Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7395

2026-06-25 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11069454 \ CV EXPL 24-4065
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-06-25
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11069454 \ CV EXPL 24-4065
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1161; AR-Updates.nl 2026-1161

Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling kosten rijopleiding rijbewijs C. Ten tijde van de opleiding nog geen sprake van een arbeidsovereenkomst, zodat de opleidingsovereenkomst niet uitgesloten is van toetsing aan de Richtlijn oneerlijke bedingen en de Richtlijn consumentenrechten. Voldaan aan de informatieplichten en geen oneerlijke bedingen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.651 tekens)
RECHTBANK
AMSTERDAM



Civiel recht
Kantonrechter



Zaaknummer: 11069454 \ CV EXPL 24-4065




Vonnis van 25 juni 2026




in de zaak van




CONSOLID TRANSPORT & LOGISTIEK B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: Agin Timmermans,



tegen





[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.






1De procedure


1.1.
Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard op 16 april 2024. Gedaagde partij is niet verschenen en heeft ook niet schriftelijk gereageerd. Tegen hem is daarom verstek verleend.



1.2.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.





2De beoordeling


2.1.
Volgens eisende partij heeft zij met gedaagde partij op 9 februari 2022 een opleidingsovereenkomst gesloten, met als doel om extern de opleiding vrachtwagenchauffeur C en CE te volgen. De overeenkomst is met gedaagde partij voorbesproken op het kantoor van eisende partij en gedaagde partij heeft de overeenkomst enkele dagen later digitaal ondertekend. Enkele maanden later, op 15 juni 2022, hebben partijen een uitzendovereenkomst fase A gesloten, aldus steeds eisende partij.



2.2.
Gedaagde partij heeft ondanks waarschuwingen geen contact opgenomen met eisende partij en is niet op het werk verschenen. De uitzendovereenkomst is vervolgens voortijdig door eisende partij beëindigd. Om die reden heeft eisende partij voor de gemaakte opleidingskosten een factuur gezonden voor € 3.448,38. Dit betreft de kosten voor de rijopleiding rijbewijs C. Met het vervolg, rijbewijs CE, was gedaagde partij nog niet begonnen. Gedaagde partij heeft de factuur niet volledig betaald, zodat eisende partij in deze procedure een bedrag van € 2.948,38 vordert, vermeerderd met rente en kosten.



2.3.
Eisende partij stelt dat de intentie was dat gedaagde partij na voltooiing van de opleiding via haar een beroep in de vervoers- of beveiligingsbranche zou gaan uitoefenen, maar dat hij dat beroep op het moment dat de opleidingsovereenkomst werd gesloten nog niet deed. Deze stelling vindt ondersteuning in de stukken die zijn overgelegd. Zo blijkt uit de toelichting van eisende partij dat gedaagde partij op 15 juni 2022 werd geplaatst bij een opdrachtgever als vrachtwagenchauffeur C en is op diezelfde datum de uitzendovereenkomst gesloten. Hieruit volgt dat gedaagde partij pas na het behalen van de rijopleiding rijbewijs C aan het werk is gegaan als uitzendkracht. Dit betekent dat ten tijde van de opleiding geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. De opleidingsovereenkomst is derhalve niet uitgesloten van toetsing aan de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EG) en de Richtlijn consumentenrechten (2011/83/EU).



2.4.
Het voorgaande betekent dat ambtshalve onderzocht moet worden of eisende partij de informatieplichten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft nageleefd. De overeenkomst is tot stand is gekomen anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. Eisende partij heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij voldaan heeft aan de informatieplichten die zij heeft op grond van artikel 6:230l BW.


2.5.
De kantonrechter moet ook uit eigen beweging beoordelen of de bedingen in de overeenkomst en de algemene voorwaarden oneerlijk zijn in de zin van de richtlijn oneerlijke bedingen (hierna: de richtlijn). Eisende partij heeft de opleidingsovereenkomst en het daarop van toepassing zijnde Reglement opleidingen Consolid overgelegd, zodat de bedingen die daarin zijn opgenomen getoetst kunnen worden.



2.6.
De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op artikel 3 en 4 van de opleidingsovereenkomst en artikel 6 van het reglement opleidingen. Deze luiden, voor zover hier van belang:














(…)









2.7.
Deze bedingen zijn niet oneerlijk. Het bedrag aan kosten is daarin benoemd en de terugbetalingsverplichting voor de werknemer is duidelijk uiteengezet. Opgenomen is dat per verloonde week een bedrag van € 30,00 wordt ingehouden op het te ontvangen salaris, waarna na 78 gewerkte weken de restschuld wordt kwijtgescholden. Ook is vastgelegd dat wanneer de uitzendovereenkomst eindigt voor de 78 gewerkte weken, het terug te betalen bedrag naar rato afneemt. Daarmee is in de bedingen rekening gehouden met een zogenaamde ‘baatperiode’ en een glijdende schaal voor wat betreft de terugbetalingsverplichting.



2.8.
Uit de door eisende partij overgelegde factuur blijkt dat zij in rekening brengt een bedrag van € 3.750,00 aan basisopleiding C en een bedrag van € 189,00 aan ‘3-extra lessen C’. Uit artikel 3.3 van de opleidingsovereenkomst volgt dat eventuele extra lessen worden weergegeven op een aan de opleidingsovereenkomst bijgevoegd ‘Addendum kosten extra lessen en herexamens’. Dit addendum ontbreekt echter in de stukken. Onvoldoende is gesteld of gebleken op grond waarvan gedaagde partij deze € 189,00 verschuldigd is aan eisende partij. Toewijsbaar is daarom een bedrag van € 2.759,38 (€ 2.948,38 -/- € 189,00). Het meerdere wordt afgewezen omdat dit ongegrond voorkomt.



2.9.
De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar als hierna te melden. Eisende partij vordert tot slot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Omdat gedaagde partij een consument is, moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Eisende partij heeft aan gedaagde partij een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Eisende partij heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. De gevorderde btw zal worden afgewezen, omdat eisende partij niet heeft gesteld geen ondernemer te zijn op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 of als ondernemer een vrijgestelde prestatie te hebben verricht. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom. Dat is het gevolg van een omstandigheid die zich na het versturen van de aanmaning heeft voorgedaan. De kantonrechter zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom. Daarom zal een bedrag van € 400,94 worden toegewezen.



2.10.
Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


113,54







- griffierecht


€


496,00







- salaris gemachtigde


€


253,00


(1 punt × € 253,00)




- nakosten


€


126,50


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


989,04













3De beslissing


De kantonrechter



3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 2.759,38, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf de datum van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,



3.2.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 400,94 aan buitengerechtelijke kosten



3.3.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 989,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.



57327