Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7391

2026-07-16 Strafrecht; Materieel strafrecht 13/090912-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
13/090912-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders binnen één nacht schuldig gemaakt aan meerdere feiten, waaronder openlijk geweld, een poging tot zware mishandeling, een poging tot doodslag, een afpersing en een vernieling. Samen hebben zij in het centrum van Amsterdam een spoor van geweld en vernieling achtergelaten en zeven slachtoffers gemaakt. De slachtoffers hebben in verschillende mate letsel opgelopen. Van één slachtoffer is in zijn woning een ravage achtergelaten door de vernielingen die de daders daar hebben gepleegd. De rechtbank legt aan verdachte op een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (73.158 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM



Afdeling Publiekrecht



Teams Strafrecht



Parketnummer: 13/090912-26



Datum uitspraak: 16 juli 2026




Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2006,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres 1] ,
gedetineerd in [detentieadres] .





1Het onderzoek ter terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juli 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. J. Rokx en mr. M. Broere, naar voren hebben gebracht.



Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en dat wat namens hen door [medewerker Slachtofferhulp] van Slachtofferhulp Nederland naar voren is gebracht.





2Voorvragen


2.1

Het standpunt van de verdediging



De verdediging heeft zich bij pleidooi ten aanzien van het onder feit 6 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wegens schending van het vertrouwensbeginsel. De officier van justitie zou per e-mail de verdediging het volgende bericht hebben gestuurd: ‘In de nazending zijn meerdere strafbare feiten geverbaliseerd, maar ik heb besloten om hiervan 2 strafbare feiten niet te vervolgen’. Aangezien [verdachte] net daarvoor aanvullend was gehoord door de politie in verband met onder meer de vernieling van de woning van [slachtoffer 1] , bestond bij de verdediging hierdoor het gerechtvaardigde vertrouwen dat verdachte niet voor dit feit zou worden vervolgd.




2.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie



De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel het klopt dat zij bovengenoemde e-mail naar de verdediging heeft gestuurd, er geen sprake kon zijn van gerechtvaardigd vertrouwen dat verdachte niet voor dit feit zou worden vervolgd aangezien zij in de mail niet heeft gespecificeerd om welke feiten het ging. Er is dan ook geen sprake van een concrete en ondubbelzinnige toezegging.




2.3

Het oordeel van de rechtbank



De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend om zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Het Openbaar Ministerie heeft een ruime discretionaire bevoegdheid om te beslissen of een verdachte moet worden vervolgd. Deze vervolgingsbeslissing leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd.



Hoewel door de officier van justitie in haar e-mailbericht duidelijk is gezegd dat zij geen vervolging zou instellen voor twee strafbare feiten, heeft zij daarbij niet concreet benoemd om welke strafbare feiten het zou gaan. Dat verdachte kort hiervoor aanvullend was gehoord in verband met onder andere het onder feit 6 ten laste gelegde, maakt niet dat de verdediging ervan uit mocht gaan dat het bericht van de officier van justitie specifiek op dat feit zou zien. Er zijn geen andere omstandigheden die maken dat de verdediging het gerechtvaardigde vertrouwen kon en mocht hebben dat verdachte niet vervolgd zou worden voor de vernieling van de woning van [slachtoffer 1] . Het verweer slaagt niet.



De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.








3Tenlastelegging


Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 25 maart 2026 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:




feit 1: openlijke geweldpleging in vereniging tegen personen, te weten [benadeelde partij 3] / [benadeelde partij 1] / [benadeelde partij 4] , met (zwaar) lichamelijk letsel als gevolg;




feit 2: het medeplegen van diefstal met geweld van een iPhone 13 en/of een Deens paspoort van [slachtoffer 2] , waarbij geweld is gebruikt tegen [slachtoffer 3] ;




feit 3: het medeplegen van afpersing met betrekking tot een iPhone 13 en/of een Deens paspoort van [slachtoffer 2] , waarbij geweld is gebruikt tegen [slachtoffer 3] ;




feit 4 primair: het medeplegen van poging tot doodslag op [benadeelde partij 5] ;

subsidiair: het medeplegen van zware mishandeling van [benadeelde partij 5] ;

meer subsidiair: het medeplegen van poging tot zware mishandeling van
[benadeelde partij 5] ;




feit 5 primair: het medeplegen van poging tot doodslag op [benadeelde partij 2] ;

subsidiair: het medeplegen van zware mishandeling van [benadeelde partij 2] ;

meer subsidiair: het medeplegen van poging tot zware mishandeling van
[benadeelde partij 2] ;




feit 6: het medeplegen van vernieling van een woning van [slachtoffer 1] .



De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.



Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.





4Waardering van het bewijs


4.1

Inleiding



In de nacht van 25 maart 2026 komen bij de politie verschillende meldingen binnen van overlast en geweld gepleegd door een groep jonge mannen in het centrum van Amsterdam. Er zou sprake zijn van verschillende vechtpartijen en mishandelingen van vijf mensen zonder enige aanleiding, een beroving van een ander en de vernieling van een woning. Verdachte wordt die nacht samen met drie andere mannen aangehouden op verdenking van deze feiten. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verdachte zich samen met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan deze feiten.




4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie



De officier van justitie heeft zich op het volgende standpunt gesteld.



De openlijke geweldpleging (feit 1) kan worden bewezen. Alle vier de verdachten hebben geweld gebruikt tegen [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 4] . Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking waar verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan heeft geleverd. Verdachte dient wel partieel te worden vrijgesproken van het bestanddeel “zwaar lichamelijke letsel als gevolg´, nu dit niet is vast komen te staan.



Ook de afpersing van [slachtoffer 2] kan worden bewezen (feit 3). Verdachte heeft met twee medeverdachten [slachtoffer 2] omsingeld en hem door geweld en bedreiging met geweld gedwongen tot afgifte van zijn paspoort en telefoon. Verdachte [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer 3] , de vriend van [slachtoffer 2] , afgezonderd en hem een duw gegeven. Daardoor is sprake van het medeplegen van deze afpersing. Nu [slachtoffer 2] zelf de goederen heeft afgegeven en deze niet bij hem zijn weggenomen, dient vrijspraak te volgen voor de diefstal (feit 2).



Ten aanzien van het geweld tegen [benadeelde partij 5] , dient verdachte te worden vrijgesproken van feit 4 primair en subsidiair. [benadeelde partij 5] is door de verdachten vier keer tegen het hoofd getrapt. Niet is komen vast te staan dat er een aanmerkelijke kans op de dood bestond of dat [benadeelde partij 5] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.



Verder kan verdachte worden veroordeeld wegens poging tot doodslag op [benadeelde partij 2] (feit 5 primair). [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben met geschoeide voet in totaal vijf keer tegen het hoofd van [benadeelde partij 2] geschopt. [benadeelde partij 2] lag toen op een harde, stenen ondergrond. Hierbij bestond de aanmerkelijke kans dat [benadeelde partij 2] zou komen te overlijden. [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben deze aanmerkelijke kans bewust aanvaard door zo te handelen.



Ten slotte kan worden bewezen dat de verdachten de woning van [slachtoffer 1] hebben vernield (feit 6). Uit de camerabeelden blijkt dat vijf personen, waaronder de verdachten, het pand in zijn gegaan en tien minuten later naar buiten zijn gekomen. De woning was niet vernield voordat zij naar binnen gingen.




4.3

Het standpunt van de verdediging



De verdediging heeft zich ten aanzien van het openlijke geweld (feit 1) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte dient wel partieel vrijgesproken te worden van het bestanddeel “zwaar lichamelijke letsel als gevolg”, omdat dit niet is komen vast te staan.



Ten aanzien van de diefstal en afpersing van [slachtoffer 2] (feiten 2 en 3) dient verdachte van beide feiten te worden vrijgesproken. Er is geen sprake van een wegnemingshandeling, zodat de goederen niet gestolen kunnen zijn. De goederen zijn ook niet onder dwang, geweld of bedreiging afgegeven. De uitingen ‘maak je zakken leeg’ en ‘cash cash’ zijn slechts algemene bewoordingen en zijn onvoldoende concreet bedreigend richting [slachtoffer 2] , zodat zij niet als bedreiging met geweld kunnen gelden. Daarnaast blijkt alleen uit de aangifte dat deze uitingen zouden zijn gedaan.



Ten aanzien van het geweld tegen [benadeelde partij 5] , dient verdachte te worden vrijgesproken van feit 4 primair en subsidiair. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot feit 4 meer subsidiair.



Ook ten aanzien van de poging tot doodslag tegen [benadeelde partij 2] (feit 5 primair) dient vrijspraak te volgen. Uit de beelden blijkt niet een zodanige intensiteit, kracht, duur of gerichtheid van de geweldshandelingen dat daaruit een aanmerkelijke kans op de dood kan worden afgeleid. Verder heeft [benadeelde partij 2] geen zwaar lichamelijk letsel opgelopen in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), zodat verdachte ook van feit 5 subsidiair dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot feit 5 meer subsidiair.



Ten slotte kan de vernieling van de woning van [slachtoffer 1] (feit 6) niet worden bewezen, omdat niet kan worden vastgesteld wie de vernielingen daadwerkelijk heeft gepleegd. Verdachte heeft verklaard dat hij wel in de woning is geweest, maar dat hij geen vernielingen heeft aangericht en dat hij niet heeft gezien wie dat wel heeft gedaan.




4.4

Het oordeel van de rechtbank



4.4.1

Vaststaande feiten en omstandigheden



De rechtbank stelt op basis van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen – in het bijzonder de processen-verbaal van de verschillende camerabeelden – de volgende feiten en omstandigheden vast over dat wat in de nacht van 25 maart 2026 is gebeurd. Niet alle gebeurtenissen die hieronder staan genoemd worden aan verdachte verweten, maar voor de samenhang en chronologie heeft de rechtbank ook in dit vonnis het geheel beschreven. Verdachte wordt ook bij zijn achternaam benoemd.



Die nacht is verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Een vijfde verdachte die bij deze groep hoort, blijft onbekend en wordt NN1 genoemd.



Om 02:15:54 uur komt de groep bij de fietstunnel onder het Amsterdam Centraal Station [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] tegen. [slachtoffer 2] wordt aangesproken door [verdachte] en NN1. [verdachte] sommeert [slachtoffer 3] verderop te gaan staan. [medeverdachte 3] komt ook direct dicht op [slachtoffer 2] staan. [slachtoffer 2] wordt zo door [verdachte] , [medeverdachte 3] en NN1 omsingeld. [medeverdachte 1] staat iets verderop bij [slachtoffer 3] . Eén van deze mensen zegt tegen [slachtoffer 2] ‘maak je zakken leeg’ in het Engels, zo heeft [slachtoffer 2] verklaard. [slachtoffer 2] geeft iets af aan [verdachte] of NN1. Dan wordt tegen [slachtoffer 2] gezegd ‘cash, cash’. [medeverdachte 1] duwt [slachtoffer 3] tegen zijn borst. Vervolgens loopt NN1 als eerste weg, gevolgd door [verdachte] . [slachtoffer 2] volgt hen. [slachtoffer 3] wordt weer tegen zijn borst geduwd door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] komt bij [medeverdachte 1] en [slachtoffer 3] staan. Om 02:17:20 uur rennen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hard weg.



Om 02:41:33 uur lopen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en NN1 over de Warmoesstraat . NN1 duwt een deur van het pand met [huisnummer] open en gaat om 02:41:14 uur naar binnen. Om 02:42:25 uur loopt [medeverdachte 2] het pand binnen. Dertien seconden later betreedt ook [medeverdachte 3] het pand. Ongeveer een halve minuut later gaan ook [verdachte] en [medeverdachte 1] naar binnen. Om 02:50 uur wordt getuige [getuige 1] wakker van harde geluiden in het pand. Door zijn deurspion ziet hij dat drie mannen de woning van zijn overbuurman uit komen lopen. Getuige [getuige 2] ziet drie mannen het appartement overhoop halen. Om 02:53:34 uur verlaten alle vijf de mannen het pand. Zowel de politie als de eigenaar van de woning ( [slachtoffer 1] ) constateren hierna allerlei soorten vernielingen in de woning op [huisnummer] .



Om 02:54 uur komt de groep mannen [benadeelde partij 5] tegen op de Warmoesstraat . Om 02:54:59 uur maakt [verdachte] een slaande beweging richting [benadeelde partij 5] . Getuigen [slachtoffer 4] en [benadeelde partij 4] proberen tussen hen in te komen. Om 02:55 uur ligt [benadeelde partij 5] op de grond. [medeverdachte 1] , [verdachte] en NN1 staan om hem heen. [verdachte] trekt zijn knie op en maakt een voorwaartse trap waarbij hij zijn been naar voren uitstrekt. Zijn voetzool komt met kracht in het gezicht van [benadeelde partij 5] terecht. [benadeelde partij 5] zit dan met zijn billen op straat. [medeverdachte 1] schopt dan met zijn rechtervoet in de richting van het hoofd van [benadeelde partij 5] , waarna [benadeelde partij 5] deels omvalt. Dan maakt [verdachte] met zijn rechtervoet een schoppende beweging in de richting van het hoofd van [benadeelde partij 5] . [benadeelde partij 5] valt dan direct naar achteren. Vervolgens staat [benadeelde partij 5] voorovergebogen op zijn benen. NN1 en [verdachte] schoppen dan allebei met hun rechterbeen- en voet in de richting van het hoofd van [benadeelde partij 5] . Hierna rennen [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 4] en [slachtoffer 4] om 02:55:22 uur weg in de richting van de Lange Niezel. [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en NN1 rennen achter hen aan.



Uit de getuigenverklaring van [benadeelde partij 4] blijkt dat [slachtoffer 4] en hij zagen dat [benadeelde partij 5] door een groep van een aantal personen mishandeld werd toen zij de Warmoesstraat in kwamen lopen. [benadeelde partij 4] zag dat [benadeelde partij 5] meerdere vuistslagen in het gezicht kreeg door drie of vier personen. Toen [slachtoffer 4] en hij tussen [benadeelde partij 5] en de groep in probeerden te komen, keerde de groep zich ook tegen hen. [benadeelde partij 4] kreeg vervolgens twee vuistslagen op zijn hoofd. Daarna zag hij dat [benadeelde partij 5] door de klappen van de groep op de grond viel, waarna [benadeelde partij 5] vier trappen tegen het hoofd en het lichaam kreeg terwijl hij op de grond lag.



Terwijl [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 4] , [slachtoffer 4] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] rennen, valt [benadeelde partij 3] op de grond. [benadeelde partij 2] stopt met lopen. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] komen aanrennen. [medeverdachte 1] staat dan achter [benadeelde partij 2] , maakt met zijn rechterhand een zwaaibeweging naar achteren en raakt [benadeelde partij 2] op zijn slaap. [benadeelde partij 2] valt daardoor direct op de grond. [benadeelde partij 2] wordt vervolgens door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] vastgepakt en [medeverdachte 1] maakt weer twee keer een slaande beweging richting zijn hoofd. Ook [medeverdachte 2] maakt een slaande beweging richting het hoofd van [benadeelde partij 2] . [benadeelde partij 2] valt direct hierna weer op de grond. Terwijl hij op de grond ligt, maakt [medeverdachte 2] met zijn rechterbeen een trappende beweging richting het hoofd van [benadeelde partij 2] , die daarop de benen van [medeverdachte 2] vastpakt. [medeverdachte 2] slaat [benadeelde partij 2] dan op zijn lichaam. Wanneer [benadeelde partij 2] probeert op te staan, houden [medeverdachte 2] en [verdachte] hem op de grond. [verdachte] schopt vervolgens met kracht tegen het hoofd van [benadeelde partij 2] , waardoor zijn lichaam naar links beweegt. [verdachte] schopt nog een tweede keer tegen het hoofd van [benadeelde partij 2] , waarop [benadeelde partij 2] in elkaar zakt en op zijn buik stil blijft liggen op de grond. Terwijl een onbekend gebleven persoon [verdachte] en [medeverdachte 2] van [benadeelde partij 2] af probeert te houden, blijven [verdachte] en [medeverdachte 2] proberen om dichter bij [benadeelde partij 2] te komen. Nadat [medeverdachte 2] zijn schoen, die door het vastpakken door [benadeelde partij 2] los was gekomen, weer aan heeft gekregen, loopt hij weg. Wanneer [benadeelde partij 2] weer is gaan zitten, trapt [verdachte] met kracht een derde keer in het gezicht van [benadeelde partij 2] . Vervolgens trapt [verdachte] een vierde keer tegen zijn hoofd, waardoor de nek van [benadeelde partij 2] dubbel klapt. Hierna loopt [verdachte] weg.



Om 02:57:03 uur rent [benadeelde partij 3] de Korte Niezel in, gevolgd door [medeverdachte 1] en daarna [benadeelde partij 1] . [medeverdachte 1] pakt dan [benadeelde partij 3] vast en maakt een slaande beweging in zijn richting. Met een gebalde vuist maakt [medeverdachte 1] weer een zwaaiende beweging in de richting van [benadeelde partij 3] . Dan pakt [medeverdachte 1] [benadeelde partij 1] vast en maakt een slaande beweging richting zijn gezicht. Hij raakt hem daarbij met zijn rechtervuist. Om 02:59:28 uur komen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] om [benadeelde partij 1] heen staan en sluiten hem in. [medeverdachte 3] maakt met zijn rechterarm een slaande beweging richting het hoofd van [benadeelde partij 1] en raakt hem. Dan maakt [medeverdachte 3] met zijn rechterbeen een schoppende beweging tegen het scheenbeen van [benadeelde partij 1] . [verdachte] staat er ook bij en maakt ook een slaande beweging richting het hoofd van [benadeelde partij 1] .



Tussen 03:00 uur en 03:20 uur worden [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] door de politie op verschillende momenten aangehouden op verdenking van verschillende feiten. Omstreeks 04:00 uur worden de aangehouden verdachten naar het politiebureau gebracht. [verdachte] wordt dan gefouilleerd en in een van zijn zakken wordt een Deens paspoort op naam van [slachtoffer 2] gevonden. Ook wordt in een van zijn zakken een telefoon, ingesteld in de Deense taal en met de naam [slachtoffer 2] op WhatsApp gevonden.



Door de spoedeisende hulp van het [ziekenhuis] worden bij [benadeelde partij 5] die nacht een snijwond in zijn rechter wenkbrauw en hematomen rond zijn ogen geconstateerd. Verder is er een verdenking van een schouderluxatie.



In de overwegingen hieronder zal de rechtbank deze feiten en omstandigheden per feit beoordelen en kwalificeren.




4.4.2

Ten aanzien van de openlijke geweldpleging (feit 1)



De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en overweegt daartoe als volgt.



Uit de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat sprake is van het in vereniging plegen van geweldshandelingen tegen [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 4] . Verdachte en zijn medeverdachten maakten onderdeel uit van een groep van vijf personen en hebben allemaal geweld gepleegd tegen de aangevers of het anderen mogelijk gemaakt dat zij geweld konden plegen. Verdachte heeft een bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan het in groepsverband gepleegde geweld door [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 1] meerdere keren te slaan en/of te schoppen. De verschillende geweldshandelingen hebben zich in tijd en plaats vrijwel aaneengesloten voorgedaan. Dit geweld vond plaats op de openbare weg, te weten de Warmoesstraat , de Oudezijds Voorburgwal en de Oudezijds Achterburgwal, midden in het centrum van Amsterdam. Daarmee is sprake van openlijke geweldpleging.



Verdachte zal partieel worden vrijgesproken van het bestanddeel “zwaar lichamelijke letsel als gevolg”, nu op basis van het dossier niet is komen vast te staan dat daarvan bij één van de aangevers sprake was.




4.4.3

Ten aanzien van de diefstal/afpersing van [slachtoffer 2] (feiten 2 en 3)



De rechtbank acht ook bewezen dat [slachtoffer 2] door geweld en bedreiging met geweld is bewogen tot het afgeven van zijn paspoort en telefoon. [verdachte] heeft aan deze afpersing een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd door samen met [medeverdachte 3] en NN1 [slachtoffer 2] te omsingelen, waardoor hij niet weg kon. Bovendien blijkt zijn betrokkenheid aan de afpersing door het op enig moment in bezit hebben van de goederen.



Door [slachtoffer 2] te omsingelen en hem de woorden ‘maak je zakken leeg’ en ‘cash cash’ te voegen, hebben de verdachten [slachtoffer 2] bedreigd met geweld waardoor hij tot afgifte van de goederen is gedwongen. Daarnaast is sprake van geweld, nu [slachtoffer 3] door [medeverdachte 1] op afstand is gehouden en tweemaal door [medeverdachte 1] tegen de borst is geduwd.



Omdat er geen sprake is geweest van een wegnemingshandeling, zal verdachte worden vrijgesproken van de diefstal van deze goederen, zoals ten laste gelegd onder feit 2.




4.4.4

Ten aanzien van het geweld tegen [benadeelde partij 5] (feit 4)



Op basis van de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden komt de rechtbank ook tot een bewezenverklaring van de onder feit 4 meer subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij 5] .



Vaststaat dat [benadeelde partij 5] omsingeld werd door [medeverdachte 1] , [verdachte] en NN1 en dat hij met geschoeide voet en met kracht vier keer tegen het hoofd is geschopt door deze drie mannen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om vast te stellen dat (één van) de verdachte(n) vol opzet had(den) op de dood van [benadeelde partij 5] . Daarnaast zijn er onvoldoende aanwijzingen waaruit blijkt dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat [benadeelde partij 5] door dit geweld zou komen te overlijden, zodat de rechtbank ook geen voorwaardelijk opzet op de dood kan vaststellen. Om die reden komt de rechtbank tot een vrijspraak van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.



Het door [benadeelde partij 5] opgelopen letsel kwalificeert naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling van [benadeelde partij 5] .



De rechtbank stelt wel vast dat verdachte en zijn medeverdachten voorwaardelijk opzet hadden op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde partij 5] . Door met geschoeide voet en met kracht meermaals tegen het hoofd, een kwetsbaar lichaamsdeel, te schoppen terwijl iemand op de grond zit, bestaat er een aanmerkelijke kans dat diegene zwaar lichamelijk letsel oploopt. Door zo te handelen hebben verdachte en zijn medeverdachten bewust deze aanmerkelijke kans aanvaard. Er is sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie mannen, aangezien zij alle drie beurtelings één of meerdere trappen tegen het hoofd van [benadeelde partij 5] hebben gegeven. Door een bijdrage te leveren aan dit geweld had verdachte dan ook niet alleen opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, maar ook op de samenwerking hierin met de medeverdachten.




4.4.5

Ten aanzien van het geweld tegen [benadeelde partij 2] (feit 5)



De rechtbank acht ook bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 2] zich samen schuldig hebben gemaakt aan een poging tot doodslag op [benadeelde partij 2] . Uit de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat [medeverdachte 2] [benadeelde partij 2] één keer en [verdachte] hem vier keer tegen het hoofd heeft getrapt. [medeverdachte 2] slaat [benadeelde partij 2] ook op het lichaam. Dit alles gebeurde terwijl [benadeelde partij 2] op de grond zat of met zijn hoofd op de stenen ondergrond lag. Dat deze trappen met veel kracht zijn gegeven, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het feit dat op de beelden te zien is dat de nek van [benadeelde partij 2] dubbel klapte en dat hij enige tijd stil (en dus vermoedelijk bewusteloos) op de grond heeft gelegen als gevolg van één van de trappen.



Door met zoveel kracht met een geschoeide voet meerdere keren tegen het hoofd te trappen, was de kans aanmerkelijk dat de schedel van het slachtoffer zou breken en/of hij ernstige schade aan zijn hersenen zou oplopen, waardoor hij had kunnen komen te overlijden. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachten naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het teweeg brengen van dat gevolg dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat de verdachten de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust hebben aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Sterker nog, zelfs nadat was ingegrepen door een omstander die over het slachtoffer heen was gaan staan, probeerden verdachten het slachtoffer nog te bereiken.



Er is ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] tijdens dit geweld. Door allebei meerdere geweldshandelingen uit te voeren hebben zij allebei een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan dit geweld geleverd.




4.4.6

Ten aanzien van de vernieling van de woning van [slachtoffer 1] (feit 6)



Ten slotte komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de vernieling van de woning van [slachtoffer 1] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat alle vijf de verdachten, [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en NN1 gedurende tien minuten in het pand aan de Warmoesstraat [huisnummer] zijn geweest. In ieder geval drie van hen zijn in dat tijdsbestek in de woning op [huisnummer] gezien door de getuigen. Voordat zij de woning in gingen was de woning in goede staat. Direct nadat zij de woning hebben verlaten zijn door de politie en de eigenaar van de woning allerlei vernielingen in de woning geconstateerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan ook niet anders zijn dan dat de vijf verdachten samen deze vernielingen hebben gepleegd.



Gelet op het feit dat uit de camerabeelden blijkt dat verdachte tien minuten in het pand is geweest, acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij slechts een paar minuten binnen stond en naar het plafond heeft gekeken volstrekt onaannemelijk. De rechtbank schuift deze dan ook terzijde.







5Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:




Feit 1:

op 25 maart 2026 te Amsterdam op de Warmoesstraat , Oudezijds Voorburgwal en de Oudezijds Achterburgwal, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 1] , en [benadeelde partij 4] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het (met kracht) slaan en stompen en schoppen en trappen tegen het hoofd en het lichaam van die [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 1] , en [benadeelde partij 4] ;


Feit 3

op 25 maart 2026 te Amsterdam tezamen in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een iPhone 13 en een Deens paspoort, die geheel aan die [slachtoffer 2] toebehoorden, door:

- die [slachtoffer 2] te omsingelen en
- door tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: "cash, cash" en "maak je zakken leeg" en
- die [slachtoffer 2] te sommeren verderop te gaan staan en
- de vriend van die [slachtoffer 2] tegen de borst te duwen en
- door de vriend van [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 3] ) weg te duwen;



Feit 4 meer subsidiair:

op 25 maart 2026 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde partij 5] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- meerdere malen tegen het hoofd en tegen het lichaam heeft getrapt en geschopt en
- één maal tegen het hoofd heeft geslagen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;



Feit 5 primair:

op 25 maart 2026 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [benadeelde partij 2] van het leven te beroven,

- meerdere malen tegen het hoofd en tegen het lichaam heeft getrapt en geschopt en
- meerdere malen tegen het hoofd heeft geslagen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


Feit 6:

op 25 maart 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk, in een woning aan de Warmoesstraat [huisnummer] , de deurpost en de badkamer en de televisie en het koffiezetapparaat en de vloer, die aan [slachtoffer 1] , toebehoorden heeft vernield en beschadigd en onbruikbaar gemaakt.





6De strafbaarheid van de feiten


6.1

Het standpunt van de verdediging



De verdediging heeft zich ter zitting namens verdachte op noodweer beroepen ten aanzien van het geweld tegen [benadeelde partij 5] (feit 4 meer subsidiair). De camera’s van het stadstoezicht zouden pas begonnen zijn te filmen op het moment dat [verdachte] geweld toepast op [benadeelde partij 5] , terwijl hij daarvoor de eerste klap van [benadeelde partij 5] heeft gehad. Dit wordt ondersteund door het feit dat bij [verdachte] letsel aan zijn lip is gezien. Ook is op de beelden te zien dat [verdachte] op enig moment naar zijn lip grijpt en deze afveegt. Er is dan ook sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen [verdachte] zich mocht verdedigen.




6.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie



De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van [benadeelde partij 5] jegens [verdachte] . Zelfs als dit wel het geval was, dan voldeed de reactie van [verdachte] niet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.




6.3

Het oordeel van de rechtbank



De rechtbank is van oordeel dat de verdediging niet heeft voldaan aan de haar toekomende lichte stelplicht om het bestaan van een noodweersituatie aannemelijk te maken. Hoewel door de verdediging is betoogd dat het dossier steunbewijs bevat voor het bestaan van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, volgt dit niet uit het dossier. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier volgt dat verdachte die hele avond een recalcitrante en agressieve houding had tegenover willekeurige mensen, terwijl volgens de politie – die alle camerabeelden heeft bekeken en beschreven – er vanuit de slachtoffers geen enkele agressieve handeling uitgaat richting de verdachte en zijn mededaders. Dit maakt dat de rechtbank een noodweersituatie niet aannemelijk vindt. Het verweer slaagt niet.



De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.






7De strafbaarheid van verdachte


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.





8Motivering van de straffen


8.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie



De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 3, 4 meer subsidiair, 5 primair en 6 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden met aftrek, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daaraan moeten ook de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd.




8.2

Het standpunt van de verdediging



De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het adolescentenstrafrecht (hierna: ASR) zou moeten worden toegepast, ondanks het negatieve advies daartoe van de reclassering. Verdachte functioneert namelijk nog niet zelfstandig en zijn ouders regelen vrijwel alles voor hem. Uit het advies blijkt dat hij beïnvloedbaar is. Dat geldt niet alleen voor foute vrienden maar ook voor zijn ouders. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om niet een deels voorwaardelijke straf op te leggen maar een geheel onvoorwaardelijke straf, zodat in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: V.I.) een plan kan worden gemaakt voor de resocialisatie van verdachte.




8.3

Het oordeel van de rechtbank



De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.



De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.




Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders binnen één nacht schuldig gemaakt aan meerdere feiten, waaronder openlijk geweld, een poging tot zware mishandeling, een poging tot doodslag, een afpersing en een vernieling. Samen hebben zij in het centrum van Amsterdam een spoor van geweld en vernieling achtergelaten en zeven slachtoffers gemaakt. De slachtoffers hebben in verschillende mate letsel opgelopen. Van één slachtoffer is in zijn woning een ravage achtergelaten door de vernielingen die de daders daar hebben gepleegd. De ernst van deze feiten rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank houdt er in het nadeel van verdachte rekening mee dat hij ten aanzien van de poging tot doodslag van [benadeelde partij 2] ten opzichte van zijn mededaders het grootste aandeel heeft geleverd en flink los is gegaan die avond.




Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 26 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.



Verder heeft de rechtbank kennis genomen van een reclasseringsadvies van 19 juni 2026 betreffende verdachte, opgesteld door [reclasseringsmedewerker] . Hieruit blijkt – kort samengevat – het volgende. De reclassering ziet het psychosociaal functioneren, de houding van verdachte, zijn middelengebruik en zijn sociale netwerk als de voornaamste risicofactoren. Verdachte heeft de feiten onder invloed van alcohol en cocaïne gepleegd. Naar eigen zeggen speelde bewijsdrang richting de medeverdachten een rol bij de totstandkoming van zijn delictgedrag. De reclassering denkt dat verdachte mogelijk beperkt inzicht in zijn problemen heeft en dat hij zijn handelen lijkt te bagatelliseren. Verdachte heeft geen dagbesteding, geen vast inkomen en woont bij zijn ouders. Hij zegt open te staan voor behandeling gericht op gedragsverandering en dit wordt door de reclassering als positief gezien. De reclassering heeft zorgen over het risico op recidive en acht verdiepingsdiagnostiek, behandeling en toezicht nodig ter voorkoming hiervan. De reclassering adviseert daarom tot oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod met de slachtoffers en medeverdachten.



Gelet op de bevindingen van de reclassering acht de rechtbank het noodzakelijk dat aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd met daarbij de geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank zal voorbijgaan aan het verzoek van de verdediging om een geheel onvoorwaardelijke straf op te leggen. Gelet op de (hierna te noemen) duur van de gevangenisstraf die aan verdachte wordt opgelegd, is V.I. namelijk niet aan de orde.




Adolescentenstrafrecht

De reclassering adviseert tot toepassing van het volwassenenstrafrecht. Verdachte maakt een leeftijdsadequate indruk en er zijn geen aanwijzingen voor een licht verstandelijke beperking. Hoewel verdachte erg afhankelijk lijkt te zijn van zijn ouders, blijkt hij niet ontvankelijk te zijn voor ondersteuning van hen. Hij lijkt zich weinig aan te trekken van bemoeienissen van zijn familie. Om deze redenen zie de reclassering geen noodzaak of mogelijkheden in gezinsgerichte hulpverlening of maatregelen of interventies vanuit het jeugdstrafrecht.



Gelet op dit advies zal de rechtbank het volwassenenstrafrecht toepassen. De enkele omstandigheid dat verdachte, zoals door de verdediging is betoogd, beïnvloedbaar zou zijn, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat toepassing van het jeugdstrafrecht in dit geval geïndiceerd is.




Strafoplegging

Alles afwegende, komt de rechtbank tot de volgende straf. Aan verdachte wordt een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek, waarvan 4 maanden voorwaardelijk opgelegd. Daarbij wordt ook een proeftijd van twee jaren opgelegd en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.






9Beslag


Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

- een telefoon Apple (goednummer: 6791428);
- een telefoon Apple (goednummer: 6791429).


De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om alle goederen aan verdachte terug te geven. De verdediging heeft zich daarbij aangesloten.



De rechtbank beslist tot teruggave van de goederen aan de verdachte, nu geen relatie tussen de inbeslaggenomen goederen en de strafbare feiten kan worden vastgesteld.





10De vorderingen van de benadeelde partijen


10.1

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 5]




De vordering

De benadeelde partij [benadeelde partij 5] vordert € 3.792,83 aan vergoeding van materiële schade en € 3.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.



De materiële schade bestaat uit de volgende posten:



€ 1.620,- aan gederfde inkomsten gedurende zes weken;


€ 950,- aan ziekenhuiskosten;


€ 1.007,83 aan ambulancekosten;


€ 215,- wegens een vernielde Ralph Lauren trui.




In de vordering is beschreven dat de ziekenhuis- en ambulancekosten reeds vergoed zouden zijn.



De benadeelde partij stelt vergoeding van immateriële schade te vorderen wegens psychisch letsel.




Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft de rechtbank ten aanzien van de materiële schade verzocht om de posten ziekenhuis- en ambulancekosten toe te wijzen en de kosten voor de kleding te schatten op € 100,-. De post gederfde inkomsten dient te worden afgewezen. Ten aanzien van de immateriële schade dient de vordering volledig te worden toegewezen.




Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen voor zover het ziet op de reeds vergoede posten. De overige materiële schadeposten zijn onvoldoende onderbouwd en moeten daarom worden afgewezen of de benadeelde partij moet daarin niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Ten aanzien van de immateriële schade moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering op dit punt te matigen tot maximaal € 500,- gelet op het geleden letsel.




Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 100,-, bestaande uit de kosten voor de kleding en door de rechtbank geschat. De posten ziekenhuis- en ambulancekosten zullen worden afgewezen omdat uit de vordering blijkt dat deze kosten al vergoed zijn. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering ten aanzien van de gederfde inkomsten, omdat de vordering op dit punt niet is onderbouwd. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijk rechter aanbrengen.



De vordering tot vergoeding van de immateriële schade wordt volledig toegewezen.



Zowel de toegewezen materiële als immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2026 tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen en waardeert deze op een bedrag van € 3.100,-.



Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.




10.2

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 4]




De vordering

De benadeelde partij [benadeelde partij 4] vordert € 797,50 aan vergoeding van materiële schade en € 4.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.



De materiële schade bestaat uit gederfde inkomsten gedurende vijf dagen. De benadeelde partij stelt vergoeding van immateriële schade te vorderen wegens lichamelijk en psychisch letsel.




Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de materiële schade af te wijzen. De vordering van de immateriële schade dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 250,-. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.




Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering nu deze zowel voor wat betreft het materiële als het immateriële deel niet is onderbouwd.




Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor zover deze ziet op de materiële schade, aangezien de vordering op dit punt niet is onderbouwd. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.



Ten aanzien van de immateriële schade wijst de rechtbank de vordering toe tot een bedrag van € 500,-. De rechtbank acht dit bedrag redelijk en billijk gelet op de aard en omvang van het door de benadeelde partij geleden lichamelijke letsel en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.



De toegewezen immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2026 tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen en waardeert deze op een bedrag van € 500,-.



Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.




10.3

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1]




De vordering

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 478,10 aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.



De materiële schade bestaat uit kosten voor het eigen risico van de zorgverzekering, parkeerkosten (zowel door de benadeelde partij zelf gemaakt als verplaatste schade) en reiskosten. De benadeelde partij stelt vergoeding van immateriële schade te vorderen wegens lichamelijk letsel.




Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering nu de kosten voor het eigen risico nog niet zijn gemaakt en deze daarom niet voor toewijzing vatbaar zijn. De overige posten kunnen wel worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade dient de vordering geheel te worden toegewezen.




Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van de materiële schade aangezien het onzeker is of het volledige eigen risico verbruikt zal worden. De vergoeding van de immateriële schade dient te worden gematigd tot maximaal € 500,- gelet op het geleden letsel.




Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 422,30, bestaande uit de kosten voor het eigen risico, de parkeerkosten (zijnde verplaatste schade) ter hoogte van € 22,50 en € 14,80 aan reiskosten. Hoewel de kosten voor het eigen risico nog niet in rekening zijn gebracht, gaat het naar het oordeel van de rechtbank niet om toekomstige schade omdat het ziekenhuisbezoek waarvoor de kosten door de zorgverzekeraar in rekening zullen worden gebracht direct na het feit heeft plaatsgevonden.



De posten parkeerkosten (niet zijnde verplaatste schade) en € 16,90 aan reiskosten worden afgewezen. Deze kosten zijn gemaakt voor het doen van aangifte en zijn daarom niet voor toewijzing vatbaar.



De rechtbank stelt de vergoeding van de immateriële schade vast op een bedrag van € 1.000,-. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op grond van de aard en omvang van het door de benadeelde partij geleden lichamelijk letsel en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank dit bedrag redelijk en billijk.



De toegewezen materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2026 tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen en waardeert deze op een bedrag van € 1.422,30.



Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.




10.4

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 3]




De vordering

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 619,27 aan vergoeding van materiële schade en € 2.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.



De materiële schade bestaat uit kosten voor het eigen risico van de zorgverzekering, reparatie van een smartwatch en parkeer- en reiskosten. De benadeelde partij stelt vergoeding van immateriële schade te vorderen wegens lichamelijk letsel.




Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering nu de kosten voor het eigen risico nog niet zijn gemaakt en deze daarom niet voor toewijzing vatbaar zijn. De overige posten kunnen wel worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade dient de vordering geheel te worden toegewezen.




Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van de materiële schade aangezien het onzeker is of het volledige eigen risico verbruikt zal worden. Slechts van € 54,07 staat vast dat de benadeelde partij dit heeft moeten betalen. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de reparatiekosten van de smartwatch en de parkeerkosten. Ten aanzien van de immateriële schade moet de vergoeding worden gematigd tot een bedrag van maximaal € 500,- gelet op het geleden letsel.




Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de materiële schade geheel toewijzen. Hoewel de kosten voor het eigen risico nog niet in rekening zijn gebracht, gaat het naar het oordeel van de rechtbank niet om toekomstige schade omdat de ziekenhuisbezoeken waarvoor de kosten door de zorgverzekeraar in rekening zullen worden gebracht direct na het feit hebben plaatsgevonden. De rechtbank acht het aannemelijk dat het gehele eigen risico door deze bezoeken zal worden verbruikt. Ook de kosten voor het repareren van de smartwatch worden toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij voldoende onderbouwd dat hij deze schade daadwerkelijk heeft geleden.



De rechtbank zal ook de vordering tot vergoeding van de immateriële schade geheel toewijzen. Gelet op het door de benadeelde partij geleden letsel en de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, komt de rechtbank deze vordering niet onevenredig voor.



De toegewezen materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2026 tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen en waardeert deze op een bedrag van € 2.619,27.



Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.




10.5

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2]




De vordering

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 611,41 aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.



De materiële schade bestaat uit kosten voor een ongebruikt sportschoolabonnement, kapotte kleding en een beschadigde telefoon. De benadeelde partij stelt vergoeding van immateriële schade te vorderen wegens lichamelijk letsel.




Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële en immateriële schade geheel kan worden toegewezen.




Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de materiële schade heeft de verdediging betoogd dat niet is onderbouwd dat de benadeelde partij daadwerkelijk geen enkel gebruik kon maken van het sportschoolabonnement. Verder lijkt de broek slechts vervuild te zijn en niet beschadigd. De gestelde schade aan de jas en schoenen past bij normale slijtage. Voor wat betreft de telefoon ontbreekt iedere concrete onderbouwing dat deze daadwerkelijk beschadigd is geraakt en dat vervanging noodzakelijk was. De benadeelde partij dient dan ook op deze punten niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging verzocht de vergoeding te matigen tot maximaal € 500,- gelet op het geleden letsel.




Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 560,96, bestaande uit de kosten voor de kleding en de telefoon. Gelet op de door de benadeelde partij aangeleverde foto’s van de kapotte kleding, is de rechtbank van oordeel dat die schade niet valt onder gebruikelijke slijtage van kleding door normaal gebruik. De rechtbank acht het ook aannemelijk dat de telefoon is beschadigd door het bewezenverklaarde feit. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering nu onvoldoende is onderbouwd in hoeverre het sportschoolabonnement daadwerkelijk niet kon worden gebruikt.



De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt geheel toegewezen.



De toegewezen materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2026 tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen en waardeert deze op een bedrag van € 2.060,96.



Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.




Hoofdelijkheid

De betalingsverplichtingen ten aanzien van [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] worden hoofdelijk opgelegd aan verdachte en zijn mededaders, omdat verdachte de bewezenverklaarde feiten samen met hen heeft gepleegd. Verdachte en zijn mededaders zijn ieder afzonderlijk verplicht om de toegewezen bedragen aan de benadeelde partijen te betalen, behalve voor zover een van de anderen al heeft betaald.






11Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 141, 287, 317, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.





12Beslissing


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



Verklaart het onder 2 en 4 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.



Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.



Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.



Het bewezen verklaarde levert op:




Ten aanzien van feit 1:


openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;





Ten aanzien van feit 3:


medeplegen van afpersing;





Ten aanzien van feit 4 meer subsidiair:


medeplegen van poging tot zware mishandeling;





Ten aanzien van feit 5 primair:


medeplegen van poging tot doodslag;





Ten aanzien van feit 6:


medeplegen van vernieling.




Verklaart het bewezene strafbaar.



Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.



Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.



Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.



Bepaalt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.



Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.



De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.



De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.




Stelt als bijzondere voorwaarden:


- Meldplicht bij reclassering
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] ;

- Ambulante behandeling
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start na ingaan van de proeftijd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing;

- Contactverbod
Dat veroordeelde op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: medeverdachten [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag 2] -2004, [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedag 3] -2006 en [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag 4] -2004.


Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.



Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:



ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;


medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.




Gelast de teruggave aan [verdachte] van:


- een telefoon Apple (goednummer: 6791428);
- een telefoon Apple (goednummer: 6791429).



Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] toe tot een bedrag van € 100,- (zegge: honderd euro) aan vergoeding van materiële schade en € 3.000,- (zegge: drieduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.



Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 5] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.



Bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de post gederfde inkomsten niet-ontvankelijk in zijn vordering is.



Wijst de vordering voor zover het ziet op de ambulance- en ziekenhuiskosten af.



Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.



Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 5] , aan de Staat € 3.100,- (zegge: drieduizendhonderd euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 31 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.



Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.




Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] toe tot een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.



Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 4] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.



Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.



Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.



Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 4] aan de Staat € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.



Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.




Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 422,30 (zegge: vierhonderdtweeëntwintig euro en dertig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 1.000,- (zegge: duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.



Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.



Wijst de vordering voor het overige af.



Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.



Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 1.422,30 (zegge: veertienhonderdtweeëntwintig euro en dertig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 14 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.



Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.




Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] toe tot een bedrag van € 619,27 (zegge: zeshonderdnegentien euro en zevenentwintig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.



Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.



Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.



Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat € 2.619,27 (zegge: zesentwintighonderdnegentien euro en zevenentwintig cent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover op 25 maart 2026 vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 26 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.



Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.




Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 560,96 (zegge: vijfhonderdzestig euro en zesennegentig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,- (zegge: vijftiendhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.



Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.



Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.



Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.



Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 2.060,96 (zegge: tweeduizendzestig euro en zesennegentig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.



Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

















Dit vonnis is gewezen door
mr. E. Biçer, voorzitter,
mr. H.E. Hoogendijk en mr. I. Timmermans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2026.






[…]










[…]






[…]

[…]






[…]

[…]






[…] […]





[…]


[…]





[…]