Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7479
2026-07-14
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
26/376
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep niet-ontvankelijk. Wet studiefinanciering. Geen procesbelang. Verweerder heeft alsnog eiser zijn verzoek opgevat als herzieningsverzoek. Eiser heeft daarmee bereikt wat hij met het instellen van het beroep wenste te bereiken.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264 Centrale Raad van Beroep 29-01-2008
- ECLI:NL:CRVB:2020:887 Centrale Raad van Beroep 08-04-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.924 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/376
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs, verweerder
(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar tegen een besluit van 13 november 2015.
Eiser heeft op 8 december 2025 verzocht om herziening van de aan hem opgelegde ov-boetes en om toepassing van de hardheidsclausule. Verweerder heeft dit verzoek opgevat als een bezwaar tegen het besluit van 13 november 2015. Met het bestreden besluit van 19 januari 2026 heeft verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar te laat is ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2026. Eiser was aanwezig. Verweerder heeft zich door middel van een videoverbinding laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van de besluiten
1. Eiser is op 1 september 2014 begonnen met de opleiding [opleiding] aan de [universiteit]. Gedurende zijn studie heeft hij een basisbeurs, een studentenreisproduct en een studielening ontvangen. Vanaf september 2015 had eiser geen recht meer op studiefinanciering, omdat hij niet meer voltijds studeerde. Toch heeft eiser zijn studentenreisproduct in de periode van september 2015 tot en met november 2016 niet stopgezet, waardoor een schuld van € 2.958,24 is ontstaan.
2. In 2025 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat zijn openstaande schuld op korte termijn zal worden overgedragen aan een incassobureau. Naar aanleiding daarvan heeft eiser contact opgenomen met verweerder over de schuld. Daarbij heeft eiser aangegeven dat hij in de betreffende periode geen gebruik heeft gemaakt van het studentenreisproduct. Vervolgens heeft eiser op 8 december 2025 verzocht om herziening van deze ov-schulden. Verweerder heeft dit verzoek aangemerkt als een bezwaarschrift en heeft daarop het in de inleiding genoemde bestreden besluit genomen.
3. In de beroepsprocedure heeft verweerder met een besluit van 19 mei 2026 ook een beslissing genomen op het herzieningsverzoek van eiser.
Beoordeling door de rechtbank
4. Voordat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van eiser toekomt, moet ambtshalve worden beoordeeld of dit beroep ontvankelijk is. Zoals op de zitting met partijen is besproken, ziet de rechtbank zich in dit kader voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij een inhoudelijk oordeel in deze procedure.
5. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de bestuursrechter alleen dan tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen is, indien er nog sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Eiser zal belang hebben bij de beoordeling van zijn beroep indien het resultaat dat hiermee wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor eiser feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van alleen maar een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
6. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder zijn herzieningsverzoek ten onrechte als een bezwaarschrift heeft aangemerkt. Op de zitting heeft eiser dit standpunt nogmaals bevestigd en toegelicht dat het verzoek uitdrukkelijk was bedoeld als herzieningsverzoek, omdat hij zich ervan bewust is dat het instellen van bezwaar na ruim tien jaar geen zin heeft. Het feit dat verweerder het verzoek toch als een bezwaarschrift heeft beoordeeld, heeft eiser daarom verrast. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn ingediende verzoek duidelijk verzoekt om herziening. In het verzoek ontbreekt verder enige aanwijzing dat eiser bezwaar wenste te maken tegen een besluit. Zo wordt geen besluit genoemd waartegen bezwaar wordt gemaakt en wordt het woord “bezwaar” niet gebruikt, terwijl wel uitdrukkelijk over herziening wordt gesproken. Gelet op de inhoud en strekking van het verzoek had verweerder dit verzoek als een herzieningsverzoek moeten aanmerken. Verweerder heeft het verzoek onjuist gekwalificeerd als bezwaarschrift.
7. Verweerder heeft in de beroepsfase alsnog op het herzieningsverzoek beslist met het besluit van 19 mei 2026. Daarmee is het met dit beroep door eiser beoogde resultaat bereikt. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Met deze procedure kan eiser immers niet meer bereiken. De rechtbank komt in deze procedure niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 19 mei 2026. Tegen dat besluit moet eerst een bezwaarprocedure bij verweerder worden gevolgd. Zoals eiser op de zitting heeft aangegeven, heeft hij inmiddels bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat verweerder alsnog het herzieningsverzoek van eiser in behandeling heeft genomen en niet is gebleken dat eiser verder nog belang heeft bij een inhoudelijk oordeel van de rechtbank.
9. Omdat eiser beroep heeft ingesteld, omdat verweerder zijn verzoek ten onrechte als bezwaarschrift heeft aangemerkt en een besluit op bezwaar heeft genomen, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 54,- aan hem vergoedt.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van hoger beroep kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/376
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs, verweerder
(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar tegen een besluit van 13 november 2015.
Eiser heeft op 8 december 2025 verzocht om herziening van de aan hem opgelegde ov-boetes en om toepassing van de hardheidsclausule. Verweerder heeft dit verzoek opgevat als een bezwaar tegen het besluit van 13 november 2015. Met het bestreden besluit van 19 januari 2026 heeft verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar te laat is ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2026. Eiser was aanwezig. Verweerder heeft zich door middel van een videoverbinding laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van de besluiten
1. Eiser is op 1 september 2014 begonnen met de opleiding [opleiding] aan de [universiteit]. Gedurende zijn studie heeft hij een basisbeurs, een studentenreisproduct en een studielening ontvangen. Vanaf september 2015 had eiser geen recht meer op studiefinanciering, omdat hij niet meer voltijds studeerde. Toch heeft eiser zijn studentenreisproduct in de periode van september 2015 tot en met november 2016 niet stopgezet, waardoor een schuld van € 2.958,24 is ontstaan.
2. In 2025 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat zijn openstaande schuld op korte termijn zal worden overgedragen aan een incassobureau. Naar aanleiding daarvan heeft eiser contact opgenomen met verweerder over de schuld. Daarbij heeft eiser aangegeven dat hij in de betreffende periode geen gebruik heeft gemaakt van het studentenreisproduct. Vervolgens heeft eiser op 8 december 2025 verzocht om herziening van deze ov-schulden. Verweerder heeft dit verzoek aangemerkt als een bezwaarschrift en heeft daarop het in de inleiding genoemde bestreden besluit genomen.
3. In de beroepsprocedure heeft verweerder met een besluit van 19 mei 2026 ook een beslissing genomen op het herzieningsverzoek van eiser.
Beoordeling door de rechtbank
4. Voordat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van eiser toekomt, moet ambtshalve worden beoordeeld of dit beroep ontvankelijk is. Zoals op de zitting met partijen is besproken, ziet de rechtbank zich in dit kader voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij een inhoudelijk oordeel in deze procedure.
5. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de bestuursrechter alleen dan tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen is, indien er nog sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Eiser zal belang hebben bij de beoordeling van zijn beroep indien het resultaat dat hiermee wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor eiser feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van alleen maar een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
6. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder zijn herzieningsverzoek ten onrechte als een bezwaarschrift heeft aangemerkt. Op de zitting heeft eiser dit standpunt nogmaals bevestigd en toegelicht dat het verzoek uitdrukkelijk was bedoeld als herzieningsverzoek, omdat hij zich ervan bewust is dat het instellen van bezwaar na ruim tien jaar geen zin heeft. Het feit dat verweerder het verzoek toch als een bezwaarschrift heeft beoordeeld, heeft eiser daarom verrast. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn ingediende verzoek duidelijk verzoekt om herziening. In het verzoek ontbreekt verder enige aanwijzing dat eiser bezwaar wenste te maken tegen een besluit. Zo wordt geen besluit genoemd waartegen bezwaar wordt gemaakt en wordt het woord “bezwaar” niet gebruikt, terwijl wel uitdrukkelijk over herziening wordt gesproken. Gelet op de inhoud en strekking van het verzoek had verweerder dit verzoek als een herzieningsverzoek moeten aanmerken. Verweerder heeft het verzoek onjuist gekwalificeerd als bezwaarschrift.
7. Verweerder heeft in de beroepsfase alsnog op het herzieningsverzoek beslist met het besluit van 19 mei 2026. Daarmee is het met dit beroep door eiser beoogde resultaat bereikt. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Met deze procedure kan eiser immers niet meer bereiken. De rechtbank komt in deze procedure niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 19 mei 2026. Tegen dat besluit moet eerst een bezwaarprocedure bij verweerder worden gevolgd. Zoals eiser op de zitting heeft aangegeven, heeft hij inmiddels bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat verweerder alsnog het herzieningsverzoek van eiser in behandeling heeft genomen en niet is gebleken dat eiser verder nog belang heeft bij een inhoudelijk oordeel van de rechtbank.
9. Omdat eiser beroep heeft ingesteld, omdat verweerder zijn verzoek ten onrechte als bezwaarschrift heeft aangemerkt en een besluit op bezwaar heeft genomen, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 54,- aan hem vergoedt.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van hoger beroep kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.