Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7755

2026-05-13 Civiel recht C/13/784921 / KG ZA 26-196
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-05-13
Publicatiedatum
2026-07-29
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/13/784921 / KG ZA 26-196
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Einde erfpachtrelatie. Tijdelijke erfpacht. Inroepen kooprecht. Uitleg erfpachtakte.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (29.261 tekens)
RECHTBANK Amsterdam


Civiel recht, voorzieningenrechter



Zaaknummer: C/13/784921 / KG ZA 26-196 MK/EvK




Vonnis in kort geding van 13 mei 2026




in de zaak van




STICHTING [stichting],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie bij dagvaarding van 27 maart 2026,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de stichting,
advocaat: mr. D.R.E. van der Heijden en mr. E. Baljić,



tegen




GEMEENTE AMSTELVEEN,
te Amstelveen ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. W. Leistra en mr. S. van der Linde.






1De procedure


1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 21 april 2026 heeft de stichting de dagvaarding toegelicht. De gemeente heeft op basis van een vooraf ingediende conclusie verweer gevoerd en een vordering in reconventie ingesteld. De stichting heeft de vordering in reconventie bestreden. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.


1.2.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:


aan de zijde van de stichting: [persoon 1] , voorzitter van de stichting, [persoon 2] , algemeen bestuurslid van de stichting, [persoon 3] , [persoon 4] , en circa vijftig leden van de stichting, met mr. Van der Heijden en mr. Baljić,


aan de zijde van de gemeente: [persoon 5] , portefeuillemanager afdeling openbare ruimte en vastgoed, [persoon 6] , adviseur beheer vastgoed, met mr. Van der Linde en mr. Leistra.





1.3.
Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag.





2De feiten


2.1.
Bij brief van 9 augustus 1974 heeft de gemeente de (rechtsvoorganger van de) stichting bericht over de voorgenomen uitgifte in erfpacht van een perceel grond aan de [adres] , kadastraal bekend als gemeente Amstelveen, [sectie] , [nummer] (hierna: het perceel). In de brief is benoemd dat is gekozen voor de uitgifte in erfpacht omdat koop van het perceel door de (rechtsvoorganger van de) stichting op dat moment financieel niet haalbaar was en “het ligt in het voornemen van de Jehova’s Getuigen [de stichting, vzr] het terrein, zodra de daarvoor nodige financiële ruimte is verkregen, van de gemeente te kopen voor de alsdan geldende grondprijs”.



2.2.
De gemeenteraad heeft tijdens een vergadering op 16 oktober 1974 het besluit genomen (onder andere) het perceel in erfpacht uit te geven aan de stichting voor een periode van vijftig jaar en daarbij opgenomen: “de erfpachtster heeft te allen tijde het recht het in erfpacht ontvangen terrein te kopen tegen de alsdan geldende grondprijs”.



2.3.
Bij notariële akte van 20 januari 1975 is het perceel in erfpacht uitgegeven aan de (rechtsvoorganger van de) stichting. In de erfpachtakte is, voor zover hier van belang, bepaald:


“(…) 1. Het erfpachtsrecht geldt voor een periode van vijftig jaar, ingaande een november negentienhonderd vier en zeventig en derhalve eindigende op één en dertig oktober twee duizend vier en twintig.
(…)
19. Indien het erfpachtsrecht eindigt door verloop van de termijn, waarvoor het is verleend en een nieuwe overeenkomst met de erfpachtster niet wordt aangegaan, kan de gemeente te harer keuze:
a. van de erfpachtster verlangen, dat binnen zes maanden na de eindiging het terrein, ontdaan van hetgeen zich daarop of daarin bevindt, in behoorlijke staat vrij en onbezwaard wordt opgeleverd (…);
b. de opstallen tegen verkoopwaarde in volle en vrije eigendom overnemen.
(…)
22. De erfpachtster heeft te allen tijde het recht het in erfpacht ontvangen terrein te kopen tegen de alsdan geldende grondprijs. (…)”




2.4.
De gemeente heeft op 18 juni 2024 een factuur voor de erfpachtcanon, ter hoogte van € 2.287,05, aan de stichting gestuurd voor de periode juli tot en met december 2024. De stichting heeft deze factuur betaald.



2.5.
Op 31 oktober 2024 is de termijn voor de erfpacht uit de erfpachtakte (zie 2.3) verstreken. De stichting heeft op 10 december 2024 telefonisch contact opgenomen met de gemeente met vragen over het einde van de erfpacht.



2.6.
Op 23 december 2024 heeft de gemeente een factuur voor de erfpachtcanon, ter hoogte van € 2.287,05, aan de stichting gestuurd voor de periode januari tot en met juni 2025. De stichting heeft deze factuur voldaan.



2.7.
De gemeente heeft bij brief van 25 maart 2025 (betekend aan de stichting op 31 maart 2025) de stichting bericht dat de erfpacht op 31 oktober 2024 is geëindigd en dat de gemeente het recht van erfpacht als geëindigd beschouwt. De gemeente heeft de stichting verzocht 1 oktober 2025, of indien dat niet haalbaar is uiterlijk 1 april 2026, het perceel leeg, ontruimd en onbezwaard aan de gemeente op te leveren.



2.8.
De stichting heeft in reactie hierop bij e-mail van 15 april 2025 de ontvangst van de opzegging bevestigd. Verder heeft zij geschreven dat de opzegging voor haar onverwacht komt gelet op het telefoongesprek van december 2024 waarbij de gemeente volgens de stichting gezegd zou hebben dat er geen voornemen bestond de erfpacht op te zeggen en dat erfpacht per jaar zou worden verlengd. De stichting heeft in de e-mail naar de reden van de opzegging gevraagd en of daarbij rekening is gehouden met het kooprecht uit artikel 22 van de erfpachtakte. Daarnaast verzoekt de stichting om overleg met de gemeente.



2.9.
Op 29 april 2025 hebben de gemeente en de stichting overleg gevoerd. De gemeente heeft tijdens dit gesprek gezegd dat zij de erfpacht als geëindigd beschouwt, verlenging niet mogelijk is en het in de erfpachtakte opgenomen kooprecht daarom niet meer kan worden uitgeoefend.



2.10.
Op 18 juni 2025 heeft de gemeente een factuur voor de erfpachtcanon aan de stichting gestuurd voor de periode juli tot en met december 2025 van € 2.287,05. De stichting heeft deze factuur voldaan.



2.11.
De stichting heeft bij brief van 8 september 2025 aan de gemeente gesteld dat de erfpacht voortduurt en dat zij daarom een beroep doet op het kooprecht uit artikel 22 van de erfpachtakte.



2.12.
De gemeente heeft bij brief van 23 oktober 2025 (samengevat) gereageerd dat de stichting het kooprecht niet meer kan inroepen omdat de erfpacht al was geëindigd. De gemeente heeft de stichting een laatste termijn gegeven tot 1 april 2026 om het perceel vrijwillig te ontruimen.



2.13.
Op 18 december 2025 heeft een bespreking tussen partijen plaatsgevonden. De gemeente heeft haar standpunt gehandhaafd dat de erfpacht is geëindigd. Zij heeft de stichting daarbij medegedeeld dat het perceel opnieuw in erfpacht zal worden uitgegeven en dat de stichting dan samen met andere gegadigden kan meedingen in een openbare selectieprocedure. Tot slot is besproken dat de gemeente zal kijken naar een alternatief perceel voor de stichting.



2.14.
Op 19 februari 2026 heeft de gemeente twee alternatieve percelen aan de stichting voorgelegd.



2.15.
De stichting heeft op 16 maart 2026 de gemeente laten weten dat de alternatieve percelen niet voldoen.





3Het geschil



in conventie




3.1.

De stichting vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair:
I. de gemeente te gebieden om medewerking te verlenen aan de uitvoering van het door de stichting ingeroepen kooprecht;
II. de gemeente te gebieden de stichting te behandelen alsof zij het erfpachtrecht niet als geëindigd beschouwt;

subsidiair:

III. de gemeente te gebieden de stichting te behandelen alsof zij het erfpachtrecht niet als geëindigd beschouwt;

primair en subsidiair:

IV. zowel vordering I, II en III op straffe van een dwangsom voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de gemeente nalatig is om aan de inhoud van het gebod en/of verbod te voldoen,
V. de gemeente te veroordelen in de proceskosten.




3.2.
De Stichting legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. De stichting doet primair een beroep op het kooprecht uit artikel 22 van de erfpachtakte en vordert daarnaast ook dat de gemeente de huidige situatie moet bevriezen en de gemeente het perceel niet mag (laten) ontruimen. Indien het kooprecht niet meer ingeroepen zou kunnen worden dan vordert de stichting subsidiair alleen dat de situatie wordt bevroren om de rechtspositie van de stichting te conserveren en om te voorkomen dat er een feitelijk onomkeerbare toestand ontstaat. Volgens de stichting is de bevoegdheid tot het inroepen van het kooprecht onbeperkt in duur en onafhankelijk van een nadere rechtshandeling van de gemeente. Als het kooprecht alleen gedurende de looptijd van de erfpacht ingeroepen zou kunnen worden, komt de stichting ook nog een beroep toe op het kooprecht omdat de erfpacht nog niet is geëindigd. De gemeente heeft namelijk in het telefoongesprek van december 2024 toegezegd dat de erfpacht voortduurt. De stichting heeft op deze toezegging gerechtvaardigd vertrouwd, mede doordat de gemeente ook facturen voor de erfpachtcanon is blijven versturen die ook zijn betaald. Daarnaast volgt dit uit de tekst van artikel 19 van de erfpachtakte omdat de gemeente eerst in overleg had moeten treden over de beëindiging van de erfpacht. Op grond van deze feiten en omstandigheden kan de gemeente op grond van rechtsverwerking, redelijkheid en billijkheid, onrechtmatige daad, misbruik van recht en internationale rechtspraak van het HvJ EU geen beroep doen op beëindiging van de erfpacht. Tot slot speelt in een belangenafweging mee dat het recht van de stichting op vrijheid van godsdienst en uitoefening van het geloof zwaarder weegt dan het belang van de gemeente bij gebruik van dit perceel, omdat de gemeente geen concrete plannen of een visie heeft voor dit perceel.



3.3.
De gemeente voert verweer. De erfpacht is geëindigd. De erfpacht blijft doorlopen na de termijn uit de erfpachtakte, hier 31 oktober 2024, tenzij de gemeente binnen zes maanden na deze termijn laat weten dat het recht is geëindigd en dat heeft de gemeente gedaan bij brief van 25 maart 2025. Doordat de erfpacht is geëindigd kan de stichting geen beroep meer doen op het kooprecht omdat dit recht alleen geldig is voor de duur van de erfpacht.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



in reconventie





3.5.

De gemeente vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. een verbod op het gebruik, anders dan voor hetgeen gevorderd onder II. en III., van het perceel, ingaande binnen veertien (14) dagen;
II. verwijdering van de roerende zaken van het perceel binnen vier (4) weken;
III. sloop en/of afbraak van de op het perceel aanwezige onroerende zaken en overige aanhorigheden binnen zes (6) maanden, zodat het perceel leeg aan de gemeente wordt opgeleverd;
IV. betaling van een dwangsom per dag voor iedere dag of een gedeelte daarvan waarop de stichting niet aan hetgeen gevorderd onder I. tot en met III. voldoet;
V. vergoeding van de kosten van de sloop indien de gemeente de verplichting tot sloop overneemt;
VI. de stichting te veroordelen in de proceskosten.




3.6.
De gemeente legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Doordat de erfpacht is geëindigd en de door de gemeente geboden ontruimingstermijn van 1 april 2026 inmiddels is verstreken gebruikt de stichting het perceel zonder recht of titel. De gemeente vordert dan ook dat de stichting het perceel ontruimt.



3.7.
De Stichting voert verweer. Gelet op haar stellingen in conventie verblijft de stichting niet zonder recht of titel op het perceel. Daarnaast heeft de gemeente geen spoedeisend belang bij haar vorderingen in reconventie. De gemeente doet slechts een beroep op ‘schaarste’ van gemeentegrond die gebruikt kan worden voor het algemeen belang, maar zij heeft niet onderbouwd waarvoor zij het perceel nu concreet nodig heeft.



3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4De beoordeling



in conventie en in reconventie




4.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor de vorderingen van de stichting (in conventie) en van de gemeente (in reconventie) geldt dat deze toewijsbaar zijn als voorshands aannemelijk is dat de bodemrechter die zal toewijzen en als van hen niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten. Of de gevraagde voorzieningen worden verleend, hangt ook steeds af van een afweging van de belangen van partijen.



4.2.
De stichting gebruikt het perceel van de gemeente door middel van uitgifte in erfpacht. Hiertoe zijn in 1974 afspraken gemaakt die zijn opgenomen in de erfpachtakte uit januari 1975. Partijen hebben nu een geschil over de uitleg van die erfpachtakte, namelijk over de vraag of de stichting op 8 september 2025 een beroep kon doen op het kooprecht en over de vraag of de erfpacht is geëindigd. Vanwege de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie worden deze gezamenlijk behandeld.



4.3.
Voor beoordeling van deze punten dient de erfpachtakte te worden uitgelegd. Bij de uitleg van een notariële akte, zoals deze erfpachtakte, geldt de objectieve uitlegmaatstaf. Die houdt in dat de partijbedoeling moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte.




kooprecht





4.4.
Bij de primaire vordering doet de stichting een beroep op haar kooprecht uit artikel 22 van de erfpachtakte. Volgens de stichting dient de gemeente daar uitvoering aan te geven.



4.5.
In artikel 22 van de erfpachtakte is opgenomen: “De erfpachtster heeft te allen tijde het recht het in erfpacht ontvangen terrein te kopen tegen de alsdan geldende grondprijs.” Partijen verschillen van mening over de uitleg van deze bepaling.



4.6.
Volgens de stichting leidt het gebruik van de bewoording ‘te allen tijde’ tot een voortdurend, onbeperkt recht. Dus ongeacht of de erfpacht is geëindigd heeft de stichting de mogelijkheid om het kooprecht in te roepen. Het kooprecht moet worden gezien als een onherroepelijk aanbod (als bedoeld in artikel 6:219 lid 3 BW) en de stichting heeft dit aanbod aanvaard door het inroepen van het kooprecht bij brief van 8 september 2025 (zie 2.11).



4.7.
De voorzieningenrechter gaat niet mee in deze uitleg van de stichting. Het is niet aannemelijk dat dit kooprecht een onbeperkt en voortdurend recht is dat losstaat van de erfpachtrelatie. Het is wel aannemelijk dat de bewoordingen ‘te allen tijde’ zien op de periode dat de erfpachtrelatie bestaat. Dat past ten eerste beter bij de aard van het erfpachtrecht wat tijdelijk is. Het ligt daarmee niet voor de hand bij een tijdelijk erfpachtrecht een eeuwigdurend kooprecht af te spreken. Daarnaast betekent de uitleg van de stichting dat de stichting nog jaren na het einde van de erfpacht het kooprecht zou kunnen inroepen. De stichting zou dan een claim op het perceel hebben, onbeperkt in tijd, zodat de gemeente ook na einde van het erfpachtrecht niet onvoorwaardelijk over het perceel zou kunnen beschikken. Voor die uitleg is geen steun te vinden in de bewoordingen van de akte.



4.8.
De stelling van de stichting dat het een voortdurend en onbeperkt recht is omdat dit blijkt uit de partijbedoeling – namelijk dat partijen bij uitgifte van de erfpacht hadden beoogd dat de stichting het perceel grond kon kopen indien ze daar de financiële middelen voor zou hebben – wordt ook niet gevolgd. Uit de stukken uit 1974 (zie 2.1 en 2.2) volgt dat de gemeente bij het aangaan van de erfpacht de stichting (of haar rechtsvoorganger) de mogelijkheid wilde geven om, zodra ze daartoe wel de financiële middelen had, de grond te kopen, maar niet dat de stichting dit onbeperkt zou kunnen doen. De gekozen woorden, waaronder het woord “zodra”, geven veeleer aan dat het om een tijdelijke situatie ging omdat de (rechtsvoorganger) van de stichting het “voornemen” had tot aankoop van het perceel over te gaan.



4.9.
Aldus is het voorshands meer aannemelijk dat het kooprecht van artikel 22 slechts geldig is voor de duur van de erfpachtrelatie.



4.10.
De stichting kan dus geen beroep doen op het kooprecht als de erfpacht al is geëindigd. Daarom is de vervolgvraag of de erfpacht al is geëindigd en zo ja wanneer.



einde erfpacht?





4.11.
In artikel 1 van de erfpachtakte is opgenomen dat de erfpacht is overeengekomen voor een periode van vijftig jaar en eindigt op 31 oktober 2024. De gemeente heeft toegelicht dat bij tijdelijke erfpacht voorheen uit jurisprudentie volgde dat een erfpachtrecht voortduurt tot wederopzegging mits deze opzegging binnen redelijke termijn werd gedaan. Dat is gecodificeerd in artikel 5:98 BW, waarin is bepaald dat het recht van erfpacht blijft voortduren, tenzij de eigenaar binnen zes maanden na het einde van de termijn doet blijken dat het recht is geëindigd. De ‘redelijke termijn’ uit de jurisprudentie is dus ingevuld met een termijn van zes maanden. De stichting heeft hier niets tegenin gebracht. Dit betekent dat voorshands voldoende aannemelijk is dat de erfpacht is geëindigd op 31 oktober 2024. De gemeente heeft namelijk bij brief van 25 maart 2025, wat binnen zes maanden na 31 oktober 2024 is, laten weten dat zij de erfpacht als beëindigd beschouwt.



4.12.
De stichting heeft aangevoerd dat op grond van de volgende feiten en omstandigheden bij de stichting het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de erfpacht nog bestaat: (i) een medewerker van de gemeente heeft tijdens het telefoongesprek van 10 december 2024 gezegd dat de erfpacht werd voortgezet en dat de gemeente niet voornemens was om de erfpacht op te zeggen, (ii) de gemeente is facturen voor de erfpachtcanon blijven sturen, ook na het door de gemeente betoogde einde van de erfpacht, en (iii) de gemeente had op grond van artikel 19 van de erfpachtakte in overleg moeten treden over het al dan niet verlengen van de erfpacht maar heeft dat niet gedaan. Deze feiten worden achtereenvolgens beoordeeld.



4.13.
Tijdens het telefoongesprek van 10 december 2024 heeft de gemeente geen mededeling gedaan die de stichting redelijkerwijs zo heeft mogen begrijpen dat de erfpacht zou doorlopen/niet zou eindigen. De gemeente betwist ten eerste de lezing van het telefoongesprek zoals de stichting die stelt en meent dat tijdens dit telefoongesprek alleen een algemene uitleg is gegeven over het eindigen van erfpacht. Maar zelfs als tijdens dit telefoongesprek door de medewerker van de gemeente zou zijn gezegd dat de gemeente in dit geval de erfpacht zou voortzetten en niet voornemens was om de erfpacht op te zeggen, maakt dit nog niet dat de stichting er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat deze medewerker bevoegd was om tijdens een telefonisch overleg bindende uitlatingen te doen namens de gemeente over de voortzetting van de erfpacht.



4.14.
Ook de door de gemeente verstuurde erfpachtcanonfacturen na 31 oktober 2024 (het einde van de erfpachttermijn uit de erfpachtakte) maken niet dat de stichting erop mocht vertrouwen dat de erfpacht zou worden voortgezet. De stichting is immers ook een gebruikersvergoeding verschuldigd na het einde van de looptijd van de erfpacht tot aan de datum van ontruiming. Anders zou de stichting na het doen blijken van beëindiging door de gemeente op 25 maart 2025 gratis gebruik kunnen maken van de gemeentegrond. Met andere woorden, het versturen (en betalen) van facturen betekent niet dat de erfpacht doorloopt of dat de stichting daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen.



4.15.
Tot slot stelt de stichting dat de gemeente op grond van artikel 19 van de erfpachtakte (“het erfpachtrecht eindigt door verloop van de termijn… en een nieuwe overeenkomst met de erfpachter niet wordt aangegaan…”) in overleg had moeten treden over het al dan niet verlengen van de erfpacht en daarmee ook de mogelijkheid had moeten bieden aan de stichting om het kooprecht in te roepen. Dat volgt uit het ‘wordt aangegaan’, anders had hier volgens de stichting moeten staan ‘is aangegaan’. De voorzieningenrechter volgt deze uitleg van de stichting niet. Artikel 19 beschrijft wat de opties zijn voor de gemeente na het einde van de erfpacht als geen nieuwe overeenkomst wordt gesloten. Enkel opname van het woord ‘wordt’ levert geen verplichting voor de gemeente op om na afloop van de termijn eerst in overleg te moeten treden met de stichting. Deze gezochte grammaticale uitleg van de stichting wordt niet gevolgd.



4.16.
Uit het voorgaande volgt dat de stichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op grond van deze feiten en omstandigheden er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de erfpacht zou voortduren. Dat betekent dat de vorderingen van de stichting worden afgewezen. Het beroep van de stichting op verschillende grondslagen, te weten rechtsverwerking, redelijkheid en billijkheid, beginselen van behoorlijk bestuur, misbruik van recht en internationaal recht maken die conclusie niet anders. Voor de onderbouwing is immers steeds gewezen op dezelfde feiten en omstandigheden.



4.17.
Overigens is de door de stichting aangehaalde jurisprudentie over het bijzonder om moeten gaan met een religieuze vestigingsplaats hier niet aan de orde, want in dit geval betreft het geen beëindigingsbesluit van de gemeente. Het is geen beleidskeuze van de gemeente geweest om de erfpacht nu te beëindigen; de erfpacht is door een vooraf vastgestelde termijn (door verloop van tijd) geëindigd.



4.18.
Dat betekent dus dat de stichting het risico liep dat als zij voor 31 oktober 2024 geen actie zou ondernemen de erfpacht zou eindigen en daarmee ook het kooprecht. Ter zitting heeft de stichting bevestigd dat zij deze datum zag aankomen en na intern overleg pas na 31 oktober 2024 overleg/contact met de gemeente heeft gezocht omdat zij graag voortzetting van de erfpacht wilde onder de voor hen gunstige financiële voorwaarden.



4.19.
De conclusie is dan ook dat voorshands aannemelijk is dat erfpacht is geëindigd en dat de stichting op 8 september 2025 (of nadien) geen beroep meer kon doen op het kooprecht. Dat betekent dat er geen grondslag is voor toewijzing van de vorderingen van de stichting in conventie.



ontruiming?





4.20.

De vordering van de gemeente in reconventie is in feite het spiegelbeeld van de vorderingen van de stichting in conventie. De gemeente vordert dat de stichting het perceel moet verlaten, zij de roerende zaken moet afbreken en de onroerende zaken moet slopen.
Nu in conventie is beslist dat voldoende aannemelijk is dat erfpacht is geëindigd en de door de gemeente geboden ontruimingstermijn van 1 april 2026 inmiddels is verstreken, is het uitgangspunt dat de stichting het perceel zonder recht of titel gebruikt. Daarmee ligt toewijzing van de ontruimingsvordering voor de hand.




4.21.
Bij een vordering tot ontruiming dient echter ook een belangenafweging plaats te vinden. In het kader van die belangenafweging heeft de gemeente op dit moment een onvoldoende zwaarwegend belang bij ontruiming van het perceel ten opzichte van het belang van de stichting op gebruik van het perceel voor haar geloofsbelijdenis. De gemeente heeft niet voldoende aangetoond wat haar concrete plannen zijn met dit perceel. De gemeente heeft wel aangevoerd dat om tot heruitgifte van deze grond te komen, en daarvoor vervolgstappen te kunnen nemen, de stichting daar niet kan blijven omdat voor nieuwe partijen die willen meedingen voor de heruitgifte van de erfpacht van dit perceel duidelijk moet zijn vanaf wanneer de erfpacht zou ingaan. Daarbij heeft de gemeente ook ter zitting gemeld dat als duidelijk is dat de erfpacht is geëindigd, de stichting niet direct haar opstallen hoeft af te breken maar dat de gemeente in de periode van zes maanden die de stichting daarvoor zou krijgen de heruitgifte kan voorbereiden. Dat maakt dat bij deze stand van zaken, waarbij voorshands aannemelijk is dat de erfpacht is geëindigd, de gemeente geen belang meer heeft bij een ontruiming van het perceel op dit moment. Bovendien is het gelet op de langdurige relatie tussen partijen passend dat partijen in overleg treden om tot afspraken over ontruiming en/of heruitgifte te komen.



4.22.
De conclusie is dan ook dat de vorderingen van de gemeente in reconventie ook worden afgewezen.



proceskosten





4.23.
De stichting is in conventie het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:









- griffierecht


€


735,00







- salaris advocaat


€


1.177,00







- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.101,00











4.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



4.25.
De gemeente is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de stichting in reconventie worden gelet op de samenhang met de vorderingen in conventie tot op heden begroot op nihil.





5De beslissing


De voorzieningenrechter




in conventie




5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,



5.2.
veroordeelt de stichting in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de stichting niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
veroordeelt de stichting tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,




in reconventie





5.5.
weigert de gevraagde voorzieningen,



5.6.
veroordeelt de gemeente in de proceskosten van de stichting tot op heden begroot op nihil.



Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.




type: EvK
coll: GR