Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7839

2026-08-04 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht AMS 25/2649
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AMS 25/2649
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ontheffing inburgeringsplicht. Beroep ongegrond. Verweerder mocht zich op het advies van Argonaut baseren.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.552 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht



Zaaknummer: AMS 25/2649


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),


en


de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R.E.J. Jansen).

Samenvatting


1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om ontheffing van zijn inburgeringsplicht. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend om ontheffing van zijn inburgeringsplicht. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 31 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 maart 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.




Totstandkoming van het bestreden besluit


3.1.
Eiser is inburgeringsplichtig sinds 27 maart 2017. Eiser heeft op 24 augustus 2023 ontheffing aangevraagd van zijn inburgeringsplicht om medische of psychische redenen. Naar aanleiding van de aanvraag heeft verweerder Argonaut verzocht om eiser medisch te onderzoeken. Uit het advies van Argonaut blijkt dat eiser op medische gronden in staat wordt geacht om binnen een termijn van vijf jaar het inburgeringsexamen te halen. Aanpassingen van de examenomstandigheden zijn niet noodzakelijk. Verder blijkt ook uit het advies van Argonaut dat er kan worden gesteld dat eiser in alle redelijkheid niet in staat is om het examen met goed gevolg te volbrengen maar dat niet kan worden gesteld dat sprake is van een blijvend onvermogen. Er is geen sprake van een eindsituatie en verdere behandeling is mogelijk.



3.2.
Met het primaire besluit heeft verweerder dit advies overgenomen en de aanvraag om eiser een ontheffing te verlenen van de inburgeringsplicht afgewezen.



3.3.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard en is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder legt hieraan ten grondslag dat het medisch advies zorgvuldig tot stand is gekomen, dat de inhoud duidelijk is en dat het tot een logische conclusie leidt. Uit het medisch advies blijkt dat de medische problematiek die eiser ervaart tot de conclusie leidt dat eiser thans in alle redelijkheid niet in staat is om examen te doen. Dit is echter geen eindsituatie omdat eiser niet is uitbehandeld. Eiser heeft eerder behandeling gehad met een positief effect en kan zich opnieuw melden voor behandeling. Zolang er redelijkerwijs geen sprake is van een eindsituatie komt eiser niet voor een ontheffing in aanmerking. Eiser heeft ook geen medische documenten meegestuurd waar dit uit blijkt.



3.4.
De inhoud van het advies gaf verweerder wel aanleiding om de inburgeringstermijn van eiser op 1 april 2025 ambtshalve te verlengen tot 2 oktober 2026. Daarmee heeft eiser een verlenging gekregen van 18 maanden gerekend vanaf de datum waarop deze verlenging is toegekend. Eiser wordt daarmee ook in de gelegenheid gesteld om een medische behandeling te volgen, voordat hij examen doet.




Beoordeling door de rechtbank


4. Eiser voert aan dat hij mentale en fysieke klachten heeft waardoor hij ernstige
beperkingen heeft en waardoor hij de komende vijf jaar niet in staat is om het examen af
te leggen. Eiser is van mening dat er wel sprake is van een eindsituatie en dat hij wel
uitbehandeld is. Het opnieuw melden voor een behandeling zal volgens eiser niet leiden tot verbetering van zijn fysieke en mentale klachten.



5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder ontheft de inburgeringsplichtige van de inburgeringsplicht, als de inburgeringsplichtige heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen. De ontheffing kan worden verleend als redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap zodanig zijn dat niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing aan de inburgeringsplicht kan worden voldaan. In het kader van de aanvraagprocedure tot ontheffing verzoekt verweerder een door hem aangewezen arts een deskundigenverklaring af te geven. Deze arts mag niet de behandelend arts zijn van de inburgeringsplichtige.



5.2.
Het advies van de arts van Argonaut is een deskundigenadvies. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mag een bestuursorgaan op het advies van een (medische) deskundige afgaan, als is nagegaan of dit advies zorgvuldig tot stand is gekomen, inzichtelijk is, begrijpelijk is gemotiveerd en het de conclusies kan dragen. Dit is de zogenaamde vergewisplicht. Het is dan vervolgens aan de aanvrager om met medische stukken aannemelijk te maken dat het medisch advies niet klopt. Zijn er concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren gebracht, dan mag niet zonder meer van het advies van de deskundige worden uitgegaan.



5.3.
Argonaut heeft op basis van de door eiser overgelegde medische stukken geconcludeerd dat eiser thans als gevolg van psychische problematiek in alle redelijkheid niet in staat kan worden geacht aan de verplichting te voldoen. Maar niet gesteld kan worden dat deze beperkingen niet binnen vijf jaar voldoende te beïnvloeden zijn door behandeling. Er is op dit moment nog geen sprake van een zogenaamde eindsituatie. Volgens Argonaut volgt uit de informatie van de psycholoog dat eiser in het verleden in behandeling is geweest voor zijn psychische klanten, dat deze behandeling een positief effect had en dat eiser bij een recidief zich weer kan melden voor behandeling. Daarmee bestaat er dus mogelijkheid om psychologische behandeling weer op te starten.



5.4.
De rechtbank is van oordeel dat geen concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de inhoud van het medische advies van Argonaut dat verweerder ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluitvorming. De rechtbank stelt vast dat verweerder alle relevante (medische) informatie heeft voorgelegd aan Argonaut. Er bestaan geen aanwijzingen dat het advies van Argonaut niet zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zouden zijn. Eiser heeft geen nieuwe of andere medische informatie overgelegd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het advies van Argonaut heeft mogen baseren en zich op grond van dit advies terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser thans niet in aanmerking komt voor een ontheffing van zijn inburgeringsplicht. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.




Conclusie en gevolgen


6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.









griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 6, eerste lid, van de Wet inburgering 2013 (Wi).


Artikel 2.8, vierde lid, van het Besluit inburgering 2013 (Bi).


Artikel 2.8, eerste lid, van het Bi.


Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:516 en 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2272.