vastgesteld worden of de brand was aangestoken, of er sprake was van een ongeluk of van kortsluiting. Niet kon worden vastgesteld dat het hier om brandstichting is gegaan. Nu uit het politieonderzoek niet duidelijk is geworden wat de oorzaak is geweest van de brand, kan de brand die heeft plaatsgevonden volgens verweerder niet worden aangemerkt als een opzettelijk tegen eiser gepleegd geweldsmisdrijf.
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte, althans na onvoldoende zorgvuldig onderzoek en ontoereikend gemotiveerd, heeft bepaald dat geen sprake was van brandstichting. Volgens eiser is in ieder geval sprake van voorwaardelijk opzet. Verweerder heeft in het geheel niets gemotiveerd over voorwaardelijk opzet terwijl eiser dit tijdens de bezwaarprocedure wel heeft aangevoerd. Tot slot geeft eiser aan dat hij zijn huis, haard en hond en bijna zelfs zijn eigen leven heeft verloren bij de brand. Eiser zoekt hiervoor compensatie.
5. De rechtbank overweegt het volgende. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg kunnen uit het Schadefonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen. Bij de beoordeling van een aanvraag om een uitkering hanteert verweerder het beleid dat is neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven (de Beleidsbundel). Volgens paragraaf 1.1.4 van de Beleidsbundel hoeft een geweldsmisdrijf niet bewezen te worden, maar moet dit aannemelijk worden gemaakt. De beoordeling bestaat uit de volgende elementen. In de eerste plaats is de feitelijke geweldshandeling van belang. Dit is de handeling waardoor het slachtoffer letsel opliep. Daarnaast moet voor de aannemelijkheid dat sprake is van een geweldsmisdrijf ook de toedracht van de feitelijke geweldshandeling, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder de feitelijke geweldshandeling heeft plaatsgevonden voldoende duidelijk zijn. Een eigen verklaring van een slachtoffer is, als dat het enige is, onvoldoende om de aannemelijkheid vast te stellen. Het kan dus zo zijn dat verweerder aanvullende informatie nodig heeft. Dat is ook het geval als er aangifte is gedaan, maar de aangifte geen strafrechtelijk gevolg heeft gekregen. Objectieve aanwijzingen moeten de verklaring van het slachtoffer dan ondersteunen. Als ook uit deze aanvullende informatie onvoldoende beeld kan worden gevormd van de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het plaatsvond, dan is de aanvraag niet voldoende onderbouwd en zal de aanvraag worden afgewezen. Deze afwijzing betekent niet dat verweerder het slachtoffer niet gelooft: de aanvraag wordt dan afgewezen omdat de opgave van het slachtoffer onvoldoende is onderbouwd met objectieve aanwijzingen.
6. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij slachtoffer is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen, is het aan de aanvrager van een uitkering uit het Schadefonds om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. In dit geval heeft eiser in zijn getuigenverklaring bij de politie verklaard dat hij het gevoel heeft dat de brand is aangestoken door een medebewoner of dat het per ongeluk is gegaan. Hieruit blijkt dat eiser zelf ook niet zeker weet of de brand met opzet is aangestoken. Daarnaast blijkt uit de informatie van de politie dat de politie niet heeft kunnen vaststellen of de brand is aangestoken of dat sprake was van een ongeluk of kortsluiting. Er is dus geen sprake van objectieve aanwijzingen waaruit een beeld kan worden gevormd over de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het plaatsvond. Onder voormelde omstandigheden heeft verweerder de aanvraag voor een uitkering op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg naar het oordeel van de rechtbank geheel mogen afwijzen. Hierbij is van belang dat een uitkering uit het Schadefonds een financiële tegemoetkoming is die gefinancierd wordt uit belastinggeld. Verweerder moet dit kunnen verantwoorden. Daarbij past niet dat verweerder een uitkering verstrekt als de aanleiding, toedracht en omstandigheden onduidelijk blijven. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 10 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2322 en 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1385.
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/2610
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. R.A.M. Koolen),
en
de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.B. Langerak).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag voor een uitkering op grond van de Wsg mocht afwijzen. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Eiser heeft op 30 april 2024 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wsg. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 maart 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en de aanvraag afgewezen, omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij slachtoffer is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf, als bedoeld in artikel 3 van de Wsg. Naar aanleiding van de aanvraag van eiser heeft verweerder de politie gevraagd om meer informatie over de oorzaak van de brand. De politie deelde verweerder mede dat het een grote brand was. Uiteindelijk kon niet worden vastgesteld worden of de brand was aangestoken, of er sprake was van een ongeluk of van kortsluiting. Niet kon worden vastgesteld dat het hier om brandstichting is gegaan. Nu uit het politieonderzoek niet duidelijk is geworden wat de oorzaak is geweest van de brand, kan de brand die heeft plaatsgevonden volgens verweerder niet worden aangemerkt als een opzettelijk tegen eiser gepleegd geweldsmisdrijf.
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte, althans na onvoldoende zorgvuldig onderzoek en ontoereikend gemotiveerd, heeft bepaald dat geen sprake was van brandstichting. Volgens eiser is in ieder geval sprake van voorwaardelijk opzet. Verweerder heeft in het geheel niets gemotiveerd over voorwaardelijk opzet terwijl eiser dit tijdens de bezwaarprocedure wel heeft aangevoerd. Tot slot geeft eiser aan dat hij zijn huis, haard en hond en bijna zelfs zijn eigen leven heeft verloren bij de brand. Eiser zoekt hiervoor compensatie.
5. De rechtbank overweegt het volgende. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg kunnen uit het Schadefonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen. Bij de beoordeling van een aanvraag om een uitkering hanteert verweerder het beleid dat is neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven (de Beleidsbundel). Volgens paragraaf 1.1.4 van de Beleidsbundel hoeft een geweldsmisdrijf niet bewezen te worden, maar moet dit aannemelijk worden gemaakt. De beoordeling bestaat uit de volgende elementen. In de eerste plaats is de feitelijke geweldshandeling van belang. Dit is de handeling waardoor het slachtoffer letsel opliep. Daarnaast moet voor de aannemelijkheid dat sprake is van een geweldsmisdrijf ook de toedracht van de feitelijke geweldshandeling, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder de feitelijke geweldshandeling heeft plaatsgevonden voldoende duidelijk zijn. Een eigen verklaring van een slachtoffer is, als dat het enige is, onvoldoende om de aannemelijkheid vast te stellen. Het kan dus zo zijn dat verweerder aanvullende informatie nodig heeft. Dat is ook het geval als er aangifte is gedaan, maar de aangifte geen strafrechtelijk gevolg heeft gekregen. Objectieve aanwijzingen moeten de verklaring van het slachtoffer dan ondersteunen. Als ook uit deze aanvullende informatie onvoldoende beeld kan worden gevormd van de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het plaatsvond, dan is de aanvraag niet voldoende onderbouwd en zal de aanvraag worden afgewezen. Deze afwijzing betekent niet dat verweerder het slachtoffer niet gelooft: de aanvraag wordt dan afgewezen omdat de opgave van het slachtoffer onvoldoende is onderbouwd met objectieve aanwijzingen.
6. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij slachtoffer is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen, is het aan de aanvrager van een uitkering uit het Schadefonds om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. In dit geval heeft eiser in zijn getuigenverklaring bij de politie verklaard dat hij het gevoel heeft dat de brand is aangestoken door een medebewoner of dat het per ongeluk is gegaan. Hieruit blijkt dat eiser zelf ook niet zeker weet of de brand met opzet is aangestoken. Daarnaast blijkt uit de informatie van de politie dat de politie niet heeft kunnen vaststellen of de brand is aangestoken of dat sprake was van een ongeluk of kortsluiting. Er is dus geen sprake van objectieve aanwijzingen waaruit een beeld kan worden gevormd over de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het plaatsvond. Onder voormelde omstandigheden heeft verweerder de aanvraag voor een uitkering op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg naar het oordeel van de rechtbank geheel mogen afwijzen. Hierbij is van belang dat een uitkering uit het Schadefonds een financiële tegemoetkoming is die gefinancierd wordt uit belastinggeld. Verweerder moet dit kunnen verantwoorden. Daarbij past niet dat verweerder een uitkering verstrekt als de aanleiding, toedracht en omstandigheden onduidelijk blijven. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 10 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2322 en 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1385.