Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7475

2026-07-16 Civiel recht; Arbeidsrecht 12219038 \ CV EXPL 26-6627
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-07-21
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12219038 \ CV EXPL 26-6627
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1166; AR-Updates.nl 2026-1166

Inhoudsindicatie

IPR verstek. Juist betekend. Matiging verhoging en matiging dwangsom m.b.t. verstrekken loonstroken.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.026 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Civiel recht
Kantonrechter



Zaaknummer: 12219038 \ CV EXPL 26-6627




Vonnis van 16 juli 2026




in de zaak van





[eiser]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R. Hartman,



tegen





[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 2] (Zweden),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.






1De procedure


1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 16 januari 2026 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld overeenkomstig de door hem overgelegde dagvaarding.



1.1.

[gedaagde] heeft geen uitstel verzocht en evenmin op de in de dagvaarding vermelde terechtzitting van 8 mei 2026 geantwoord.





2De gronden van de beslissing



Betekening



2.1.
Omdat [gedaagde] niet in de procedure is verschenen moet beoordeeld worden of de dagvaarding op de juiste wijze is betekend, zodat aan [gedaagde] verstek kan worden verleend.



2.2.

[gedaagde] woont in Zweden, terwijl de dagvaarding is betekend door de Nederlands deurwaarder. Het gaat dus om een grensoverschrijdende betekening. Daarom is op de betekening van de dagvaarding het bepaalde in Verordening (EU) 2020/1784 (hierna: de Betekeningsverordening) van toepassing.



2.3.
De dagvaarding is op 16 januari 2026 uitgebracht en [gedaagde] is opgeroepen om op 8 mei 2026 te verschijnen. [eiser] heeft de dagvaardingstermijn van ten minste vier weken dan ook in acht genomen. Tussen het moment van betekening en de datum waartegen [gedaagde] is opgeroepen, is eveneens een termijn van ten minste vier weken in acht genomen. Ingevolge het overgelegde certificaat van betekening als bedoeld in artikel 14 van de Betekeningsverordening is de dagvaarding namelijk op 25 februari 2026 op betekend door het stuk aan [gedaagde] in persoon af te geven. [gedaagde] heeft dus, in overeenstemming met artikel 19 van de Betekeningsverordening, daadwerkelijk gelegenheid heeft gehad om verweer te voeren.



2.4.

[gedaagde] heeft geen uitstel verzocht en heeft ook niet op de in de dagvaarding vermelde terechtzitting van 8 mei 2026 geantwoord. Tegen haar wordt daarom verstek verleend.



Bevoegdheid




2.5.
De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen, moet worden beantwoord aan de hand van Verordening (EU) nr. 1215/2012 (hierna: Brussel I-bis). De vordering is gebaseerd op de tussen partijen gesloten individuele arbeidsovereenkomst. [eiser] stelt dat hij gewoonlijk werkte vanuit [plaats] . Om die reden is de kantonrechter van Amsterdam bevoegd (artikel 21 lid 1 sub b onder i Brussel I-bis).



Toepasselijk recht




2.6.
Daarnaast moet worden vastgesteld welk recht op de overeenkomst van toepassing is. Dit wordt bepaald op grond van Verordening (EG) 593/2008 (hierna: Rome I), aangezien het gaat om een burgerlijk geschil en de in artikel 1 Rome I genoemde uitzonderingen niet van toepassing zijn. Partijen hebben in de arbeidsovereenkomst geen rechtskeuze gemaakt. Daarom wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar [eiser] de arbeid gewoonlijk verrichtte, namelijk Nederland (artikel 8 lid 2 Rome I). De vordering zal dan ook naar Nederlands recht worden beoordeeld.



De vordering




2.7.

[eiser] heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.



2.8.
De vorderingen komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze met inachtneming van het navolgende toewijsbaar zijn.



Wettelijke verhoging




2.9.
De kantonrechter ziet aanleiding om de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te matigen tot 25%. Omdat partijen in artikel 6 van de arbeidsovereenkomst hebben afgesproken dat het loon voor het einde van de maand betaald moet worden, wordt de wettelijke verhoging (en de wettelijke rente) toegewezen vanaf de eerste dag van de daarop volgende maand.



Loonstroken




2.10.

[gedaagde] is op grond van de wet namelijk verplicht om werknemers een specificatie te verstrekken van het betaalde loon, waarbij onder andere de bedragen die op het loon zijn ingehouden moeten worden vermeld (artikel 7:262 lid 1 BW). Die vordering wordt dan ook toegewezen. Omdat [gedaagde] tot nu toe slechts een beperkt deel van de loonstroken heeft verstrekt, ziet de kantonrechter aanleiding om een dwangsom te verbinden aan deze verplichting van € 100,- per dag met een maximum van € 2.500,-, zoals hierna in de beslissing vermeld.



De proceskosten




2.11.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekenings-kosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: € 597,-, bestaande uit het griffierecht (€ 93,-), het salaris van de gemachtigde (1 punt x € € 360,-) en de nakosten (€ 144,-). De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





3De beslissing


De kantonrechter



3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] het netto equivalent te betalen van:
a. € 1.280,89 bruto aan achterstallig loon over het jaar 2018,
b. € 2.058,38 bruto aan achterstallig loon over januari 2019,
c. € 2.845,66 bruto aan achterstallig loon over de periode van 1 februari 2019 tot en met 31 oktober 2019,
d. € 46,11 bruto aan te weinig betaald uurloon over de periode van november 2019 en december 2019,
e. € 270,- bruto aan achterstallig loon over december 2019,
f. € 104,60 bruto aan te weinig betaald uurloon over 1 januari 2020 tot en met 31 mei 2020,
g. het brutoloon vanaf 1 juni 2020 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, uitgaande van een uurtarief van € 14,50 bruto,




3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] over de onder 3.1. toegewezen bedragen te betalen:


8% vakantiebijslag,


de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW tot een maximum van 25% voor zover het salaris niet (steeds) voor het einde van de betreffende maand is voldaan, vanaf de eerste dag van de daarop volgende maand tot de datum van volledige betaling,


de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, voor zover het salaris niet (steeds) voor het einde van de betreffende maand is voldaan, vanaf de eerste dag van de daarop volgende maand tot de datum van volledige betaling,





3.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 2.500,-, te verstrekken:
a. de loonstroken over alle maanden vanaf de maand juni 2018 (inclusief eventuele eindafrekening), behalve over de maanden november en december 2018 en februari tot en met mei 2019, tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd,




3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 597,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, eventueel te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, en te verhogen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als deze proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.



3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 16 juli 2026.



64183