Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7571

2026-04-16 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11906634
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-04-16
Publicatiedatum
2026-07-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11906634
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Geen aansprakelijkheid voor gebreken, omdat eiser die op tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Artikel 7:758 BW.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.516 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Civiel recht
Kantonrechter



Zaaknummer: 11906634 \ CV EXPL 25-13514




Vonnis van 16 april 2026




in de zaak van





[eiser]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,



tegen





1 [gedaagde 1] (handelend onder de naam [handelsnaam] ),

wonende te [woonplaats 2] ,
gemachtigde: mr. J. Ruijs,2. [gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
niet verschenen,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: [handelsnaam] en [gedaagde 2] .






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 25 september 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties,
- het tussenvonnis van 23 december 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald.



1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 17 maart 2026 plaatsgevonden. [eiser] is verschenen. [gedaagde 1] is eveneens verschenen, met haar gemachtigde en [naam 1] . Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. [eiser] heeft spreekaantekeningen overgelegd die aan het dossier zijn toegevoegd. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt die in het dossier zijn gevoegd



1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.









2De feiten


2.1.

[eiser] heeft in januari 2025 via het online platform [gedaagde 2] een opdracht geplaatst voor het vervaardigen van twee kastenwanden in zijn garage. [gedaagde 2] heeft hierop bij e-mail van 7 januari 2025 gereageerd dat zij op zoek gaan naar een timmerman.



2.2.

[handelsnaam] heeft vervolgens de opdracht van [eiser] aanvaard. In de daaropvolgende e-mail van [gedaagde 2] aan [eiser] staat dat het opnamebezoek voor de klus wordt uitgevoerd door de erkende vakman [naam 2] . Dit is de heer [naam 2] .



2.3.
Hierop zijn [gedaagde 1] en [naam 1] bij [eiser] thuis geweest. Naar aanleiding van dit bezoek heeft [gedaagde 2] aan [eiser] op 18 januari 2025 een e-mail gestuurd waarin staat dat de urenindicatie voor de klus zes tot acht uren bedraagt en dat het tarief € 70,- per uur is inclusief voorrijkosten en btw.



2.4.

[eiser] heeft zelf het materiaal voor de kastenwanden gekocht. Hij heeft hiervoor een bedrag van in totaal € 955,86 betaald.



2.5.
Op 6 en 7 april 2026 heeft [naam 1] de werkzaamheden uitgevoerd. In totaal is hij 25,17 uur bezig geweest.



2.6.

[handelsnaam] heeft via [gedaagde 2] aan [eiser] een factuur voor de werkzaamheden gestuurd. Het factuurbedrag is € 1.831,-. [eiser] heeft deze factuur niet betaald.





3Het geschil



In conventie




3.1.
De kantonrechter begrijpt dat [eiser] in conventie – samengevat – vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


I. primair:
a. de overeenkomst op grond van dwaling vernietigt;
b. de schade begroot op € 1.285,86;

subsidiair:

a. de overeenkomst ontbindt;
b. [handelsnaam] en [gedaagde 2] , hoofdelijk, veroordeelt tot betaling van € 1.285,86, te vermeerderen met de wettelijke rente
II. [handelsnaam] en [gedaagde 2] , hoofdelijk, veroordeelt in de proceskosten.




3.2.

[eiser] stelt – kort samengevat – dat [gedaagde 2] zich heeft voorgedaan als een bemiddelaar die een gecontroleerd netwerk heeft van vakmensen en dat daarbij screening en zorgvuldige selectie plaatsvindt. Aan [eiser] is vervolgens voorgehouden dat de kastenwand door een ervaren timmerman in elkaar zou worden gezet. Hiervoor heeft [eiser] ook een hoger tarief betaald. De uitvoerder van de werkzaamheden, [naam 1] , blijkt echter niet de kennis, opleiding en ervaring van een timmerman te hebben. Als [eiser] dit had geweten, dan was hij nooit de overeenkomst aangegaan. Ook [handelsnaam] had moeten aangeven dat [naam 1] niet over de relevante kennis beschikte. Volgens [eiser] heeft hij gedwaald en dienen daarom de bemiddelingsovereenkomst met [gedaagde 2] en de overeenkomst van opdracht met [handelsnaam] te worden vernietigd. Verder is sprake van misbruik van recht, omdat aan [eiser] onjuiste informatie is gegeven over het aantal uur werk. Deze uren zijn zonder waarschuwing met 150% overschreden. Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat de kast ondeugdelijk is en de overeenkomst op grond van wanprestatie dient te worden ontbonden. [eiser] heeft als gevolg hiervan schade geleden, bestaande uit het materiaal dat hij voor de kastenwand heeft moeten aanschaffen, de arbeid die moet worden verricht om de situatie in oorspronkelijke staat terug te brengen en de afvalverwerkingskosten. Deze schade dienen [gedaagde 2] en [handelsnaam] aan hem te betalen, aldus steeds [eiser] .



3.3.

[handelsnaam] voert verweer. Zij betwist dat aan [eiser] een onjuiste voorstelling van zaken is verschaft. Volgens [handelsnaam] is geen gegarandeerd kwaliteitsniveau beloofd. Evenmin heeft zij gegarandeerd dat een gecertificeerde meubelmaker of vakspecialist zou worden ingezet. [eiser] zocht een timmerman of klusjesman en dat is wat is geleverd. Als [eiser] specifieke kwaliteitseisen wenste, had hij dit van tevoren kenbaar moeten maken. Verder kan [eiser] niet aannemelijk maken dat hij bij de juiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet zou hebben gesloten. Subsidiair betwist [handelsnaam] dat sprake is van wanprestatie. Volgens haar is de kast deugdelijk opgeleverd en heeft [eiser] het werk aanvaard. Op grond van artikel 7:758 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is [handelsnaam] in dat geval bevrijd van aansprakelijkheid. Verder is de kastenwand in essentie conform de overeenkomst opgeleverd en rechtvaardigen eventuele gebreken herstel en geen ontbinding van de overeenkomst, aldus steeds [handelsnaam] .



3.4.

[gedaagde 2] heeft geen verweer gevoerd.



3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.



In reconventie





3.6.

[handelsnaam] vordert in reconventie – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] veroordeelt tot betaling van € 1.801,- inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten van € 268,- en de proceskosten.



3.7.

[handelsnaam] stelt – kort samengevat – dat [eiser] uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst is gehouden de factuur voor het door [handelsnaam] gedane werk te betalen.



3.8.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat hij niet gehouden is de factuur te betalen, omdat primair de overeenkomst tussen partijen op grond van dwaling dient te worden vernietigd en subsidiair moet worden ontbonden vanwege wanprestatie.



3.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



In conventie en in reconventie




4.1.
De vorderingen in conventie en reconventie hangen zodanig nauw met elkaar samen dat die gezamenlijk zullen worden behandeld.



4.2.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde 2] in deze procedure niet is verschenen. Op de voet van artikel 140 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) wordt tegen haar verstek verleend. Nu [handelsnaam] wel in de procedure is verschenen wordt op grond van lid 3 van dit artikel tussen alle partijen in deze zaak één vonnis gewezen dat als een vonnis op tegenspraak geldt.



Ambtshalve toetsing





4.2.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).



Informatieplichten





4.3.
Uit hetgeen partijen ter zitting naar voren hebben gebracht blijkt dat de overeenkomst tussen hen digitaal tot stand is gekomen op het moment dat [handelsnaam] via [gedaagde 2] per e-mail heeft bericht hoeveel uur de klus zou duren en wat de prijs daarvoor zou zijn en [eiser] hierop akkoord heeft gegeven. Er is echter geen sprake van een overeenkomst op afstand als bedoeld in artikel 6:230g lid 1 sub e BW, omdat tot en met het sluiten van de overeenkomst niet uitsluitend gebruik is gemaakt van een communicatiemiddel op afstand. [naam 1] en [gedaagde 1] zijn immers vóór het sluiten van de overeenkomst bij [eiser] thuis geweest. Evenmin is sprake van een overeenkomst die gesloten is buiten de verkoopruimte in de zin van artikel 6:230g lid 1 sub f BW.



4.4.

Dit betekent dat op de overeenkomst artikel 6:230l BW toepassing is. Aan de in dit
artikel genoemde informatieverplichtingen heeft [handelsnaam] voldaan.




Prijsbeding





4.5.
De gevorderde hoofdsom in conventie is gebaseerd op een beding dat ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst. Ambtshalve toetsing van die bedingen is ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn alleen aan de orde als deze niet duidelijk en begrijpelijk (transparant) zijn geformuleerd.



4.6.
Uit de overgelegde stukken volgt dat [handelsnaam] voor de uitgevoerde werkzaamheden een standaardtarief heeft gehanteerd. Zij heeft verder niet gesteld dat zij voor deze overeenkomst een speciaal tarief heeft gehanteerd. Dit betekent dat partijen niet afzonderlijk over de prijs hebben onderhandeld en dat het prijsbeding dus ambtshalve dient te worden getoetst.



4.7.
In de e-mail van 18 januari 2024 heeft [handelsnaam] te kennen gegeven dat de werkzaamheden ongeveer zes tot acht uur zouden duren en dat zij een tarief van € 70,- per uur daarvoor in rekening zou brengen. Hieruit volgt dat [handelsnaam] voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst een duidelijke inschatting heeft gegeven van wat [eiser] voor de werkzaamheden in totaal zou moeten betalen, waardoor [eiser] hier rekening mee kon houden. Dit betekent dat – anders dan het voorlopig oordeel ter zitting – de kantonrechter van oordeel is dat het prijsbeding transparant is geformuleerd. De omstandigheid dat de werkzaamheden uiteindelijk ruim 25 uren in beslag hebben genomen, doet aan dit oordeel niet af. Bij de vraag of een prijsbeding transparant is, dient immers te worden gekeken naar het moment waarop de overeenkomst tot stand is gekomen en niet naar de feitelijke uitwerking daarvan.



4.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat wordt geconcludeerd dat het prijsbeding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd, waardoor op grond van de richtlijn geen verdere ambtshalve toetsing van het beding op eerlijkheid zal volgen.



Inhoudelijk





Geen dwaling





4.9.
Artikel 6:628 lid 1 aanhef en onder a BW bepaalt dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten. Volgens dit artikellid zijn er voor dwaling in deze situatie twee voorwaarden, te weten i) een onjuiste inlichting van de wederpartij en ii) dat bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet zou zijn gesloten.



4.10.

[eiser] stelt dat hem is voorgehouden dat een ervaren timmerman de werkzaamheden zou uitvoeren en dat [gedaagde 2] en [handelsnaam] hem onjuist hebben voorgelicht over de kwaliteiten van [naam 1] . De kantonrechter volgt [eiser] echter niet in zijn stelling en overweegt daartoe het volgende.



4.11.

[handelsnaam] heeft onbetwist gesteld dat [eiser] op [gedaagde 2] te kennen heeft gegeven dat hij op zoek was naar een timmerman of klusjesman. Hieruit volgt dat [eiser] niet duidelijk heeft gemaakt dat hij een timmerman zocht die aan bepaalde (hoge) kwaliteitseisen zou voldoen. Evenmin is – anders dan [eiser] stelt – hem toegezegd dat de werkzaamheden door een dergelijke timmerman zouden worden uitgevoerd. De uitingen van [gedaagde 2] op haar site over de aangeboden werklieden zijn voornamelijk reclame-uitingen. Dat ten aanzien van die werklieden een gegarandeerd kwaliteitsniveau wordt beloofd, volgt daar echter niet uit. Bovendien is niet gebleken dat [naam 1] geen erkende vakman – zoals [gedaagde 2] hem bij [eiser] introduceerde – zou zijn. De enkele omstandigheid dat hij volgens zijn LinkedIn-profiel eerder andere werkzaamheden heeft verricht, is hiervoor onvoldoende. Evenmin is gebleken dat [gedaagde 2] – zoals zij op haar site toezegt te doen – [naam 1] niet zou hebben gescreend. [eiser] heeft zijn stellingen met betrekking tot deze punten onvoldoende (met stukken) onderbouwd, waardoor daaraan voorbij wordt gegaan.



4.12.

[eiser] is klaarblijkelijk niet tevreden over de wijze waarop [naam 1] de werkzaamheden heeft uitgevoerd. Dit betekent echter niet dat hij bij de totstandkoming van de overeenkomsten heeft gedwaald. Dit geldt eveneens voor de overeengekomen uren. De omstandigheid dat [handelsnaam] deze uren verkeerd heeft ingeschat, brengt niet met zich dat dan sprake is van dwaling dan wel misbruik van recht.



4.13.
Bovendien is het de kantonrechter niet duidelijk geworden op welke wijze [eiser] bij de totstandkoming van de bemiddelingsovereenkomst tussen hem en [gedaagde 2] zou hebben gedwaald, doordat– zoals [eiser] stelt – [naam 1] niet over de vereiste kwaliteiten zou beschikken. Deze bemiddelingsovereenkomst ziet er immers enkel op dat [gedaagde 2] tussen [eiser] en een derde partij zou bemiddelen.



4.14.
Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter van oordeel is dat geen sprake is van dwaling. Dit betekent dat de primaire vorderingen van [eiser] in conventie zullen worden afgewezen.



Geen tekortkoming [gedaagde 2]





4.15.
Uit hetgeen hiervoor onder 4.11. is overwogen volgt dat niet kan worden geconcludeerd dat aan [eiser] een gegarandeerd kwaliteitsniveau is beloofd. Gelet hierop is [gedaagde 2] naar het oordeel van de kantonrechter niet tekortgeschoten in de nakoming van de bemiddelingsovereenkomst, waardoor de subsidiaire vordering in reconventie jegens [gedaagde 2] zal worden afgewezen.



Geen aansprakelijkheid [handelsnaam]





4.16.
De subsidiaire vordering jegens [handelsnaam] zal eveneens worden afgewezen. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.



4.17.


[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de kast op meerdere punten tekortschiet een rapport van Broere Bouw overgelegd. In dit rapport staat, samengevat, dat:
i) zichtbaar uit het lood staat,
ii) tussen panelen en deuren meerdere gleuven zichtbaar zijn,
iii) schroeven niet overal zijn verzonken, randen ruw zijn afgewerkt en lak- of beschermlagen deels ontbreken,
iv) schroeven aan de buitenzijde zichtbaar zijn, terwijl het mogelijk was die aan het zicht te onttrekken,
v) als de platen die als afdekking bovenop de kast zijn gebruikt, in de lengte waren gezaagd, er aan de voorzijde minder korte stukjes zichtbaar zouden zijn geweest, wat een netter resultaat had opgeleverd,
vi) aan beide zijkanten en binnen in de kast latten zijn gemonteerd die geen constructieve of functionele waarde lijken te hebben,
vii) gekozen is voor scharnieren die minder geschikt zijn voor deze toepassing,
viii) de deuren niet goed sluiten en niet op gelijke hoogte hangen,
ix) de zaagsnede is gaan splinteren, wat afbreuk doet aan de afwerking.




4.18.
De kantonrechter is – anders dan [handelsnaam] stelt – van oordeel dat [eiser] met dit rapport voldoende heeft onderbouwd dat de kast niet voldeed aan de overeenkomst. Daarbij zijn bij dit rapport foto’s overgelegd waarop de vastgestelde gebreken te zien zijn. Dat Broere Bouw – zoals [handelsnaam] stelt – een bevriende aannemer van [eiser] zou zijn en daarom niet objectief, heeft [handelsnaam] niet verder (met stukken) onderbouwd. Evenmin heeft zij nagelaten tegenover dit rapport zelf met stukken te komen waaruit volgt dat de kast wel deugdelijk zou zijn.



4.19.
Het voorgaande betekent dat de kast niet voldoet aan de tussen partijen gesloten overeenkomst, waardoor [handelsnaam] is tekortgeschoten in de nakoming van deze overeenkomst. Zij is echter – zoals zij terecht heeft gesteld – niet voor deze tekortkoming aansprakelijk. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.



4.20.
De overeenkomst die tussen partijen is gesloten, betreft een overeenkomst van aanneming als bedoeld in artikel 7:750 BW. In artikel 7:758 BW staat opgenomen wanneer het werk als opgeleverd wordt beschouwd. In deze zaak heeft [handelsnaam] onbetwist gesteld dat zij op 7 april 2024 het werk heeft opgeleverd en dat [eiser] op dat moment het werk heeft aanvaard. Gesteld noch gebleken is immers dat [eiser] op dat moment te kennen heeft gegeven dat de kast niet voldeed. Hij heeft op dat moment de kast niet geweigerd noch onder voorbehoud aanvaard. Gelet op het eerste lid van artikel 7:758 BW wordt het werk dientengevolge als opgeleverd beschouwd.



4.21.
Op grond van artikel 7:758 lid 3 is de aannemer ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Van deze situatie is in deze zaak sprake. Gelet op de inhoud van het rapport van Broere Bouw waren alle vastgestelde gebreken immers zichtbaar. Dit betekent dat [eiser] bij de oplevering deze gebreken redelijkerwijs had moeten en kunnen ontdekken. Dat hij op dat moment daar niet direct melding van heeft gemaakt, komt voor zijn risico. Dit betekent dat [handelsnaam] is ontslagen van de aansprakelijkheid voor de gebreken.



4.22.
Het voorgaande brengt met zich dat geen grond bestaat voor ontbinding van de overeenkomst tussen [handelsnaam] en [eiser] en evenmin voor de door [eiser] gevorderde schadevergoeding. Gelet hierop worden de subsidiaire vorderingen van [eiser] jegens [handelsnaam] in conventie afgewezen.



Factuur





4.23.

[handelsnaam] heeft op de factuur in totaal 25,7 uur bij [eiser] in rekening gebracht. [eiser] is echter niet gehouden om dit volledige factuurbedrag van € 1.801,- aan [handelsnaam] te betalen. Uit hetgeen hiervoor onder 4.7. is overwogen volgt immers dat partijen zijn overeengekomen dat [handelsnaam] voor de werkzaamheden in totaal zes tot acht uren tegen een tarief van € 70,- per uur bij [eiser] in rekening zou brengen. Voor de uren tussen acht en 25,7 uur hebben partijen geen nadere afspraak gemaakt. Uit de enkele omstandigheid dat [eiser] heeft gezien dat [naam 1] langer bezig was, kan – anders dan [handelsnaam] stelt – niet worden afgeleid dat [eiser] ook wist dat die uren in rekening zouden worden gebracht. Ter zitting heeft [naam 1] erkend dat hij dit niet expliciet aan [eiser] heeft meegedeeld. Verder weegt mee dat in de e-mail van 18 januari 2024 waarin de geschatte uren staan, niet een bedrag aan meerwerk is opgenomen. Dit betekent dat [eiser] niet kan worden veroordeeld om voor meer dan acht uur te betalen.



4.24.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van [handelsnaam] in reconventie zal worden toegewezen tot een bedrag van € 560,- (acht uren x € 70,-). De gevorderde wettelijke rente hierover zal eveneens worden toegewezen vanaf 7 juni 2025.



Buitengerechtelijke incassokosten





4.25.

[handelsnaam] vordert in reconventie betaling van de buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Omdat [eiser] een consument is, gelden extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De aanmaning die [handelsnaam] aan [eiser] heeft gestuurd, voldoet niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW omdat het toepasselijke wettelijke tarief daarin niet is vermeld. De gevorderde vergoeding zal dan ook worden afgewezen.



Proceskosten





4.26.

[eiser] is zowel in conventie als in reconventie overwegend in het ongelijk gesteld. Hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [handelsnaam] in conventie worden begroot op:









- salaris gemachtigde


€


434,-


(2 punten × € 217,-)




- nakosten


€


72,-


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




totaal


€


506,-












4.27.
De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op nihil.



4.28.
In reconventie worden de proceskoten van [handelsnaam] begroot op € 217,- (2 punten x tarief € 217 x factor 0,5). Omdat de nakosten al in conventie zijn toegewezen, worden die in reconventie niet nogmaals toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in reconventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing


De kantonrechter




in conventie




5.1.
wijst de vorderingen af,



5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [handelsnaam] van € 506,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde 2] , begroot op nihil,



in reconventie





5.4.
veroordeelt [eiser] om aan [handelsnaam] te betalen een bedrag van € 560,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 7 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,



5.5.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [handelsnaam] van € 217,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.6.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten onder 5.5. als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



in conventie en in reconventie





5.7.
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.



5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 in het bijzijn van de griffier.





598