Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7840
2026-08-04
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
AMS 25/2724
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bestuurlijke boete wegens onttrekken van een woning ten behoeve van prostitutie. Beroep ongegrond. Er is sprake van woningonttrekking. Geen aanleiding om boete te matigen.
Citeert (6)
- ECLI:NL:RVS:2018:1950 Raad van State 13-06-2018
- ECLI:NL:RVS:2018:1754 Raad van State 30-05-2018
- ECLI:NL:RVS:2017:649 Raad van State 15-03-2017
- ECLI:NL:RVS:2017:953 Raad van State 05-04-2017
- ECLI:NL:RVS:2016:1751 Raad van State 22-06-2016
- ECLI:NL:RVS:2018:1754 Raad van State 30-05-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.364 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/2724
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Diemen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de bestuurlijke boete die verweerder heeft opgelegd wegens het onttrekken van een woning aan de woonruimtevoorraad ten behoeve van prostitutie in de woning. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder aan eiser een bestuurlijke boete mocht opleggen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Met het besluit van 2 december 2024 heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd van € 17.500,- wegens het onttrekken van een woning op het adres [adres] aan de woonruimtevoorraad ten behoeve van prostitutie in de woning. Met het bestreden besluit van 17 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser voert aan dat hij de betreffende woonruimte altijd bewoond heeft. Er is volgens eiser dus geen sprake van onttrekking aan de woonruimtevoorraad. Daarnaast is hij het niet eens met de hoogte van de bestuurlijke boete.
Overtreding
4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser zelf ook in zijn woning woonde en dat de woning van eiser gedeeltelijk werd gebruikt ten behoeve van prostitutiewerkzaamheden. In geschil is of er vanwege de prostitutiewerkzaamheden sprake is van een onttrekking van de woning uit de woningvoorraad. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) betekent het feit dat niet de gehele woning werd gebruikt voor de prostitutiewerkzaamheden niet dat geen sprake is van onttrekking aan de woonruimtevoorraad. Het verbod uit artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 geldt immers voor een woonruimte, waaronder tevens één of enkele kamers wordt verstaan. Evenmin is van belang of de woning feitelijk permanent werd bewoond. De beroepsgrond van eiser dat geen sprake is van woningonttrekking omdat hij wel in de woning woonde, slaagt daarom niet.
Hoogte boete
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Aangezien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, dient de hoogte van de boete getoetst te worden aan artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat het bestuursorgaan, indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt, indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling, kunnen een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Awb, die aanleiding kunnen geven een boete te matigen.
5.2.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is het onttrekken van woonruimte, gelet op de schaarse woningvoorraad en de grote druk op de woningmarkt, reeds op zichzelf genomen een ernstige overtreding. Het niet toegestane gebruik van de woning betrof een substantieel deel van de woning, nu in ieder geval twee slaapkamers geheel werden gebruikt voor prostitutie. De overtreding is niet gering. Voorts is de overtreding geheel aan eiser te wijten, zodat van een verminderde verwijtbaarheid geen sprake is.
5.3.
Voor zover eiser stelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden vanwege zijn geringe financiële draagkracht is het de verantwoordelijkheid van eiser om dit met stukken aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. Eiser heeft geen stukken overgelegd die inzicht geven in zijn financiële positie. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij via een betalingsregeling bezig is met het in termijnen betalen van de bestuurlijke boete. Hij lost per maand € 2.000,- af waardoor hij de boete binnen 1 à 2 jaar heeft afbetaald. Ook heeft eiser toegelicht dat hij naast de boete ook zijn andere schulden aflost en dat hij na de aflossingen per maand nog € 2.590,- overhoudt om van te leven. Hiermee heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een te lage financiële draagkracht heeft om de bestuurlijke boete te betalen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om de bestuurlijke boete te matigen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1950.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1754.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:649, 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:953 en 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1751.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1754.
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/2724
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Diemen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de bestuurlijke boete die verweerder heeft opgelegd wegens het onttrekken van een woning aan de woonruimtevoorraad ten behoeve van prostitutie in de woning. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder aan eiser een bestuurlijke boete mocht opleggen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Met het besluit van 2 december 2024 heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd van € 17.500,- wegens het onttrekken van een woning op het adres [adres] aan de woonruimtevoorraad ten behoeve van prostitutie in de woning. Met het bestreden besluit van 17 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser voert aan dat hij de betreffende woonruimte altijd bewoond heeft. Er is volgens eiser dus geen sprake van onttrekking aan de woonruimtevoorraad. Daarnaast is hij het niet eens met de hoogte van de bestuurlijke boete.
Overtreding
4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser zelf ook in zijn woning woonde en dat de woning van eiser gedeeltelijk werd gebruikt ten behoeve van prostitutiewerkzaamheden. In geschil is of er vanwege de prostitutiewerkzaamheden sprake is van een onttrekking van de woning uit de woningvoorraad. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) betekent het feit dat niet de gehele woning werd gebruikt voor de prostitutiewerkzaamheden niet dat geen sprake is van onttrekking aan de woonruimtevoorraad. Het verbod uit artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 geldt immers voor een woonruimte, waaronder tevens één of enkele kamers wordt verstaan. Evenmin is van belang of de woning feitelijk permanent werd bewoond. De beroepsgrond van eiser dat geen sprake is van woningonttrekking omdat hij wel in de woning woonde, slaagt daarom niet.
Hoogte boete
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Aangezien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, dient de hoogte van de boete getoetst te worden aan artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat het bestuursorgaan, indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt, indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling, kunnen een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Awb, die aanleiding kunnen geven een boete te matigen.
5.2.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is het onttrekken van woonruimte, gelet op de schaarse woningvoorraad en de grote druk op de woningmarkt, reeds op zichzelf genomen een ernstige overtreding. Het niet toegestane gebruik van de woning betrof een substantieel deel van de woning, nu in ieder geval twee slaapkamers geheel werden gebruikt voor prostitutie. De overtreding is niet gering. Voorts is de overtreding geheel aan eiser te wijten, zodat van een verminderde verwijtbaarheid geen sprake is.
5.3.
Voor zover eiser stelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden vanwege zijn geringe financiële draagkracht is het de verantwoordelijkheid van eiser om dit met stukken aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. Eiser heeft geen stukken overgelegd die inzicht geven in zijn financiële positie. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij via een betalingsregeling bezig is met het in termijnen betalen van de bestuurlijke boete. Hij lost per maand € 2.000,- af waardoor hij de boete binnen 1 à 2 jaar heeft afbetaald. Ook heeft eiser toegelicht dat hij naast de boete ook zijn andere schulden aflost en dat hij na de aflossingen per maand nog € 2.590,- overhoudt om van te leven. Hiermee heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een te lage financiële draagkracht heeft om de bestuurlijke boete te betalen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om de bestuurlijke boete te matigen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1950.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1754.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:649, 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:953 en 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1751.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1754.