Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7772
2026-07-24
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11877073 CV EXPL 25-12488
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Lid van ee VvE wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige VvE-bijdrage.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.421 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11877073 \ CV EXPL 25-12488
Vonnis van 24 juli 2026
in de zaak van
VERENIGING VAN EIGENAARS VAN HET SERVICEFLATGEBOUW [gebouw] GELEGEN TE [plaats] , [adres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie, gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigde: mr. D.G. Lasschuit,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: [naam 1].
1De Procedure
1.1.
De volgende stukken bevinden zich in het procesdossier:
- de dagvaarding van 1 september 2025, met producties;- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties;
- het proces-verbaal van aanvullend mondeling antwoord van 11 november 2025, met een machtiging;- het instructievonnis van 2 december 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;- dagbepaling mondelinge behandeling.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026, gelijktijdig met de zaak 11948251 CV EXPL 25-15046 tussen de VvE en de gemachtigde van [gedaagde] . Namens de VvE zijn [naam 2] ( [functie 1] ), [naam 3] ( [functie 2] ) en de gemachtigde verschenen. [gedaagde] is verschenen met haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, de gemachtigde van [gedaagde] mede aan de hand van een pleitnotitie, en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord.
1.3.
Ter zitting is de zaak aangehouden om de VvE in de gelegenheid te stellen nader bewijs te leveren. Op 24 april 2026 heeft de VvE een akte nadere onderbouwing van de vordering genomen met producties. Op 20 mei 2026 heeft [gedaagde] een antwoordakte genomen met producties.
1.4.
Op 26 juni 2026 heeft de VvE een akte uitlaten producties genomen.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
2De feiten
in conventie en in reconventie:
2.1.
[gedaagde] is op 31 maart 2020 eigenaar van het appartementsrecht [adres 2] (hierna: de woning) en daardoor van rechtswege lid van de VvE.
2.2.
Op de jaarlijkse algemene ledenvergaderingen van de VvE zijn de VvE bijdragen per lid steeds bij besluit vastgesteld.
2.3.
De VvE heeft facturen gestuurd voor de periodieke VvE bijdrage en incidentele kostenposten gebaseerd op facturen van derden.
2.4.
[gedaagde] heeft deze facturen niet volledig betaald.
3Het geschil
in conventie:
3.1.
De VvE vordert [gedaagde] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van:
€ 18.095,36 aan betalingsachterstand tot en 31 augustus 2025, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2025;
€ 317,94 aan wettelijke rente tot 1 september 2025;
€ 1.118,45 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw;
€ 745,83 voor iedere maand na augustus 2025 gedurende de periode dat [gedaagde] eigenaar is van de woning, met de bepaling dat voornoemd bedrag zal worden aangepast naar de jaarlijkse verlagingen en verhogingen conform rechtsgeldig door de vergadering van eigenaars genomen besluiten;
de proceskosten.
3.2.
De VvE stelt daartoe dat [gedaagde] ondanks aanmaningen en sommaties een achterstand in de verplichte bijdrage heeft laten ontstaan.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen zal hieronder voor zover van belang nader worden ingegaan.
in reconventie:
3.4.
[gedaagde] vordert bij vonnis:
de VvE te veroordelen tot verrekening van een bedrag van € 45.000,-;
de in de KvK genoemde bestuursleden, zowel gezamenlijk als in persoon, te veroordelen tot betaling van € 42.875,-.
de VvE te veroordelen tot betaling van de proceskosten van € 144,47.
3.5.
[gedaagde] stelt daartoe dat zij voor een bedrag van € 45.000,- investeringen heeft gedaan aan de noord- en zuidgevel van de woning, bestaande uit het verwijderen van een wand en deuren naar het balkon, het plaatsen van een geïsoleerde pui en raam met tripple glas en het verwijderen van de radiatoren. Dat zij verder een onveilige, tochtige voordeur heeft verwijderd en een nieuwe brandveilige voordeur heeft laten plaatsen. Ook heeft zij de tochtige binnenwand aan de galerij laten verwijderen en daar een goed geïsoleerde brandveilige binnenwand laten plaatsen, laten schilderen, de elektriciteit vervangen en de elektrische systemen van de zonneschermen laten vernieuwen. Tot slot stelt [gedaagde] dat haar woongenot is verstoord, zij inmiddels al teveel heeft betaald aan de VvE, zij reputatieschade heeft opgelopen en kosten voor deze procedure heeft moeten maken.
3.6.
De VvE voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hieronder voor zover van belang nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie en in reconventie:
4.1.
Gelet op de nauwe samenhang worden de vorderingen in conventie en in reconventie hieronder gezamenlijk behandeld.
4.2.
[gedaagde] betwist dat zij de gevorderde kosten/bijdragen verschuldigd is. De VvE wordt bestuurd door een onrechtmatig bestuur dat de servicekosten en stookkosten dicteert en weigert rekening en verantwoording af te leggen voor de uitgaven. Deze bijdragen komen bovendien niet overeen met hetgeen op de website van de VvE is gepubliceerd. Verder is [gebouw] geen serviceflat. Bovendien worden veel te hoge kosten aan servicekosten in rekening gebracht, aldus [gedaagde] .
4.3.
De VvE heeft bij dagvaarding een specificatie van de gevorderde bedragen overgelegd. Na de mondelinge behandeling heeft de VvE ook jaaroverzichten van de gevorderde kosten over 2021 tot en met 2025 overgelegd met de daarbij horende relevante stukken en besluiten van de algemene ledenvergaderingen van de VvE. Tegenover deze stukken heeft [gedaagde] onvoldoende betwist dat de gevorderde kosten/bijdragen onterecht in rekening zijn gebracht. De website van de VvE is daarvoor niet leidend, maar de besluiten van de algemene ledenvergadering. Ingevolge artikel 5:113 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is [gedaagde] verplicht de door de vergadering bij besluit vastgestelde bijdragen te betalen. Als zij het niet eens was met die besluiten van de VvE had zij binnen vier weken daarna vernietiging van die besluiten aan de kantonrechter kunnen vragen, maar dat heeft zij niet gedaan. Dit betekent dat de hoogte van de verplichte bijdragen per jaar nu vaststaan. [gedaagde] stelt nog wel dat een VvE sinds 2016 verplicht is om een onafhankelijke kascommissie de inkomsten en uitgaven te laten controleren en dat dit nooit is gebeurd, maar deze verplichting volgt niet uit de wet. Ingevolge artikel 2:48 BW dient de kascommissie te worden gevormd door twee leden van de VvE, niet zijnde het bestuur, maar dus niet door van de VvE onafhankelijke personen.
4.4.
De vorderingen in conventie zijn dan ook toewijsbaar. Niet in de laatste plaats omdat [gedaagde] niet betwist dat zij minder dan de gefactureerde bedragen heeft betaald. Ook de gevorderde buitengerechtelijk kosten en rente zijn toewijsbaar.
4.5.
De vorderingen in reconventie zijn niet toewijsbaar. Tegenover het verweer van de VvE heeft [gedaagde] onvoldoende toegelicht dat zij kosten ten bedrage van € 45.000,- heeft gemaakt. Bovendien valt niet in te zien dat deze kosten voor rekening van de VvE dienen te komen, maar als dat al het geval zou zijn, had zij alvorens deze werkzaamheden te laten uitvoeren toestemming moeten vragen van de VvE. Dat heeft zij niet gedaan. Deze kosten komen daarom ook niet voor verrekening in aanmerking.
Tot slot vordert [gedaagde] de bestuurders van de VvE te veroordelen tot betaling, maar dat is niet mogelijk in deze procedure omdat zij geen procespartij zijn. Daarnaast geldt dat [gedaagde] geen proceskostenvergoeding toekomt, nu zij in deze procedure in het ongelijk wordt gesteld.
4.6.
Slotsom is dan ook dat de vorderingen in conventie worden toegewezen en in reconventie worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten van de VvE.
4.7.
[gedaagde] is in conventie en in reconventie in het ongelijk gesteld. Daarom zal zij worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief de nakosten) van de VvE in deze procedure.
4.8.
De proceskosten van de VvE worden in conventie begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
1.461,00
- salaris gemachtigde
€
1.080,00
(2,5 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.830,45
4.9.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden de proceskosten in reconventie op nihil gesteld.
5De beslissing
De kantonrechter:
in conventie en in reconventie:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 19.531,75, vermeerderd met de wettelijke rente over € 18.095,35 vanaf 1 september 2025 tot aan de dag van gehele voldoening;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 745,83 voor iedere maand na augustus 2025 gedurende de periode dat zij eigenaar is van de woning, met de bepaling dat voornoemd bedrag zal worden aangepast naar de jaarlijkse verlagingen en verhogingen conform rechtsgeldig door de vergadering van eigenaars genomen besluiten;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.830,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar
uitgesproken op 24 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
811
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11877073 \ CV EXPL 25-12488
Vonnis van 24 juli 2026
in de zaak van
VERENIGING VAN EIGENAARS VAN HET SERVICEFLATGEBOUW [gebouw] GELEGEN TE [plaats] , [adres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie, gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigde: mr. D.G. Lasschuit,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: [naam 1].
1De Procedure
1.1.
De volgende stukken bevinden zich in het procesdossier:
- de dagvaarding van 1 september 2025, met producties;- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties;
- het proces-verbaal van aanvullend mondeling antwoord van 11 november 2025, met een machtiging;- het instructievonnis van 2 december 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;- dagbepaling mondelinge behandeling.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026, gelijktijdig met de zaak 11948251 CV EXPL 25-15046 tussen de VvE en de gemachtigde van [gedaagde] . Namens de VvE zijn [naam 2] ( [functie 1] ), [naam 3] ( [functie 2] ) en de gemachtigde verschenen. [gedaagde] is verschenen met haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, de gemachtigde van [gedaagde] mede aan de hand van een pleitnotitie, en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord.
1.3.
Ter zitting is de zaak aangehouden om de VvE in de gelegenheid te stellen nader bewijs te leveren. Op 24 april 2026 heeft de VvE een akte nadere onderbouwing van de vordering genomen met producties. Op 20 mei 2026 heeft [gedaagde] een antwoordakte genomen met producties.
1.4.
Op 26 juni 2026 heeft de VvE een akte uitlaten producties genomen.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
2De feiten
in conventie en in reconventie:
2.1.
[gedaagde] is op 31 maart 2020 eigenaar van het appartementsrecht [adres 2] (hierna: de woning) en daardoor van rechtswege lid van de VvE.
2.2.
Op de jaarlijkse algemene ledenvergaderingen van de VvE zijn de VvE bijdragen per lid steeds bij besluit vastgesteld.
2.3.
De VvE heeft facturen gestuurd voor de periodieke VvE bijdrage en incidentele kostenposten gebaseerd op facturen van derden.
2.4.
[gedaagde] heeft deze facturen niet volledig betaald.
3Het geschil
in conventie:
3.1.
De VvE vordert [gedaagde] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van:
€ 18.095,36 aan betalingsachterstand tot en 31 augustus 2025, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2025;
€ 317,94 aan wettelijke rente tot 1 september 2025;
€ 1.118,45 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw;
€ 745,83 voor iedere maand na augustus 2025 gedurende de periode dat [gedaagde] eigenaar is van de woning, met de bepaling dat voornoemd bedrag zal worden aangepast naar de jaarlijkse verlagingen en verhogingen conform rechtsgeldig door de vergadering van eigenaars genomen besluiten;
de proceskosten.
3.2.
De VvE stelt daartoe dat [gedaagde] ondanks aanmaningen en sommaties een achterstand in de verplichte bijdrage heeft laten ontstaan.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen zal hieronder voor zover van belang nader worden ingegaan.
in reconventie:
3.4.
[gedaagde] vordert bij vonnis:
de VvE te veroordelen tot verrekening van een bedrag van € 45.000,-;
de in de KvK genoemde bestuursleden, zowel gezamenlijk als in persoon, te veroordelen tot betaling van € 42.875,-.
de VvE te veroordelen tot betaling van de proceskosten van € 144,47.
3.5.
[gedaagde] stelt daartoe dat zij voor een bedrag van € 45.000,- investeringen heeft gedaan aan de noord- en zuidgevel van de woning, bestaande uit het verwijderen van een wand en deuren naar het balkon, het plaatsen van een geïsoleerde pui en raam met tripple glas en het verwijderen van de radiatoren. Dat zij verder een onveilige, tochtige voordeur heeft verwijderd en een nieuwe brandveilige voordeur heeft laten plaatsen. Ook heeft zij de tochtige binnenwand aan de galerij laten verwijderen en daar een goed geïsoleerde brandveilige binnenwand laten plaatsen, laten schilderen, de elektriciteit vervangen en de elektrische systemen van de zonneschermen laten vernieuwen. Tot slot stelt [gedaagde] dat haar woongenot is verstoord, zij inmiddels al teveel heeft betaald aan de VvE, zij reputatieschade heeft opgelopen en kosten voor deze procedure heeft moeten maken.
3.6.
De VvE voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hieronder voor zover van belang nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie en in reconventie:
4.1.
Gelet op de nauwe samenhang worden de vorderingen in conventie en in reconventie hieronder gezamenlijk behandeld.
4.2.
[gedaagde] betwist dat zij de gevorderde kosten/bijdragen verschuldigd is. De VvE wordt bestuurd door een onrechtmatig bestuur dat de servicekosten en stookkosten dicteert en weigert rekening en verantwoording af te leggen voor de uitgaven. Deze bijdragen komen bovendien niet overeen met hetgeen op de website van de VvE is gepubliceerd. Verder is [gebouw] geen serviceflat. Bovendien worden veel te hoge kosten aan servicekosten in rekening gebracht, aldus [gedaagde] .
4.3.
De VvE heeft bij dagvaarding een specificatie van de gevorderde bedragen overgelegd. Na de mondelinge behandeling heeft de VvE ook jaaroverzichten van de gevorderde kosten over 2021 tot en met 2025 overgelegd met de daarbij horende relevante stukken en besluiten van de algemene ledenvergaderingen van de VvE. Tegenover deze stukken heeft [gedaagde] onvoldoende betwist dat de gevorderde kosten/bijdragen onterecht in rekening zijn gebracht. De website van de VvE is daarvoor niet leidend, maar de besluiten van de algemene ledenvergadering. Ingevolge artikel 5:113 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is [gedaagde] verplicht de door de vergadering bij besluit vastgestelde bijdragen te betalen. Als zij het niet eens was met die besluiten van de VvE had zij binnen vier weken daarna vernietiging van die besluiten aan de kantonrechter kunnen vragen, maar dat heeft zij niet gedaan. Dit betekent dat de hoogte van de verplichte bijdragen per jaar nu vaststaan. [gedaagde] stelt nog wel dat een VvE sinds 2016 verplicht is om een onafhankelijke kascommissie de inkomsten en uitgaven te laten controleren en dat dit nooit is gebeurd, maar deze verplichting volgt niet uit de wet. Ingevolge artikel 2:48 BW dient de kascommissie te worden gevormd door twee leden van de VvE, niet zijnde het bestuur, maar dus niet door van de VvE onafhankelijke personen.
4.4.
De vorderingen in conventie zijn dan ook toewijsbaar. Niet in de laatste plaats omdat [gedaagde] niet betwist dat zij minder dan de gefactureerde bedragen heeft betaald. Ook de gevorderde buitengerechtelijk kosten en rente zijn toewijsbaar.
4.5.
De vorderingen in reconventie zijn niet toewijsbaar. Tegenover het verweer van de VvE heeft [gedaagde] onvoldoende toegelicht dat zij kosten ten bedrage van € 45.000,- heeft gemaakt. Bovendien valt niet in te zien dat deze kosten voor rekening van de VvE dienen te komen, maar als dat al het geval zou zijn, had zij alvorens deze werkzaamheden te laten uitvoeren toestemming moeten vragen van de VvE. Dat heeft zij niet gedaan. Deze kosten komen daarom ook niet voor verrekening in aanmerking.
Tot slot vordert [gedaagde] de bestuurders van de VvE te veroordelen tot betaling, maar dat is niet mogelijk in deze procedure omdat zij geen procespartij zijn. Daarnaast geldt dat [gedaagde] geen proceskostenvergoeding toekomt, nu zij in deze procedure in het ongelijk wordt gesteld.
4.6.
Slotsom is dan ook dat de vorderingen in conventie worden toegewezen en in reconventie worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten van de VvE.
4.7.
[gedaagde] is in conventie en in reconventie in het ongelijk gesteld. Daarom zal zij worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief de nakosten) van de VvE in deze procedure.
4.8.
De proceskosten van de VvE worden in conventie begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
1.461,00
- salaris gemachtigde
€
1.080,00
(2,5 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.830,45
4.9.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden de proceskosten in reconventie op nihil gesteld.
5De beslissing
De kantonrechter:
in conventie en in reconventie:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 19.531,75, vermeerderd met de wettelijke rente over € 18.095,35 vanaf 1 september 2025 tot aan de dag van gehele voldoening;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 745,83 voor iedere maand na augustus 2025 gedurende de periode dat zij eigenaar is van de woning, met de bepaling dat voornoemd bedrag zal worden aangepast naar de jaarlijkse verlagingen en verhogingen conform rechtsgeldig door de vergadering van eigenaars genomen besluiten;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.830,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar
uitgesproken op 24 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
811