Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7788

2026-07-30 Strafrecht 13/318827-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-30
Publicatiedatum
2026-07-30
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
13/318827-24
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling terzake gekwalificeerde opzetverkrachting tot 36 maanden gevangenisstraf. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar. Die verklaring vindt steun in de verklaringen van twee disclosure getuigen en een opname van de alarmdienst 112.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (28.346 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM



Afdeling Publiekrecht



Teams Strafrecht



Parketnummer: 13/318827-24



Datum uitspraak: 30 juli 2026




Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
wonende op het adres [BRP-adres] .





1Het onderzoek ter terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 juli 2026 en 30 juli 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. de Bont, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.E. Kötter, naar voren hebben gebracht.



Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij mevrouw [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij] ).





2Tenlastelegging


Aan verdachte is ten laste gelegd dat:



hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, met een persoon, te weten [benadeelde partij] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten


- door zijn penis naar de mond van die [benadeelde partij] te brengen en/of
- zich te laten pijpen door die [benadeelde partij] en/of
- het brengen en/of duwen van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of penis in de vagina van die [benadeelde partij] ,


terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde partij] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door


- de (voor)deur op slot te zetten en/of
- die [benadeelde partij] bij haar haren vast te pakken en/of
- het hoofd van die [benadeelde partij] stevig vast te pakken en/of
- het hoofd van die [benadeelde partij] naar zijn geslachtsdeel te duwen en/of
- die [benadeelde partij] te manen hem te pijpen en/of
- tegen die [benadeelde partij] te zeggen: "je gaat voor mij werken als hoer. Je gaat mij nu
pijpen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of
- de (onder)broek van die van [benadeelde partij] naar beneden te trekken
- ( telkens) is voorbijgaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [benadeelde partij] , waaronder het huilen;


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, met een persoon, te weten [benadeelde partij] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten


- door zijn penis naar de mond van die [benadeelde partij] te brengen en/of
- zich te laten pijpen door die [benadeelde partij] en/of
- het brengen en/of duwen van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of penis in de vagina van die [benadeelde partij] ,


terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [benadeelde partij] daartoe de wil ontbrak.



Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.





3Voorvragen


De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.





4Waardering van het bewijs


4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie



De officier van justitie vindt dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn. Aangeefster heeft in de kern steeds consistent en gedetailleerd verklaard. De inconsistenties die door de verdediging naar voren zijn gebracht, zijn niet van doorslaggevende betekenis voor de bewezenverklaring. Daarnaast worden de verklaringen van aangeefster voldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen. Het alternatieve scenario dat door de verdediging is geschetst, wordt niet door de inhoud van het dossier ondersteund.




4.2.

Het standpunt van de verdediging



De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster inconsistenties bevatten en daarom niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Bovendien bieden de waarnemingen van derden, die zien op de emotionele toestand of het gedrag van aangeefster, onvoldoende steunbewijs. Niet kan worden uitgesloten dat de bij aangeefster waargenomen emotionele toestand en gedragingen zijn veroorzaakt door het gebruik van alcohol en drugs in combinatie met een verminderde geestestoestand.




4.3.

Het oordeel van de rechtbank




Bewijs in zedenzaken

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: de vermeende dader en het vermeende slachtoffer. Dat is in deze zaak ook het geval.
Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechtbank niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van het vermeende slachtoffer. Voor een bewezenverklaring dient sprake te zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan het vermeende slachtoffer. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met een betrouwbare verklaring van het slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren. Niet vereist is dat het steunbewijs ziet op de ten laste gelegde gedragingen. Zo kan dat steunbewijs onder andere bestaan uit kort na het incident door getuigen bij de aangever/aangeefster waargenomen emoties, of uit een verklaring van een getuige die de concrete context waarbinnen de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden bevestigt.




Feiten en omstandigheden

Op basis van de inhoud van het dossier kan worden vastgesteld dat aangeefster in de nacht van 4 op 5 oktober 2024 met verdachte in zijn woning is geweest. Zij hebben samen alcohol en lachgas gebruikt. Zowel aangeefster als verdachte hebben verklaard dat zij op enig moment seksuele handelingen hebben verricht die bestonden uit het pijpen van verdachte door aangeefster en vaginale penetratie van aangeefster door verdachte. Verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij aangeefster heeft gevingerd. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat de seksuele handelingen zoals ten laste gelegd hebben plaatsgevonden.



De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of bij aangeefster de wil tot de seksuele handelingen ontbrak en of er sprake was van dwang, geweld en/of bedreiging. Bij beantwoording van die vraag is van belang of de rechtbank de verklaringen van aangeefster betrouwbaar acht en of sprake is van steunbewijs, aangezien de verklaringen van aangeefster en verdachte op deze punten verschillen. Verdachte stelt namelijk dat de seksuele handelingen met wederzijdse instemming hebben plaatsgevonden. Aangeefster bestrijdt dat.




Betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster

Aangeefster heeft vrijwel direct na het voorval op 5 oktober 2024 verklaringen afgelegd. Zij heeft een verklaring afgelegd toen de politie ter plaatse kwam in de nacht van 5 oktober 2024. Later die nacht heeft aangeefster op eenzelfde wijze tijdens een informatief gesprek met de zedenpolitie verklaard. Vervolgens heeft aangeefster op 6 oktober 2024 aangifte gedaan. Daarin beschrijft aangeefster gedetailleerd en overeenkomstig haar eerdere verklaringen wat zich volgens haar heeft afgespeeld in de nacht van 4 op 5 oktober 2024. Op 20 maart 2025 is aangeefster door de rechter-commissaris verhoord als getuige, waar zij eveneens uitvoerig en in lijn met haar eerdere verklaringen over het voorval sprak.



Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van aangeefster concreet, gedetailleerd en in de kern consistent. Aangeefster heeft - als gezegd - gedetailleerd verklaard over concrete, specifieke gebeurtenissen die volgens haar plaatsvonden in de nacht van 4 op 5 oktober 2024. De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster daarom betrouwbaar en zal deze voor het bewijs gebruiken.
De door de verdediging aangevoerde inconsistenties tussen de verschillende verklaringen leiden niet tot een ander oordeel. Het enkele feit dat verklaringen op bepaalde punten verschillen, maakt die verklaringen nog niet onbetrouwbaar of onbruikbaar. In dit geval zijn de door de verdediging aangehaalde punten niet van doorslaggevende betekenis voor de bewezenverklaring.




Steunbewijs

De rechtbank stelt vast dat er voldoende steunbewijs is voor de verklaringen van aangeefster voor het voorval op 5 oktober 2024.



Allereerst worden de verklaringen van aangeefster op essentiële onderdelen ondersteund door de verklaringen van verdachte. Verdachte verklaart dat hij en aangeefster in de nacht van 4 op 5 oktober 2024 seksuele handelingen hebben verricht die bestonden uit het pijpen van verdachte door aangeefster, het vingeren van aangeefster door verdachte, en vaginale penetratie van aangeefster door verdachte.



Ook is er steunbewijs op andere onderdelen van de verklaringen van aangeefster, namelijk voor wat er direct na het voorval is gebeurd. Aangeefster heeft verklaard dat zij overstuur de straat op rende met alleen een topje aan. Zij kwam een man tegen die zij om hulp vroeg. Hij heeft haar zijn jas gegeven. Die man bleek later getuige [getuige 1] te zijn. Hij heeft verklaard dat hij op 5 oktober 2024 rond 04:30 uur een vrouw uit een gebouw zag rennen. Zij zei tegen hem ‘Call the police, give me your jacket’. Getuige [getuige 1] beschrijft dat de vrouw in nood was en wanhopig, dat zij op blote voeten liep en vanaf haar middel naakt was. Hij heeft zijn jas aan de vrouw gegeven.



Daarnaast heeft aangeefster verklaard dat zij bij meer woningen heeft aangebeld en dat zij op een gegeven moment in contact kwam met een man. Aangeefster zei tegen de man dat zij werd gegijzeld en dat hij haar moest helpen. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 2] , die aangeefster ’s nachts heeft binnengelaten in zijn woning en een 112-melding heeft gedaan, en de uitwerking van die 112-melding. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat rond vier uur ’s nachts op 5 oktober 2024 de bel verschillende keren ging. Via de intercom hoorde hij een vrouw in paniek zeggen ‘ik ben ontvoerd, iemand wil mij vermoorden. Doe alsjeblieft de deur open!’. Getuige [getuige 2] liep naar beneden en zag dat de vrouw echt bang was, trilde en moest huilen. Zij had alleen een jas aan. Hij zei dat ze veilig was en belde de politie via 112. De getuige had niet het idee dat de vrouw dronken was. Zij kon goed antwoord geven op de vragen van de getuige en was coherent in haar verhaal.
Uit het proces-verbaal van bevindingen waarin de politie de 112-melding van getuige [getuige 2] heeft beschreven volgt dat tijdens de melding een hard, hoog en huilend geluid van een vrouwenstem te horen is. De vrouw huilt, op enige seconden na, ononderbroken op deze wijze en lijkt te hyperventileren. Daar doorheen klinkt een mannenstem die de vrouw vertelt dat ze veilig is. De man (de rechtbank begrijpt: [getuige 2] ) meldt dat een vrouw voor de deur staat die ontvoerd is, moet huilen en in paniek is.



De in processen-verbaal opgetekende verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en de uitwerking van de 112-melding houden een beschrijving in van een zelfstandige, eigen waarneming van de gemoedstoestand en de gedragingen van aangeefster direct na het plaatsvinden van het voorval. De rechtbank zal deze processen-verbaal daarom gebruiken voor het bewijs.
Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, waarbij de emotionele toestand van aangeefster zou zijn veroorzaakt door het gebruik van alcohol en lachgas, is naar het oordeel van de rechtbank gelet op het hiervoor benoemde steunbewijs niet aannemelijk geworden en wordt daarom terzijde geschoven.



Gelet op de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster, de ondersteuning daarvan door onafhankelijke bevindingen in het dossier en de afwezigheid van contra-indicaties, gaat de rechtbank bij de beoordeling van de tenlastelegging uit van de juistheid van de gebeurtenissen zoals die door aangeefster zijn beschreven.




Gekwalificeerde opzetverkrachting

De rechtbank stelt op basis van de verklaringen van aangeefster vast dat verdachte seksueel is binnengedrongen bij aangeefster, terwijl hij wist dat bij haar daartoe de wil ontbrak en terwijl die opzetverkrachting is voorafgegaan door en vergezeld van dwang, geweld en bedreiging.
Aangeefster heeft samengevat verklaard dat het gedrag van verdachte in de nacht van 5 oktober 2024 veranderde na het gebruik van een aantal ballonnen lachgas. Verdachte gedroeg zich agressief en zei onder andere dat aangeefster een gevaarlijke vrouw was, dat zij hem zou leren kennen en dat hij haar zou laten werken als hoer. Hij zei ook dat aangeefster hem zou gaan pijpen. Aangeefster huilde, heeft gezegd dat zij en verdachte moesten gaan slapen, dat zij haar broek niet wilde uittrekken en dat zij hem niet wilde pijpen. Verdachte negeerde deze signalen en duwde het hoofd van aangeefster richting zijn penis. Hij pakte aangeefster tijdens de seksuele handelingen bij haar haren, hoofd en heupen vast. Aangeefster is bang en in een hevige emotionele toestand naar buiten gerend met enkel een topje aan. Door op deze manier te handelen heeft verdachte met dwang, geweld en bedreiging het seksuele contact afgedwongen. Verdachte heeft zodanige pressie op aangeefster uitgeoefend dat zij niet de mogelijkheid voelde een vrije keuze te maken.




Conclusie

Op basis van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich op 5 oktober 2024 schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting, zoals aan hem primair is ten laste gelegd. Zoals hiervoor is overwogen, gaat de rechtbank uit van de gebeurtenissen zoals aangeefster die heeft beschreven, nu zij aangeefsters verklaringen betrouwbaar acht en deze steun vindt in andere bewijsmiddelen.
De rechtbank acht twee feitelijke handelingen in de tenlastelegging niet bewezen, te weten het op slot zetten van de voordeur en het naar beneden trekken van de (onder)broek van aangeefster. Naar het oordeel van de rechtbank vinden deze feiten onvoldoende ondersteuning in de bewijsmiddelen. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.






5Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:



primair:
op 5 oktober 2024 te Amsterdam met een persoon, te weten [benadeelde partij] , seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft
verricht, te weten:

- door zijn penis naar de mond van die [benadeelde partij] te brengen en
- zich te laten pijpen door die [benadeelde partij] en
- het brengen en duwen van zijn, verdachtes, vingers en penis in de vagina

van die [benadeelde partij] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde partij] daartoe de wil ontbrak en welke
opzetverkrachting werd voorafgaan door en vergezeld van dwang, geweld en bedreiging, door:

- die [benadeelde partij] bij haar haren vast te pakken en
- het hoofd van die [benadeelde partij] stevig vast te pakken en
- het hoofd van die [benadeelde partij] naar zijn geslachtsdeel te duwen en
- die [benadeelde partij] te manen hem te pijpen en
- tegen die [benadeelde partij] te zeggen: "je gaat voor mij werken als hoer. Je gaat mij nu
pijpen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en
- telkens voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van
verzet/weerstand van die [benadeelde partij] , waaronder het huilen.




6De strafbaarheid van het feit


Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.





7De strafbaarheid van verdachte


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.





8Motivering van de straffen en maatregelen


8.1.

De eis van de officier van justitie



De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte primaire feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.




8.2.

Het standpunt van de verdediging



De raadsman van verdachte heeft bepleit dat bij een bewezenverklaring rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder dat een gevangenisstraf van langer dan drie maanden kan leiden tot verlies van zijn ‘omklapwoning’.




8.3.

Het oordeel van de rechtbank



De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.



De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.



Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting en daarmee de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer op ingrijpende wijze geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van feiten als de onderhavige daarvan nog langdurig nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden.
Verdachte heeft het slachtoffer, dat hij al langer kende, verkracht bij hem thuis. Hij heeft haar gepenetreerd met zijn vingers en penis en heeft haar gedwongen hem oraal te bevredigen, waarbij hij haar aan haar haren heeft getrokken. Hij heeft haar verzoeken te stoppen genegeerd. Hij is desondanks doorgegaan met de seksuele handelingen. Verdachte heeft de gevoelens van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen seksuele behoeftes. Uit de verklaring van het slachtoffer bij de rechter-commissaris en de toelichting op haar vordering tot schadevergoeding volgt dat voorval een hevige impact op haar leven heeft gehad. Zij durft niet meer in het [naam park] te lopen, moet EMDR therapie volgen en heeft iedere avond herinneringen aan het voorval. Ook merkt zij in het contact met haar huidige partner dat bepaalde aanrakingen een schrikreactie teweegbrengen.



Verdachte heeft op geen enkele manier laten zien dat hij oog heeft voor het perspectief van het slachtoffer. Dit alles neemt de rechtbank in zwaarwegende zin mee bij het bepalen van de straf.



Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 2 juli 2026 blijkt dat verdachte een aanzienlijk strafblad heeft, maar niet eerder is veroordeeld voor een zedenfeit. Wel is verdachte in 2018 veroordeeld voor mensenhandel en geweld tegen vrouwen. In die zaak had verdachte onder andere geprofiteerd van vrouwen die in de prostitutie werkten. De rechtbank neemt ook deze veroordeling in strafverzwarende zin mee in de persoon van verdachte.



De rechtbank heeft tot slot acht geslagen op het reclasseringsadvies van 20 april 2026. Verdachte heeft (praktische) ondersteuning vanuit het Leger des Heils, zet zich daarvoor in en is niet gemotiveerd voor reclasseringsinterventies. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat zij geen mogelijkheden zien om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen.



Op een feit als dit kan niet ander worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.
De rechtbank ziet gelet op alles wat hiervoor is overwogen geen aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd en acht die straf passend en geboden.



Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.






9Beslag


De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het in de woning van verdachte inbeslaggenomen geld aan hem dient te worden geretourneerd.
De officier van justitie stelt dat voor zover er beslag ligt op bankbiljetten van verdachte, dit kan worden geretourneerd.



De rechtbank stelt vast dat uit de inhoud van het dossier niet blijkt van in de woning van verdachte in beslag genomen bankbiljetten. De rechtbank is bij die stand van zaken van oordeel dat beslag niet aan de orde is.





10De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel



Vordering

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 70.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.




Standpunt Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.




Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft verzocht de immateriële schadevergoeding, bij een bewezenverklaring, te matigen tot € 3.000,-.




Oordeel van de rechtbank

De verdediging heeft, in geval van bewezenverklaring van het primaire feit, de grondslag voor de vordering tot immateriële schade niet betwist. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Gekwalificeerde opzetverkrachting vormt een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit. De aard en ernst van die normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek. De benadeelde partij heeft daarom recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade.



De rechtbank heeft acht geslagen op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend. Op basis daarvan begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid te vergoeden op € 3.000,- (drieduizend euro). De rechtbank wijst de gevorderde vergoeding van immateriële schade tot dat bedrag toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 5 oktober 2024. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.




Proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

Verdachte dient voorts te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.



In het belang van [benadeelde partij] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan verdachte opgelegd.





11Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f (oud) en 243 Sr.



De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.





12Beslissing


Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.



Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.



Het bewezen verklaarde levert op:




ten aanzien van het primair tenlastegelegde:





gekwalificeerde opzetverkrachting.




Verklaart het bewezene strafbaar.



Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.



Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden.



Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze straf geheel in mindering gebracht zal worden.




Vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 oktober 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.



Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.



Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.



Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.




Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 3.000,- (drieduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 oktober 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 30 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.



Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.





Dit vonnis is gewezen door
mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter,
mrs. P. Sloot en C.S. Groefsema, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juli 2026.





[…]