Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7482

2026-07-09 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/4506 T
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-09
Publicatiedatum
2026-07-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25/4506 T
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Wet WIA. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de beslissing op bezwaar nog steeds onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Nu een directe behandelaar bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep bekend was, had dit aanleiding behoren te vormen om nadere, gerichte vragen te stellen zoals eerder ook bij andere behandelaars is gedaan en in lijn met de eerdere uitspraak van de rechtbank is beoogd.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.869 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht


zaaknummer: AMS 25/4506




uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen




[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.C. Walker),


en




de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).




Inleiding


In deze tussenuitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een WIA-uitkering per 17 januari 2022.



Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit van 12 juli 2023 afgewezen. Met het besluit van 20 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



Met de uitspraak van 6 maart 2025 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep gegrond verklaard en het besluit van 20 augustus 2024 vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank verweerder opgedragen om binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.



Met het bestreden besluit van 27 juni 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres onder een gewijzigde motivering opnieuw ongegrond verklaard.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




Totstandkoming van de besluiten

1. Eiseres is tot 18 juni 2019 voor gemiddeld 31,95 uur per week werkzaam geweest als [functie] . Op 20 januari 2020 heeft zij zich vanuit de Werkloosheidswet ziek gemeld vanwege lichamelijke en psychische klachten. Aan eiseres is toen een Ziektewetuitkering toegekend. Op 29 december 2021 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd.

2. Verweerder heeft na medisch en arbeidskundig onderzoek de besluiten genomen die in de inleiding zijn genoemd. Volgens verweerder kan eiseres, met haar beperkingen zoals deze door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 29 juli 2024, de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde voorbeeldfuncties uitvoeren. Het loon dat eiseres met die functies kan verdienen is minder dan haar laatstverdiende loon. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat het verlies aan verdiencapaciteit van eiseres 18,97% is. Aangezien eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is op 17 januari 2022 heeft eiseres geen recht op een WIA-uitkering.



Beoordeling door de rechtbank

3. In geschil is de vraag of verweerder op goede gronden eiseres per 17 januari 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij 18,97% arbeidsongeschikt is. Daarbij ziet de rechtbank zich allereerst gesteld voor de vraag of het in de eerdere uitspraak geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek is hersteld.

4. Verweerder mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen.

5. De rechtbank Amsterdam heeft in haar uitspraak van 6 maart 2025 geoordeeld dat de medische beoordeling door verweerder niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen, waardoor de beslissing op bezwaar van 20 augustus 2024 niet berustte op een deugdelijke motivering. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het spreekuur ruim anderhalf jaar na de datum in geding heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft gesteld dat haar gezondheidstoestand rond de datum in geding aanzienlijk slechter was dan ten tijde van het spreekuurcontact. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens afgesproken informatie op te vragen bij de psycholoog die eiseres destijds behandelde. Deze informatie is echter niet ontvangen, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft wel informatie verkregen van de huisarts van eiseres. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep echter onvoldoende objectieve medische gegevens had over de psychische situatie van eiseres rond de datum in geding. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat, nu eiseres de medicatie, de dosering en de gevolgen daarvan gemotiveerd heeft betwist, het op de weg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep lag om dit standpunt nader te onderzoeken en te verifiëren.

6. Verweerder heeft zich bij de uitspraak neergelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens in zijn rapport van 20 juni 2025 de verrichte onderzoeksactiviteiten uitvoerig toegelicht. Hieruit blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich door middel van verschillende onderzoeksactiviteiten heeft ingespannen om zich een zo volledig mogelijk beeld te vormen van de gezondheidstoestand van eiseres rond de datum in geding. De rechtbank begrijpt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarbij alleen bij de hem bekende behandelaars navraag heeft gedaan. Zoals echter op de eerdere zitting naar voren is gebracht, heeft eiseres een behandeling gehad bij een GZ-psycholoog in de periode van januari 2021 tot december 2024, waarvan de huisarts niet op de hoogte was. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte daardoor in eerste instantie niet over deze informatie. Eiseres heeft op 19 juni 2026 een e-mail van haar destijds behandelend GZ-psycholoog doorgestuurd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens toegelicht dat de inhoud van deze e-mail geen aanleiding geeft tot verdergaande beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep erkent de psychische beperkingen van eiseres, maar het schrijven van de GZ-psycholoog bevat geen (directe) medische bevindingen of objectieve gegevens die tot aanvullende beperkingen aanleiding geven.

7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het onderzoek nog steeds onzorgvuldig is. Ter zitting heeft eiseres erop gewezen dat het op de weg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep had gelegen om nadere informatie bij de GZ-psycholoog op te vragen, indien hij van mening was dat de beschikbare informatie onvoldoende was. Voorts voert eiseres aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog steeds onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de medicatie rond de datum in geding.

8. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van eiseres. De rechtbank stelt voorop dat de procedure aanmerkelijk korter zou zijn geweest indien de huisarts op de hoogte was geweest van alle behandelingen, zoals ook door verweerder is gesteld. Dit laat echter onverlet dat de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vergaarde informatie over de behandeling van eiseres rond de datum in geding onvolledig is gebleken. Dit raakt aan de zorgvuldigheid van het verrichte medisch onderzoek. Eiseres is in de loop der jaren onder verschillende behandelaars geweest binnen dezelfde praktijk voor psychotherapie. Bij deze praktijk is informatie opgevraagd bij verschillende psychologen, maar is juist niet de psycholoog benaderd die eiseres gedurende een periode van ongeveer drie jaar rond de datum in geding heeft behandeld. Deze behandelaar is nu werkzaam bij een andere praktijk en door eiseres alsnog benaderd. Eiseres heeft op 19 juni 2026 een e-mail overgelegd waaruit blijkt dat zij in de periode van januari 2021 tot december 2024 onder behandeling stond bij deze behandelend GZ-psycholoog. Deze GZ-psycholoog heeft daarbij ook aangegeven indien nodig bereid te zijn aanvullende informatie te geven. Deze informatie ziet op de psychische behandeling in de periode die direct relevant is voor de beoordeling van de belastbaarheid rond de datum in geding. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep bevat deze e-mail onvoldoende concrete informatie om aanvullende beperkingen aan te nemen. Nu echter een directe behandelaar bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep bekend was, had dit aanleiding behoren te vormen om nadere, gerichte vragen te stellen zoals eerder ook bij andere behandelaars is gedaan en in lijn met de eerdere uitspraak van de rechtbank is beoogd. Op die wijze had meer informatie kunnen worden verkregen over de bevindingen met betrekking tot de psychische problematiek van eiseres, met name rond januari 2022, de gestelde diagnosen, het ingezette (behandel)beleid sinds 2021 en het beloop daarvan. Voorts had ook ten aanzien van het medicijngebruik nadere navraag kunnen worden gedaan, nu partijen verdeeld zijn over de aard en omvang van het medicatiegebruik rond de datum in geding.

9. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat verweerder de beslissing op bezwaar nog steeds onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank verweerder in de gelegenheid stellen een gebrek in de beslissing op bezwaar te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het zorgvuldigheidsgebrek te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar. Om het gebrek te herstellen, dient de verzekeringsarts bezwaar en beroep alsnog informatie op te vragen bij de voormalig behandelend GZ-psycholoog Laura Jager en deze informatie te betrekken bij zijn beoordeling of de medische beperkingen op 17 januari 2022 correct zijn vastgesteld. Eiseres heeft daartoe een e-mail van 18 juni 2025 overgelegd, waarin onder meer het BIG-nummer en contactgegevens van de GZ-psycholoog zijn vermeld, waaronder een telefoonnummer, e-mailadres en postadres. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.

10. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In principe, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

11. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in principe beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.

12. Gelet op de aard van het vastgestelde gebrek, zullen de overige gronden pas in de einduitspraak worden besproken. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.



Beslissing


De rechtbank:



draagt verweerder op om binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;


stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;


houdt iedere verdere beslissing aan.




Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.




griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.


Een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.


De uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1386.


De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.