Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7761
2026-07-30
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
AMS 22/1030
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eiser heeft niet mee willen werken met het deskundigenonderzoek, ondanks dat de rechtbank hem erop heeft gewezen dat hij verplicht is mee te werken en het negatieve gevolgen kan hebben als hij dit niet doet. De rechtbank ziet zich daarom genoodzaakt om op basis van de wel voorhanden zijnde gegevens een bewijsrechtelijk oordeel te vellen. De rechtbank volgt het rapport van het Uwv en niet het tegenrapport van eiser. Ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2025:1302 Centrale Raad van Beroep 28-08-2025
- ECLI:NL:CRVB:2018:919 Centrale Raad van Beroep 22-03-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.485 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 22/1030 en 24/735
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2026 in de zaken tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. F. Bovenberg),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: [gemachtigde]).
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank beroepen van eiser tegen de vaststelling van het Uwv dat eiser niet in aanmerking komt voor een verkorte wachttijd voor een WIA-uitkering en dat eiser 67,01% arbeidsongeschikt is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluiten van het Uwv in stand blijven, ondanks dat er twijfel is ontstaan over het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv, vanwege het door eiser ingediende onderzoek door een door hem ingeschakelde verzekeringsarts.
1.2.
De rechtbank zag daarin aanleiding een deskundigenonderzoek te bevelen, maar eiser heeft hieraan niet meegewerkt. Hierdoor zag de rechtbank zich genoodzaakt om zelf een keuze te maken welke deskundige gevolgd moest worden. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het Uwv zich op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft mogen baseren. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 2 juni 2021 staat dat eiser niet in aanmerking komt voor een verkorte wachttijd voor de WIA. Met het bestreden besluit I van 12 januari 2022 is het Uwv bij dat besluit gebleven. Het Uwv heeft verwezen naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waarin staat dat eiser niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit is wel een voorwaarde om in aanmerking te komen voor de verkorte wachttijd. Eiser heeft daartegen op 17 februari 2022 beroep ingesteld.
2.1.
In het besluit van 25 mei 2022 is aan eiser per 26 mei 2022 een WIA-uitkering, meer specifiek een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het Uwv heeft zich gebaseerd op rapporten van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige. Met het bestreden besluit II van 3 januari 2024 is dit besluit door het Uwv heroverwogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kwam tot andere functionele mogelijkheden dan de verzekeringsarts. De Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) werd daarom gewijzigd. Op basis van de gewijzigde FML kwam de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ook tot een ander arbeidsongeschiktheidspercentage, namelijk 67,01%.
2.2.
Eiser heeft op 30 januari 2024 beroep ingesteld tegen dit besluit. Eiser heeft hierbij een rapport van een door hem ingeschakelde verzekeringsarts overgelegd. Het Uwv heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 19 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv. Eiser was niet aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
2.4.
De rechtbank heeft op 5 maart 2025 het onderzoek ter zitting heropend. De rechtbank zag in het verschil van visie tussen de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv en de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts reden om een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Deze deskundige is een verzekeringsarts, maar zij zou ook de expertise van een psychiater inroepen die werkzaam is bij hetzelfde expertisebureau.
2.5.
Eiser heeft op 14 april 2025 laten weten dat hij het belang van het inschakelen van een psychiater niet inziet, omdat het geschil alleen ziet op de vertaling van een psychiatrisch rapport naar een verzekeringsgeneeskundig rapport. Eiser wil ook niet opnieuw in persoon onderzocht worden.
2.6.
De rechtbank heeft op 14 augustus 2025 toegelicht dat zij het onderzoek door een psychiater wel noodzakelijk acht en heeft eiser erop gewezen dat hij verplicht is mee te werken aan een deskundigenonderzoek en dat als hij toch niet meewerkt, de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die haar gerade voorkomen. Mocht eiser geen volledige medewerking geven aan het onderzoek dan zou dit aanleiding kunnen geven voor toepassing van dit artikel in het nadeel van eiser.
2.7.
Eiser heeft op 9 september 2025 laten weten dat hij mee zal werken. Eiser is vervolgens op 27 oktober 2025 door het expertisebureau [naam] opgeroepen voor een onderzoek op 2 februari 2026.
2.8.
Op 4 november 2025 heeft eiser geweigerd de machtiging waarmee de deskundige toestemming zou krijgen om informatie op te vragen bij eisers behandelaars te ondertekenen, omdat hem niet duidelijk is wie welke informatie mag opvragen. Hij verzoekt ook om een ander expertisebureau in te schakelen, omdat hij een beter gevoel heeft bij een ander expertisebureau.
2.9.
De rechtbank heeft op 10 november 2025 gereageerd dat het om een machtiging gaat die noodzakelijk is en in alle medische zaken door de rechtbank wordt gebruikt. De deskundige is verplicht om vertrouwelijk om te gaan met de door hem verkregen gegevens. De rechtbank heeft het verzoek om een ander expertisebureau in te schakelen afgewezen, omdat er geen concrete aanleiding bestaat om een ander expertisebureau in te schakelen. Ook wordt eiser wederom op de gevolgen van het niet meewerken aan een deskundigenonderzoek gewezen.
2.10.
Op 21 november 2025, 5 januari, 27 januari en 30 januari 2026 heeft eiser zijn verzoek om een ander expertisebureau in te schakelen herhaald.
2.11.
De rechtbank heeft op 28 januari 2026 aan partijen laten weten dat de beroepen opnieuw op zitting zullen worden behandeld. Aangekondigd wordt dat eiser en het Uwv zullen worden opgeroepen.
2.12.
Op 3 februari 2026 heeft [naam] aan de rechtbank laten weten dat eiser zich heeft afgemeld voor het onderzoek.
2.13.
De rechtbank heeft vervolgens op 6 mei 2025 de zaak opnieuw op zitting behandeld. Door een administratieve omissie hebben partijen daarvan wel een kennisgeving ontvangen, maar zijn zij niet opgeroepen. Eiser is niet verschenen. Aan de zitting hebben wel de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv deelgenomen.
Beoordeling van de beroepen door de rechtbank
3. Eiser voert aan dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dus recht heeft op een IVA-uitkering. Eiser verwijst naar een rapport van de door het Uwv ingeschakelde psychiater van 6 juni 2023. Daarin staat dat behandeling tot weinig verbetering binnen één of twee jaar zal leiden, gelet op de complexiteit van het psychiatrische beeld. De vraag is ook of een dergelijke behandeling aangeboden kan worden. Ook zal eiser waarschijnlijk afhaken. Dit past bij de aandoeningen van eiser en komt niet voor uit een bewuste onwil. Eiser heeft zelf ook een verzekeringsarts ingeschakeld. Uit dit rapport volgt dat eiser marginaal belastbaar is per 26 mei 2022. Volgens deze verzekeringsarts was deze belastbaarheid ook al van toepassing in 2020.
4. De rechtbank stelt vast dat de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts niet tot dezelfde conclusies komt als de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft tijdens de beroepsprocedure kennisgenomen van het rapport van de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts, maar dit heeft niet tot een ander standpunt geleid. Daarbij heeft het Uwv opgemerkt dat de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts eiser ook niet heeft gesproken en gezien.
4.1.
De rechtbank heeft vanwege de afwijkende standpunten aanleiding gezien om zelf deskundigen in te schakelen. Daarbij is van belang dat beide rapporten op zichzelf inzichtelijk gemotiveerd zijn, maar dat de rechtbank niet de medische deskundigheid heeft om zelf te beoordelen welke verzekeringsarts de meest juiste beoordeling heeft gedaan.
4.2.
Eiser heeft vervolgens op meerdere punten niet mee willen werken met het deskundigenonderzoek, ondanks dat de rechtbank hem erop heeft gewezen dat hij verplicht is mee te werken en het negatieve gevolgen kan hebben als hij dit niet doet. Eisers laatste kritiek was dat hij liever door een ander expertisebureau onderzocht wil worden, omdat hij een beter gevoel heeft bij een ander expertisebureau. Volgens eiser is hierbij van belang dat hij achter het in te schakelen expertisebureau kan staan, vanwege zijn medische situatie. Als er te veel spanningen ontstaan, heeft dit mogelijk invloed op het zorgvuldig kunnen uitvoeren van de onderzoeken. Op de zitting is hierover toegelicht dat eiser negatieve geluiden heeft gehoord over het door de rechtbank beoogde expertisebureau en dat het juist bij zijn problematiek past dat hij zich hier niet meer overheen kan zetten.
4.3.
De rechtbank ziet daarin geen reden om een ander expertisebureau in te schakelen. Dat het expertisebureau niet geschikt zou zijn, is onvoldoende onderbouwd. Op voorhand bestaat er geen reden om een door de rechtbank benoemde deskundige in twijfel te trekken. Dat het bij zijn problematiek past dat hij zich er niet meer toe kan zetten om alsnog naar een deskundige (niet een behandelaar) te gaan, is niet onderbouwd.
4.4.
De rechtbank ziet zich, gelet op voorgaande, genoodzaakt om op basis van de wel voorhanden zijnde gegevens een bewijsrechtelijk oordeel te vellen. Daarbij is als eerste van belang dat alleen de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv eiser gezien en gesproken heeft. Diens onderzoek was dus vollediger dan dat van de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts. Ten tweede is van belang dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv inzichtelijk is en inhoudelijk ook ingaat op de conclusies van de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts. Uit het tegenrapport blijkt ook niet ondubbelzinnig dat eiser wel een IVA-uitkering toegekend had moeten worden. De drempel daarvoor ligt hoog. Er is ten slotte geen aanleiding om eiser een voordeel van de twijfel te geven waar hem meerdere malen de gelegenheid is geboden medewerking te verlenen aan een onafhankelijk deskundigenonderzoek, maar hij daaraan geen medewerking heeft verleend.
4.5.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het Uwv zich heeft mogen baseren op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
4.6.
Dit betekent ook dat het Uwv terecht het verzoek om verkorte wachttijd heeft afgewezen.
Beoordeling van het verzoek om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
5. Eiser verzoekt om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak mag de behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepsprocedure sprake is, maximaal 24 maanden en dus twee jaar duren. De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Hierbij mag de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar duren en de behandeling van het beroep hoogstens anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Voor elk (gedeelte van een) half jaar dat deze termijn wordt overschreden, wordt een schadevergoeding van € 500 toegekend.
5.2.
In dit geval is sprake van twee bezwaarschriften. De rechtbank stelt vast dat de zaken beide betrekking hebben op het recht van eiser op een WIA-uitkering. Nu deze zaken betrekking hebben op hetzelfde onderwerp en in de rechterlijke fase gezamenlijk zijn behandeld wordt slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd.
5.3.
Gerekend vanaf de ontvangst van het oudste bezwaarschrift op 24 juni 2021 tegen bestreden besluit I tot de datum van deze uitspraak, heeft de procedure 59 maanden en dus vier jaar en elf maanden geduurd. In dit geval zijn er omstandigheden die een langere behandelingsduur rechtvaardigen. Vanwege de opstelling van eiser komt de periode na de eerste zitting niet meer voor vergoeding in aanmerking. Tot aan de eerste zitting van 19 februari 2025 is die periode (afgerond) drie jaren en acht maanden.
5.4.
Dat mondt uit in een totale overschrijding van één jaar en acht maanden. Dat resulteert in een totale schadevergoeding van € 2.000 (naar boven afgerond). Het Uwv en de rechtbank moeten ieder de helft vergoeden, omdat het Uwv en de rechtbank de redelijke behandelingsduur van respectievelijk de bezwaarfase en de beroepsfase van beide zaken in vergelijkbare mate hebben overschreden.
Conclusie en gevolgen
6. De beroepen zijn ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser krijgt wel een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn van in totaal € 2.000. Voor het verzoek tot vergoeding van schade wordt een proceskostenvergoeding van € 467 toegekend (1 punt van € 934 met wegingsfactor 0,5). Het Uwv en de Staat der Nederlanden moeten hiervan ieder de helft vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt het Uwv tot het betalen van € 1.000 aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt het Uwv en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) elk apart tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 1.000 aan schadevergoeding aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitkering op de grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Eiser heeft in AMS 22/1030 beroep ingesteld tegen dit bestreden besluit.
Eiser heeft in AMS 24/735 beroep ingesteld tegen dit bestreden besluit.
Op grond van artikel 8:30, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van artikel 8:31, van de Awb.
Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.
Zie ook CRvB 28 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1302.
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Zie CRvB 22 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:919.
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 22/1030 en 24/735
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2026 in de zaken tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. F. Bovenberg),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: [gemachtigde]).
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank beroepen van eiser tegen de vaststelling van het Uwv dat eiser niet in aanmerking komt voor een verkorte wachttijd voor een WIA-uitkering en dat eiser 67,01% arbeidsongeschikt is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluiten van het Uwv in stand blijven, ondanks dat er twijfel is ontstaan over het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv, vanwege het door eiser ingediende onderzoek door een door hem ingeschakelde verzekeringsarts.
1.2.
De rechtbank zag daarin aanleiding een deskundigenonderzoek te bevelen, maar eiser heeft hieraan niet meegewerkt. Hierdoor zag de rechtbank zich genoodzaakt om zelf een keuze te maken welke deskundige gevolgd moest worden. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het Uwv zich op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft mogen baseren. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 2 juni 2021 staat dat eiser niet in aanmerking komt voor een verkorte wachttijd voor de WIA. Met het bestreden besluit I van 12 januari 2022 is het Uwv bij dat besluit gebleven. Het Uwv heeft verwezen naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waarin staat dat eiser niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit is wel een voorwaarde om in aanmerking te komen voor de verkorte wachttijd. Eiser heeft daartegen op 17 februari 2022 beroep ingesteld.
2.1.
In het besluit van 25 mei 2022 is aan eiser per 26 mei 2022 een WIA-uitkering, meer specifiek een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het Uwv heeft zich gebaseerd op rapporten van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige. Met het bestreden besluit II van 3 januari 2024 is dit besluit door het Uwv heroverwogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kwam tot andere functionele mogelijkheden dan de verzekeringsarts. De Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) werd daarom gewijzigd. Op basis van de gewijzigde FML kwam de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ook tot een ander arbeidsongeschiktheidspercentage, namelijk 67,01%.
2.2.
Eiser heeft op 30 januari 2024 beroep ingesteld tegen dit besluit. Eiser heeft hierbij een rapport van een door hem ingeschakelde verzekeringsarts overgelegd. Het Uwv heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 19 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv. Eiser was niet aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
2.4.
De rechtbank heeft op 5 maart 2025 het onderzoek ter zitting heropend. De rechtbank zag in het verschil van visie tussen de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv en de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts reden om een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Deze deskundige is een verzekeringsarts, maar zij zou ook de expertise van een psychiater inroepen die werkzaam is bij hetzelfde expertisebureau.
2.5.
Eiser heeft op 14 april 2025 laten weten dat hij het belang van het inschakelen van een psychiater niet inziet, omdat het geschil alleen ziet op de vertaling van een psychiatrisch rapport naar een verzekeringsgeneeskundig rapport. Eiser wil ook niet opnieuw in persoon onderzocht worden.
2.6.
De rechtbank heeft op 14 augustus 2025 toegelicht dat zij het onderzoek door een psychiater wel noodzakelijk acht en heeft eiser erop gewezen dat hij verplicht is mee te werken aan een deskundigenonderzoek en dat als hij toch niet meewerkt, de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die haar gerade voorkomen. Mocht eiser geen volledige medewerking geven aan het onderzoek dan zou dit aanleiding kunnen geven voor toepassing van dit artikel in het nadeel van eiser.
2.7.
Eiser heeft op 9 september 2025 laten weten dat hij mee zal werken. Eiser is vervolgens op 27 oktober 2025 door het expertisebureau [naam] opgeroepen voor een onderzoek op 2 februari 2026.
2.8.
Op 4 november 2025 heeft eiser geweigerd de machtiging waarmee de deskundige toestemming zou krijgen om informatie op te vragen bij eisers behandelaars te ondertekenen, omdat hem niet duidelijk is wie welke informatie mag opvragen. Hij verzoekt ook om een ander expertisebureau in te schakelen, omdat hij een beter gevoel heeft bij een ander expertisebureau.
2.9.
De rechtbank heeft op 10 november 2025 gereageerd dat het om een machtiging gaat die noodzakelijk is en in alle medische zaken door de rechtbank wordt gebruikt. De deskundige is verplicht om vertrouwelijk om te gaan met de door hem verkregen gegevens. De rechtbank heeft het verzoek om een ander expertisebureau in te schakelen afgewezen, omdat er geen concrete aanleiding bestaat om een ander expertisebureau in te schakelen. Ook wordt eiser wederom op de gevolgen van het niet meewerken aan een deskundigenonderzoek gewezen.
2.10.
Op 21 november 2025, 5 januari, 27 januari en 30 januari 2026 heeft eiser zijn verzoek om een ander expertisebureau in te schakelen herhaald.
2.11.
De rechtbank heeft op 28 januari 2026 aan partijen laten weten dat de beroepen opnieuw op zitting zullen worden behandeld. Aangekondigd wordt dat eiser en het Uwv zullen worden opgeroepen.
2.12.
Op 3 februari 2026 heeft [naam] aan de rechtbank laten weten dat eiser zich heeft afgemeld voor het onderzoek.
2.13.
De rechtbank heeft vervolgens op 6 mei 2025 de zaak opnieuw op zitting behandeld. Door een administratieve omissie hebben partijen daarvan wel een kennisgeving ontvangen, maar zijn zij niet opgeroepen. Eiser is niet verschenen. Aan de zitting hebben wel de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv deelgenomen.
Beoordeling van de beroepen door de rechtbank
3. Eiser voert aan dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dus recht heeft op een IVA-uitkering. Eiser verwijst naar een rapport van de door het Uwv ingeschakelde psychiater van 6 juni 2023. Daarin staat dat behandeling tot weinig verbetering binnen één of twee jaar zal leiden, gelet op de complexiteit van het psychiatrische beeld. De vraag is ook of een dergelijke behandeling aangeboden kan worden. Ook zal eiser waarschijnlijk afhaken. Dit past bij de aandoeningen van eiser en komt niet voor uit een bewuste onwil. Eiser heeft zelf ook een verzekeringsarts ingeschakeld. Uit dit rapport volgt dat eiser marginaal belastbaar is per 26 mei 2022. Volgens deze verzekeringsarts was deze belastbaarheid ook al van toepassing in 2020.
4. De rechtbank stelt vast dat de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts niet tot dezelfde conclusies komt als de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft tijdens de beroepsprocedure kennisgenomen van het rapport van de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts, maar dit heeft niet tot een ander standpunt geleid. Daarbij heeft het Uwv opgemerkt dat de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts eiser ook niet heeft gesproken en gezien.
4.1.
De rechtbank heeft vanwege de afwijkende standpunten aanleiding gezien om zelf deskundigen in te schakelen. Daarbij is van belang dat beide rapporten op zichzelf inzichtelijk gemotiveerd zijn, maar dat de rechtbank niet de medische deskundigheid heeft om zelf te beoordelen welke verzekeringsarts de meest juiste beoordeling heeft gedaan.
4.2.
Eiser heeft vervolgens op meerdere punten niet mee willen werken met het deskundigenonderzoek, ondanks dat de rechtbank hem erop heeft gewezen dat hij verplicht is mee te werken en het negatieve gevolgen kan hebben als hij dit niet doet. Eisers laatste kritiek was dat hij liever door een ander expertisebureau onderzocht wil worden, omdat hij een beter gevoel heeft bij een ander expertisebureau. Volgens eiser is hierbij van belang dat hij achter het in te schakelen expertisebureau kan staan, vanwege zijn medische situatie. Als er te veel spanningen ontstaan, heeft dit mogelijk invloed op het zorgvuldig kunnen uitvoeren van de onderzoeken. Op de zitting is hierover toegelicht dat eiser negatieve geluiden heeft gehoord over het door de rechtbank beoogde expertisebureau en dat het juist bij zijn problematiek past dat hij zich hier niet meer overheen kan zetten.
4.3.
De rechtbank ziet daarin geen reden om een ander expertisebureau in te schakelen. Dat het expertisebureau niet geschikt zou zijn, is onvoldoende onderbouwd. Op voorhand bestaat er geen reden om een door de rechtbank benoemde deskundige in twijfel te trekken. Dat het bij zijn problematiek past dat hij zich er niet meer toe kan zetten om alsnog naar een deskundige (niet een behandelaar) te gaan, is niet onderbouwd.
4.4.
De rechtbank ziet zich, gelet op voorgaande, genoodzaakt om op basis van de wel voorhanden zijnde gegevens een bewijsrechtelijk oordeel te vellen. Daarbij is als eerste van belang dat alleen de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv eiser gezien en gesproken heeft. Diens onderzoek was dus vollediger dan dat van de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts. Ten tweede is van belang dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv inzichtelijk is en inhoudelijk ook ingaat op de conclusies van de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts. Uit het tegenrapport blijkt ook niet ondubbelzinnig dat eiser wel een IVA-uitkering toegekend had moeten worden. De drempel daarvoor ligt hoog. Er is ten slotte geen aanleiding om eiser een voordeel van de twijfel te geven waar hem meerdere malen de gelegenheid is geboden medewerking te verlenen aan een onafhankelijk deskundigenonderzoek, maar hij daaraan geen medewerking heeft verleend.
4.5.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het Uwv zich heeft mogen baseren op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
4.6.
Dit betekent ook dat het Uwv terecht het verzoek om verkorte wachttijd heeft afgewezen.
Beoordeling van het verzoek om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
5. Eiser verzoekt om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak mag de behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepsprocedure sprake is, maximaal 24 maanden en dus twee jaar duren. De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Hierbij mag de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar duren en de behandeling van het beroep hoogstens anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Voor elk (gedeelte van een) half jaar dat deze termijn wordt overschreden, wordt een schadevergoeding van € 500 toegekend.
5.2.
In dit geval is sprake van twee bezwaarschriften. De rechtbank stelt vast dat de zaken beide betrekking hebben op het recht van eiser op een WIA-uitkering. Nu deze zaken betrekking hebben op hetzelfde onderwerp en in de rechterlijke fase gezamenlijk zijn behandeld wordt slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd.
5.3.
Gerekend vanaf de ontvangst van het oudste bezwaarschrift op 24 juni 2021 tegen bestreden besluit I tot de datum van deze uitspraak, heeft de procedure 59 maanden en dus vier jaar en elf maanden geduurd. In dit geval zijn er omstandigheden die een langere behandelingsduur rechtvaardigen. Vanwege de opstelling van eiser komt de periode na de eerste zitting niet meer voor vergoeding in aanmerking. Tot aan de eerste zitting van 19 februari 2025 is die periode (afgerond) drie jaren en acht maanden.
5.4.
Dat mondt uit in een totale overschrijding van één jaar en acht maanden. Dat resulteert in een totale schadevergoeding van € 2.000 (naar boven afgerond). Het Uwv en de rechtbank moeten ieder de helft vergoeden, omdat het Uwv en de rechtbank de redelijke behandelingsduur van respectievelijk de bezwaarfase en de beroepsfase van beide zaken in vergelijkbare mate hebben overschreden.
Conclusie en gevolgen
6. De beroepen zijn ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser krijgt wel een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn van in totaal € 2.000. Voor het verzoek tot vergoeding van schade wordt een proceskostenvergoeding van € 467 toegekend (1 punt van € 934 met wegingsfactor 0,5). Het Uwv en de Staat der Nederlanden moeten hiervan ieder de helft vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt het Uwv tot het betalen van € 1.000 aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt het Uwv en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) elk apart tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 1.000 aan schadevergoeding aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitkering op de grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Eiser heeft in AMS 22/1030 beroep ingesteld tegen dit bestreden besluit.
Eiser heeft in AMS 24/735 beroep ingesteld tegen dit bestreden besluit.
Op grond van artikel 8:30, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van artikel 8:31, van de Awb.
Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.
Zie ook CRvB 28 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1302.
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Zie CRvB 22 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:919.