Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7392
2026-05-07
Civiel recht; Verbintenissenrecht
10510948 \ CV EXPL 23-7170
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eindvonnis na tussenvonnis (ECLI:NL:RBAMS:2026:3257). Hetgeen eisende partij heeft aangevoerd in haar akte maakt het oordeel niet anders. De kantonrechter blijft bij het standpunt dat het prijsbeding niet transparant en oneerlijk is. De vorderingen worden afgewezen.
Citeert (1)
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.608 tekens)
RECHTBANK
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10510948 \ CV EXPL 23-7170
Vonnis van 7 mei 2026
in de zaak van
HOGESCHOOL NOVI B.V.,
gevestigd te Amersfoort ,
hierna te noemen: eisende partij,
gemachtigde: mr. E. Holthuizen,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: gedaagde partij,
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 februari 2026- de akte van eisende partij van 9 april 2026.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Bij tussenvonnis van 12 februari 2026 is eisende partij in de gelegenheid gesteld de totstandkoming van de overeenkomst nader toe te lichten en gemotiveerd te stellen op welke wijze is voldaan aan de toepasselijke informatieplichten. Ook is eisende partij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de oneerlijkheid van het prijsbeding, nu de kantonrechter van oordeel was dat het prijsbeding niet transparant is. Eisende partij heeft bij akte van 9 april 2026 een en ander nader toegelicht en zich uitgelaten. Daarbij heeft zij bewijs overgelegd dat zij deze akte ook aan gedaagde heeft gestuurd.
2.2.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat het prijsbeding niet transparant is, omdat uit het beding niet duidelijk blijkt over welk bedrag de 4% administratiekosten berekend worden en omdat daarmee uit het beding niet kan worden afgeleid wat de totale prijs is van de opleiding, wanneer de consument kiest voor betaling in maandelijkse termijnen.
2.3.
De kantonrechter oordeelt dat hetgeen eisende partij heeft aangevoerd in haar akte, onvoldoende is om tot een ander oordeel te komen. De stelling van eisende partij dat gedaagde partij uit het beding had kunnen afleiden dat 4% van € 5.800,00 neerkomt op een bedrag van € 232,00, volgt de kantonrechter niet. Het prijsbeding bevat meerdere bedragen en uit het beding volgt niet over welk bedrag de 4% wordt berekend. Dat daarnaast expliciet vermeld staat wat de maandelijkse kosten voor gedaagde partij bedragen, zodat het hem duidelijk had moeten zijn wat de totale prijs van de opleiding is, gaat ook niet op omdat uit het beding niet duidelijk blijkt hoeveel maandelijkse termijnen moeten worden betaald. Ook daaruit volgt dus niet wat de totale prijs van de opleiding is. Eisende partij heeft in haar akte weliswaar een printscreen overgelegd van haar huidige digitale bestelproces, maar dat is niet het bestelproces dat gedaagde partij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst onder ogen heeft gehad. De stelling van eisende partij dat gedaagde partij gebruik had kunnen maken van de kennisbank van eisende partij, maakt het oordeel ook niet anders. Nog daargelaten dat niet gesteld of gebleken is dat deze informatie voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst is gedeeld met gedaagde partij, ziet deze informatie op het ontvangen van een kredietvergoeding van DUO. Ook deze informatie levert dan ook geen informatie op over de volledige kosten van de opleiding.
2.4.
De kantonrechter blijft dan ook bij het oordeel dat het prijsbeding niet transparant is. Nu het prijsbeding niet transparant is moet worden beoordeeld of het oneerlijk is. Dat het prijsbeding niet transparant is leidt niet direct tot het oordeel dat het oneerlijk is, maar speelt daarbij wel een rol. Onvoldoende is gebleken dat eisende partij op andere wijze voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst informatie heeft verstrekt over het totaal aan kosten en dat zij gedaagde partij duidelijk heeft gemaakt wat de volledige financiële gevolgen van de overeenkomst zouden zijn. Dit terwijl eisende partij zich er op grond van de door haar gehanteerde algemene voorwaarden toe verplicht dat elk aanbod in ieder geval op duidelijke en begrijpelijke wijze de prijs met inbegrip van alle bijkomende kosten vermeldt. Door dit na te laten heeft eisende partij het vereiste van goede trouw niet nageleefd en is sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomsten voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van gedaagde partij. Het prijsbeding is dan ook oneerlijk.
2.5.
Gelet op artikel 6 lid 1 van de richtlijn is gedaagde partij niet aan het oneerlijke prijsbeding gebonden. Als gevolg daarvan kan de overeenkomst niet blijven voortbestaan. Nu het, vanwege het oneerlijke prijsbeding, niet redelijk is om op grond van ongedaanmaking (artikel 6:203 lid 3 jo. 6:210 lid 2) dan wel ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW) alsnog een (schade)vergoeding te vragen, wordt vastgesteld dat gedaagde partij van het vervallen van de overeenkomst geen uiterst nadelige gevolgen ondervindt. Daarbij wordt opgemerkt dat de lange termijn doelstelling van artikel 7 lid 2 van de richtlijn oneerlijke bedingen – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komt wanneer eisende partij alsnog een vergoeding voor haar diensten zou kunnen krijgen terwijl zij een oneerlijk prijsbeding hanteert. Voorgaande houdt in dat het niet noodzakelijk is de overeenkomst aan te vullen om ervoor te zorgen dat deze kan voortbestaan (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954).
2.6.
Nu de overeenkomst is vervallen, heeft gedaagde partij geen betalingsverplichting tegenover eisende partij. De vordering wordt dan ook afgewezen.
2.7.
Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die aan de kant van gedaagde partij worden begroot op nihil.
3De beslissing
De kantonrechter
3.1.
wijst de vorderingen van eisende partij af,
3.2.
veroordeelt eisende partij in de proceskosten van gedaagde partij, die aan de kant van gedaagde partij worden begroot op nihil,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.
57327
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10510948 \ CV EXPL 23-7170
Vonnis van 7 mei 2026
in de zaak van
HOGESCHOOL NOVI B.V.,
gevestigd te Amersfoort ,
hierna te noemen: eisende partij,
gemachtigde: mr. E. Holthuizen,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: gedaagde partij,
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 februari 2026- de akte van eisende partij van 9 april 2026.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Bij tussenvonnis van 12 februari 2026 is eisende partij in de gelegenheid gesteld de totstandkoming van de overeenkomst nader toe te lichten en gemotiveerd te stellen op welke wijze is voldaan aan de toepasselijke informatieplichten. Ook is eisende partij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de oneerlijkheid van het prijsbeding, nu de kantonrechter van oordeel was dat het prijsbeding niet transparant is. Eisende partij heeft bij akte van 9 april 2026 een en ander nader toegelicht en zich uitgelaten. Daarbij heeft zij bewijs overgelegd dat zij deze akte ook aan gedaagde heeft gestuurd.
2.2.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat het prijsbeding niet transparant is, omdat uit het beding niet duidelijk blijkt over welk bedrag de 4% administratiekosten berekend worden en omdat daarmee uit het beding niet kan worden afgeleid wat de totale prijs is van de opleiding, wanneer de consument kiest voor betaling in maandelijkse termijnen.
2.3.
De kantonrechter oordeelt dat hetgeen eisende partij heeft aangevoerd in haar akte, onvoldoende is om tot een ander oordeel te komen. De stelling van eisende partij dat gedaagde partij uit het beding had kunnen afleiden dat 4% van € 5.800,00 neerkomt op een bedrag van € 232,00, volgt de kantonrechter niet. Het prijsbeding bevat meerdere bedragen en uit het beding volgt niet over welk bedrag de 4% wordt berekend. Dat daarnaast expliciet vermeld staat wat de maandelijkse kosten voor gedaagde partij bedragen, zodat het hem duidelijk had moeten zijn wat de totale prijs van de opleiding is, gaat ook niet op omdat uit het beding niet duidelijk blijkt hoeveel maandelijkse termijnen moeten worden betaald. Ook daaruit volgt dus niet wat de totale prijs van de opleiding is. Eisende partij heeft in haar akte weliswaar een printscreen overgelegd van haar huidige digitale bestelproces, maar dat is niet het bestelproces dat gedaagde partij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst onder ogen heeft gehad. De stelling van eisende partij dat gedaagde partij gebruik had kunnen maken van de kennisbank van eisende partij, maakt het oordeel ook niet anders. Nog daargelaten dat niet gesteld of gebleken is dat deze informatie voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst is gedeeld met gedaagde partij, ziet deze informatie op het ontvangen van een kredietvergoeding van DUO. Ook deze informatie levert dan ook geen informatie op over de volledige kosten van de opleiding.
2.4.
De kantonrechter blijft dan ook bij het oordeel dat het prijsbeding niet transparant is. Nu het prijsbeding niet transparant is moet worden beoordeeld of het oneerlijk is. Dat het prijsbeding niet transparant is leidt niet direct tot het oordeel dat het oneerlijk is, maar speelt daarbij wel een rol. Onvoldoende is gebleken dat eisende partij op andere wijze voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst informatie heeft verstrekt over het totaal aan kosten en dat zij gedaagde partij duidelijk heeft gemaakt wat de volledige financiële gevolgen van de overeenkomst zouden zijn. Dit terwijl eisende partij zich er op grond van de door haar gehanteerde algemene voorwaarden toe verplicht dat elk aanbod in ieder geval op duidelijke en begrijpelijke wijze de prijs met inbegrip van alle bijkomende kosten vermeldt. Door dit na te laten heeft eisende partij het vereiste van goede trouw niet nageleefd en is sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomsten voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van gedaagde partij. Het prijsbeding is dan ook oneerlijk.
2.5.
Gelet op artikel 6 lid 1 van de richtlijn is gedaagde partij niet aan het oneerlijke prijsbeding gebonden. Als gevolg daarvan kan de overeenkomst niet blijven voortbestaan. Nu het, vanwege het oneerlijke prijsbeding, niet redelijk is om op grond van ongedaanmaking (artikel 6:203 lid 3 jo. 6:210 lid 2) dan wel ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW) alsnog een (schade)vergoeding te vragen, wordt vastgesteld dat gedaagde partij van het vervallen van de overeenkomst geen uiterst nadelige gevolgen ondervindt. Daarbij wordt opgemerkt dat de lange termijn doelstelling van artikel 7 lid 2 van de richtlijn oneerlijke bedingen – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komt wanneer eisende partij alsnog een vergoeding voor haar diensten zou kunnen krijgen terwijl zij een oneerlijk prijsbeding hanteert. Voorgaande houdt in dat het niet noodzakelijk is de overeenkomst aan te vullen om ervoor te zorgen dat deze kan voortbestaan (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954).
2.6.
Nu de overeenkomst is vervallen, heeft gedaagde partij geen betalingsverplichting tegenover eisende partij. De vordering wordt dan ook afgewezen.
2.7.
Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die aan de kant van gedaagde partij worden begroot op nihil.
3De beslissing
De kantonrechter
3.1.
wijst de vorderingen van eisende partij af,
3.2.
veroordeelt eisende partij in de proceskosten van gedaagde partij, die aan de kant van gedaagde partij worden begroot op nihil,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.
57327