Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7611

2026-07-22 Bestuursrecht AMS 25/2759
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AMS 25/2759
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een GPK voor bestuurder. Toepassing D-grond. Overgelegde brieven bevatten informatie over incontinentie, hierover is niets vermeld in de GGD-adviezen. De GGD-arts is ten onrechte voorbij gegaan aan de incontinentieproblemen en dit is niet kenbaar meegewogen. De GGD-adviezen zijn niet begrijpelijk gemotiveerd. Beroep gegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.382 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: AMS 25/2759


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S.N. de Jager),


en


het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart (GPK) voor een bestuurder. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiser krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een GPK voor een bestuurder. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 8 januari 2025 afgewezen. Uit het gevraagde advies van de GGD blijkt dat eiser niet voldoet aan de criteria voor een GPK. Uit het advies volgt dat eiser zich zonder hulp van een ander, met de gebruikelijke loophulpmiddelen, redelijkerwijs over een langere afstand dan 100 meter aaneengesloten kan voortbewegen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure heeft de GGD nogmaals advies uitgebracht en verweerder geadviseerd om bij de afwijzing van de aanvraag voor een GPK te blijven. Met het bestreden besluit van 18 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.




Beoordeling door de rechtbank



Nieuwe stukken



3. Eiser heeft op 1 juli 2026 nieuwe medische stukken ingediend. De rechtbank toetst het bestreden besluit echter aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend waren toen het besluit op bezwaar werd genomen (de zogeheten ex-tunc toetsing). Dit betekent dat de rechtbank de stukken die in beroep zijn overgelegd niet kan meenemen in de beoordeling van het bestreden besluit. Verweerder heeft daarnaast telefonisch contact gehad met de GGD over de nieuwe informatie en dit contact op de zitting mondeling toegelicht. Deze toelichting wordt, om dezelfde reden, eveneens niet in de beoordeling meegenomen.



Mochten de adviezen van de GGD ten grondslag worden gelegd aan het bestreden besluit?



4. Volgens artikel 1, eerste lid, onder d, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart komen bestuurders en passagiers van motorvoertuigen die ten gevolge van een aandoening of gebrek, aantoonbare ernstige beperkingen, anders dan loopbeperkingen, hebben, in aanmerking voor een gehandicaptenparkeerkaart. Dit is de zogenaamde D-grond. Het geschil in deze zaak beperkt zich tot de vraag of eiser op grond van deze D-grond in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerkaart. Het gaat hierbij dus niet om een loopbeperking, hetgeen ook niet ter discussie staat.

5. Eiser stelt, kort samengevat, dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn functionele beperkingen als gevolg van de ernstige chronische ziekte van Crohn. Eiser bekritiseert de GGD-adviezen omdat de belangrijke medische documenten ontbreken in het dossier en onduidelijk is hoe de conclusie over de toepassing van de D-grond is getoetst. Hij vindt dat het advies onzorgvuldig, niet inzichtelijk en niet concludent is. Eiser heeft door zijn ziekte acute aanvallen en heeft dan dringend behoefte aan parkeergelegenheid dicht bij zijn bestemming, vooral vanwege zijn werk als taxichauffeur en het daarbij ontbreken van vaste sanitaire voorzieningen. Eiser verkeert in een schrijnende situatie, waarin hij eerder al een parkeerboete kreeg omdat hij noodgedwongen moest stoppen bij een bushalte en zijn medische situatie moest uitleggen, wat stress en vernedering veroorzaakte.

6. Volgens vaste rechtspraak van de hoger beroepsrechter mag verweerder zich bij het nemen van besluiten baseren op een medisch advies als dit zorgvuldig tot stand is gekomen, inzichtelijk is, begrijpelijk is gemotiveerd en het advies de conclusie kan dragen. In deze zaak is naar het oordeel van de rechtbank niet aan deze voorwaarden voldaan.

7. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit de toelichting op de Regeling Gehandicaptenparkeerkaart 2013 van de Vereniging Artsen Volksgezondheid (VAV) volgt dat bij het toepassen van de D-grond bijvoorbeeld valt te denken aan ernstige complexe incontinentieproblemen. In het geval van eiser zijn er in de overgelegde medische documenten aanwijzingen voor incontinentieproblemen. Zo worden in twee brieven van de mdl-arts van 21 januari 2025 de incontinentieproblemen genoemd. De ene brief vermeldt dat eiser veel buikklachten heeft en soms incontinent is bij plotselinge aandrang. De andere brief geeft aan dat eiser te allen tijde is aangewezen op de nabijheid van een toilet vanwege zijn ziekte van Crohn, een ontstekingsziekte van de darm die gepaard gaat met diverse buikklachten waaronder diarree en imperatieve defaecatie-drang. Hoewel beide brieven dus informatie over incontinentie bevatten, is hierover in de GGD-adviezen niets vermeld, afgezien van de conclusie dat de D-grond niet van toepassing is.

8. Voor zover verweerder stelt dat (een van) deze documenten pas na het bestreden besluit zijn aangeleverd, gaat dit verweer niet op. In het GGD-advies van 27 maart 2025 staat namelijk dat een brief van de mdl-arts van 21 januari 2025 is meegewogen. Welke brief dit precies is, is onduidelijk en niet vast te stellen omdat in het dossier twee brieven zitten van dezelfde mdl-arts met dezelfde datum 21 januari 2025. Eén brief was reeds in het beroepsdossier opgenomen, terwijl de andere brief vlak voor zitting is overgelegd. Eiser stelt dat beide brieven in de bezwaarfase aan de GGD zijn voorgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is het echter voor deze zaak ook niet relevant welke van de twee brieven door de GGD is geraadpleegd omdat in beide brieven gesproken wordt over incontinentie.

9. De rechtbank is van oordeel dat de GGD-arts ten onrechte voorbij is gegaan aan de incontinentieproblemen van eiser en dit niet kenbaar heeft meegewogen bij haar conclusie. In de GGD-adviezen is niet begrijpelijk gemotiveerd waarom de incontinentieproblemen van eiser geen reden zijn voor toepassing van de D-grond.

10. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de adviezen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Daarom heeft verweerder de GGD-adviezen niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.



Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Dit omdat een nieuw medisch advies, waarin alle medische informatie van eiser kenbaar wordt meegewogen, moet worden afgewacht.

12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken.

13. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 18 april 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.










griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:466.


Richtlijn Gehandicaptenparkeerkaart 2022 van de Vereniging Artsen Volksgezondheid.