Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7373
2026-03-31
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/13/785001 / KG ZA 26-202 EAM/EV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort Geding. Uitwerking kopstaartvonnis. Vordering tot opheffing beslag afgewezen. Een depot op de derdengeldenrekening van de eigen advocaat geldt niet als voldoende zekerheid als de andere partij daarmee niet heeft ingestemd.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.587 tekens)
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/785001 / KG ZA 26-202 EAM/EV
Vonnis in kort geding van 31 maart 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats],
eisende partij bij dagvaarding van 20 maart 2026,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M. Heikens,
tegen
THE JOHNSTOWN COMPANY B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: The Johnstown,
verschenen bij haar bestuurder mr. L.C.L. Bults.
1De procedure
Op de mondelinge behandeling van 26 maart 2026 is namens [eiser] verschenen mr. Heikens. The Johnstown is verschenen bij haar bestuurder mr. Bults. [eiser] heeft de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. The Johnstown heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties ingediend. In verband met de spoedeisendheid van het gevorderde is de vonnisdatum bepaald op 31 maart 2026 in de vorm van een ‘kopstaartvonnis’. Het onderstaande bevat hiervan de uitwerking die op 14 april 2026 aan partijen is afgegeven.
2De feiten
2.1.
Tussen The Johnstown en [eiser] heeft een advocaat-cliëntrelatie bestaan. The Johnstown heeft [eiser] op basis van een overeenkomst van opdracht bijgestaan in verschillende procedures en geschillen. The Johnstown meent in dit verband openstaande declaraties op [eiser] te hebben ten bedrage van een hoofdsom van € 27.255,56.
2.2.
Bij beschikking van 3 februari 2026 van deze rechtbank is aan The Johnstown verlof verleend voor het door haar voorgenomen beslag, met begroting van de vordering inclusief rente, buitengerechtelijke incassokosten, beslagkosten en proceskosten op € 35.400,00. Op 10 februari 2026 heeft The Johnstown conservatoir beslag gelegd op het onverdeeld aandeel van [eiser] in het registergoed aan de [adres]
. Zij heeft tevens een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank.
2.3.
Het pand aan de [adres] is verkocht en de levering staat gepland op 31 maart 2026.
3Het geschil
3.1.
Samengevat vordert [eiser]:
primair
I. The Johnstown te bevelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de opheffing en doorhaling van het conservatoire beslag op het registergoed aan de [adres];
II. te bepalen dat, indien The Johnstown niet binnen voornoemde termijn aan het onder I gevorderde voldoet, dit vonnis in de plaats treedt van de voor opheffing en/of doorhaling vereiste wilsverklaring van The Johnstown, zodat [eiser] met dit vonnis zelfstandig de opheffing en doorhaling kan bewerkstelligen;
subsidiair
III. The Johnstown te bevelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de opheffing en doorhaling van het beslag, onder de voorwaarde dat door of namens [eiser] gelijktijdig een bedrag van € 29,859,70 wordt gestort op de derdengeldrekening van zijn advocaat, welk bedrag geblokkeerd zal blijven totdat:
a. een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk vonnis in de bodemzaak anders bepaalt, of
b. partijen gezamenlijk schriftelijk anders instrueren;
IV. te bepalen dat, indien The Johnstown niet binnen 24 uur na de in III bedoelde storting haar medewerking verleent aan de opheffing en doorhaling van het beslag, dit vonnis in de plaats treedt van de daarvoor vereiste wilsverklaring van The Johnstown;
primair, subsidiair en meer subsidiair
V. The Johnstown te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 voor ieder dag(deel) dat zij in strijd handelt met dit vonnis, met een maximum van € 100.000,00;
VI. The Johnstown te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. De verhaalspositie van The Johnstown is voldoende beschermd tot het moment waarop duidelijkheid bestaat over de gepretendeerde vordering. [eiser] heeft op 20 februari 2026 voorgesteld om een bedrag van € 35.432,23 op de derdengeldenrekening van een notaris te storten, onder de voorwaarden dat: a) het bedrag uitsluitend wordt uitgekeerd op basis van een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk vonnis of een gezamenlijke schriftelijke instructie van partijen en b) The Johnstown gelijktijdig zorgdraagt voor opheffing van het beslag. Op 13 maart 2026 heeft [eiser] dit nader geconcretiseerd waarbij hij voorstelt om € 29.859,70, het bedrag dat door The Johnstown zelf is genoemd, op de derdengeldenrekening van zijn advocaat, mr. Heikens, te storten. The Johnstown ging daarmee niet akkoord omdat dit haar in een minder gunstige verhaalspositie zou brengen dan handhaving van het beslag en omdat zij het bedrag van € 29.859,70 slechts genoemd zou hebben indien dit zou worden voldaan op de rekening van The Johnstown zelf. Dat wil [eiser] echter niet, omdat hij de hoogte van de declaratievordering betwist en de verschuldigdheid daarvan eerst in de bodemprocedure moet worden vastgesteld. Dat The Johnstown eerder heeft gezegd dat zij door het uitblijven van de betaling in liquiditeitsnood verkeert en een “éénpitter” is, maakt niet dat zij onmiddellijke betaling aan haarzelf kan verlangen. [eiser] heeft concrete vervangende zekerheid geboden in de vorm van een afgescheiden depot op de derdengeldenrekening van zijn advocaat, met duidelijke voorwaarden omtrent uitkering. Ook de derdengeldenrekening van een advocaat biedt voldoende zekerheid. Het beslag moet worden opgeheven zodat de verkoop van het pand kan doorgaan. Zonder opheffing van het beslag wordt de levering onmogelijk gemaakt en dreigt voor [eiser] substantiële en onmiddellijke schade.
3.3.
The Johnstown voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De zaak is na de mondelinge behandeling een aantal dagen aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen om overeenstemming te bereiken. Partijen zouden de voorzieningenrechter vóór de geplande levering van het pand aan de [adres] laten weten of zij het kort geding willen doorhalen of dat zij vonnis vragen. Aangezien partijen er onderling niet zijn uitgekomen en [eiser] vonnis heeft gevraagd, zal er vonnis worden gewezen. Van de na de zitting ingediende stukken kan geen kennis worden genomen.
4.2.
[eiser] vordert opheffing van het beslag. Een conservatoir beslag dat is gelegd voor een geldvordering kan op grond van artikel 705 lid 2 Rv onder meer worden opgeheven indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. De vraag die voorligt is of de storting op de derdengeldenrekening van de advocaat van [eiser] als voldoende zekerheid kan worden beschouwd.
4.3.
The Johnstown heeft aangevoerd dat slechts van voldoende zekerheid kan worden gesproken indien het bedrag in depot wordt geplaatst bij een notaris of via een bankgarantie. Storting op de derdengeldenrekening van een advocaat is volgens haar niet voldoende. Bij een notaris wordt immers een depotovereenkomst opgesteld waarin duidelijke afspraken worden opgenomen. In het geval van storting bij een advocaat kan diens cliënt zich altijd nog terugtrekken en blijft het feitelijk bij een verklaring van [eiser] dat het geld er is, waarop The Johnstown dan maar moet vertrouwen, aldus The Johnstown. Zij blijft in de voorgestelde constructie afhankelijk van [eiser], en dat is nu juist wat een beslag of notarisdepot voorkomt. Aan opheffing van het beslag zijn volgens The Johnstown drie voorwaarden verbonden: 1) in depot plaatsing van het volledige bedrag van € 35.432,23 in plaats van de door [eiser] toegezegde € 29.859,70, 2) dat depot gesteld moet worden door storting op de derdengeldenrekening van een notaris en 3) uitkering van het bedrag bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in de bodemprocedure.
4.4.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] bevestigd dat hij in principe akkoord is met alle drie de gestelde voorwaarden, maar van de voorzieningenrechter wil horen of storting op de derdengeldenrekening van zijn advocaat voldoende is, nu hij zelf meent dat dat wel het geval is.
4.5.
De voorzieningenrechter oordeelt dat een depot op de derdengeldenrekening van de eigen advocaat niet geldt als voldoende zekerheid als de andere partij daarmee niet heeft ingestemd. Dat is hier het geval omdat naar de mening van The Johnstown, gelet op de constructie (en tot aan de mondelinge behandeling ook de hoogte van het bedrag), kennelijk onvoldoende zekerheid voor de vordering werd geboden. Concluderend kwalificeert het door [eiser] bij zijn advocaat in depot geplaatste bedrag niet als voldoende zekerheid en kan dit niet leiden tot opheffing van het beslag.
4.6.
Een afweging van de belangen maakt dit niet anders. The Johnstown heeft als advocaat werk verricht voor [eiser] en het is aannemelijk dat een “eenpitter” bij het uitblijven van betaling liquiditeitsproblemen ondervindt. Het is voor haar van groot belang dat haar vordering voldaan kan worden bij toewijzing daarvan in de bodemprocedure. Het belang van The Johnstown om haar vordering veilig te stellen weegt dan ook zwaarder dan het belang van [eiser] bij opheffing van het beslag. [eiser] is steeds in de gelegenheid geweest het bedrag op de derdenrekening van een notaris te storten of The Johnstown anderszins voldoende zekerheid te bieden. Doordat [eiser] (slechts) wilde achterhalen of het depot bij zijn advocaat ook voldoende zou zijn, heeft hij de opheffing van het beslag onnodig vertraagd en daarmee zelf de levering van de woning in gevaar gebracht.
4.7.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van The Johnstown worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als hij niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.P.M. Vos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
Type: EV
Coll: MV
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/785001 / KG ZA 26-202 EAM/EV
Vonnis in kort geding van 31 maart 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats],
eisende partij bij dagvaarding van 20 maart 2026,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M. Heikens,
tegen
THE JOHNSTOWN COMPANY B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: The Johnstown,
verschenen bij haar bestuurder mr. L.C.L. Bults.
1De procedure
Op de mondelinge behandeling van 26 maart 2026 is namens [eiser] verschenen mr. Heikens. The Johnstown is verschenen bij haar bestuurder mr. Bults. [eiser] heeft de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. The Johnstown heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties ingediend. In verband met de spoedeisendheid van het gevorderde is de vonnisdatum bepaald op 31 maart 2026 in de vorm van een ‘kopstaartvonnis’. Het onderstaande bevat hiervan de uitwerking die op 14 april 2026 aan partijen is afgegeven.
2De feiten
2.1.
Tussen The Johnstown en [eiser] heeft een advocaat-cliëntrelatie bestaan. The Johnstown heeft [eiser] op basis van een overeenkomst van opdracht bijgestaan in verschillende procedures en geschillen. The Johnstown meent in dit verband openstaande declaraties op [eiser] te hebben ten bedrage van een hoofdsom van € 27.255,56.
2.2.
Bij beschikking van 3 februari 2026 van deze rechtbank is aan The Johnstown verlof verleend voor het door haar voorgenomen beslag, met begroting van de vordering inclusief rente, buitengerechtelijke incassokosten, beslagkosten en proceskosten op € 35.400,00. Op 10 februari 2026 heeft The Johnstown conservatoir beslag gelegd op het onverdeeld aandeel van [eiser] in het registergoed aan de [adres]
. Zij heeft tevens een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank.
2.3.
Het pand aan de [adres] is verkocht en de levering staat gepland op 31 maart 2026.
3Het geschil
3.1.
Samengevat vordert [eiser]:
primair
I. The Johnstown te bevelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de opheffing en doorhaling van het conservatoire beslag op het registergoed aan de [adres];
II. te bepalen dat, indien The Johnstown niet binnen voornoemde termijn aan het onder I gevorderde voldoet, dit vonnis in de plaats treedt van de voor opheffing en/of doorhaling vereiste wilsverklaring van The Johnstown, zodat [eiser] met dit vonnis zelfstandig de opheffing en doorhaling kan bewerkstelligen;
subsidiair
III. The Johnstown te bevelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de opheffing en doorhaling van het beslag, onder de voorwaarde dat door of namens [eiser] gelijktijdig een bedrag van € 29,859,70 wordt gestort op de derdengeldrekening van zijn advocaat, welk bedrag geblokkeerd zal blijven totdat:
a. een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk vonnis in de bodemzaak anders bepaalt, of
b. partijen gezamenlijk schriftelijk anders instrueren;
IV. te bepalen dat, indien The Johnstown niet binnen 24 uur na de in III bedoelde storting haar medewerking verleent aan de opheffing en doorhaling van het beslag, dit vonnis in de plaats treedt van de daarvoor vereiste wilsverklaring van The Johnstown;
primair, subsidiair en meer subsidiair
V. The Johnstown te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 voor ieder dag(deel) dat zij in strijd handelt met dit vonnis, met een maximum van € 100.000,00;
VI. The Johnstown te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. De verhaalspositie van The Johnstown is voldoende beschermd tot het moment waarop duidelijkheid bestaat over de gepretendeerde vordering. [eiser] heeft op 20 februari 2026 voorgesteld om een bedrag van € 35.432,23 op de derdengeldenrekening van een notaris te storten, onder de voorwaarden dat: a) het bedrag uitsluitend wordt uitgekeerd op basis van een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk vonnis of een gezamenlijke schriftelijke instructie van partijen en b) The Johnstown gelijktijdig zorgdraagt voor opheffing van het beslag. Op 13 maart 2026 heeft [eiser] dit nader geconcretiseerd waarbij hij voorstelt om € 29.859,70, het bedrag dat door The Johnstown zelf is genoemd, op de derdengeldenrekening van zijn advocaat, mr. Heikens, te storten. The Johnstown ging daarmee niet akkoord omdat dit haar in een minder gunstige verhaalspositie zou brengen dan handhaving van het beslag en omdat zij het bedrag van € 29.859,70 slechts genoemd zou hebben indien dit zou worden voldaan op de rekening van The Johnstown zelf. Dat wil [eiser] echter niet, omdat hij de hoogte van de declaratievordering betwist en de verschuldigdheid daarvan eerst in de bodemprocedure moet worden vastgesteld. Dat The Johnstown eerder heeft gezegd dat zij door het uitblijven van de betaling in liquiditeitsnood verkeert en een “éénpitter” is, maakt niet dat zij onmiddellijke betaling aan haarzelf kan verlangen. [eiser] heeft concrete vervangende zekerheid geboden in de vorm van een afgescheiden depot op de derdengeldenrekening van zijn advocaat, met duidelijke voorwaarden omtrent uitkering. Ook de derdengeldenrekening van een advocaat biedt voldoende zekerheid. Het beslag moet worden opgeheven zodat de verkoop van het pand kan doorgaan. Zonder opheffing van het beslag wordt de levering onmogelijk gemaakt en dreigt voor [eiser] substantiële en onmiddellijke schade.
3.3.
The Johnstown voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De zaak is na de mondelinge behandeling een aantal dagen aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen om overeenstemming te bereiken. Partijen zouden de voorzieningenrechter vóór de geplande levering van het pand aan de [adres] laten weten of zij het kort geding willen doorhalen of dat zij vonnis vragen. Aangezien partijen er onderling niet zijn uitgekomen en [eiser] vonnis heeft gevraagd, zal er vonnis worden gewezen. Van de na de zitting ingediende stukken kan geen kennis worden genomen.
4.2.
[eiser] vordert opheffing van het beslag. Een conservatoir beslag dat is gelegd voor een geldvordering kan op grond van artikel 705 lid 2 Rv onder meer worden opgeheven indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. De vraag die voorligt is of de storting op de derdengeldenrekening van de advocaat van [eiser] als voldoende zekerheid kan worden beschouwd.
4.3.
The Johnstown heeft aangevoerd dat slechts van voldoende zekerheid kan worden gesproken indien het bedrag in depot wordt geplaatst bij een notaris of via een bankgarantie. Storting op de derdengeldenrekening van een advocaat is volgens haar niet voldoende. Bij een notaris wordt immers een depotovereenkomst opgesteld waarin duidelijke afspraken worden opgenomen. In het geval van storting bij een advocaat kan diens cliënt zich altijd nog terugtrekken en blijft het feitelijk bij een verklaring van [eiser] dat het geld er is, waarop The Johnstown dan maar moet vertrouwen, aldus The Johnstown. Zij blijft in de voorgestelde constructie afhankelijk van [eiser], en dat is nu juist wat een beslag of notarisdepot voorkomt. Aan opheffing van het beslag zijn volgens The Johnstown drie voorwaarden verbonden: 1) in depot plaatsing van het volledige bedrag van € 35.432,23 in plaats van de door [eiser] toegezegde € 29.859,70, 2) dat depot gesteld moet worden door storting op de derdengeldenrekening van een notaris en 3) uitkering van het bedrag bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in de bodemprocedure.
4.4.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] bevestigd dat hij in principe akkoord is met alle drie de gestelde voorwaarden, maar van de voorzieningenrechter wil horen of storting op de derdengeldenrekening van zijn advocaat voldoende is, nu hij zelf meent dat dat wel het geval is.
4.5.
De voorzieningenrechter oordeelt dat een depot op de derdengeldenrekening van de eigen advocaat niet geldt als voldoende zekerheid als de andere partij daarmee niet heeft ingestemd. Dat is hier het geval omdat naar de mening van The Johnstown, gelet op de constructie (en tot aan de mondelinge behandeling ook de hoogte van het bedrag), kennelijk onvoldoende zekerheid voor de vordering werd geboden. Concluderend kwalificeert het door [eiser] bij zijn advocaat in depot geplaatste bedrag niet als voldoende zekerheid en kan dit niet leiden tot opheffing van het beslag.
4.6.
Een afweging van de belangen maakt dit niet anders. The Johnstown heeft als advocaat werk verricht voor [eiser] en het is aannemelijk dat een “eenpitter” bij het uitblijven van betaling liquiditeitsproblemen ondervindt. Het is voor haar van groot belang dat haar vordering voldaan kan worden bij toewijzing daarvan in de bodemprocedure. Het belang van The Johnstown om haar vordering veilig te stellen weegt dan ook zwaarder dan het belang van [eiser] bij opheffing van het beslag. [eiser] is steeds in de gelegenheid geweest het bedrag op de derdenrekening van een notaris te storten of The Johnstown anderszins voldoende zekerheid te bieden. Doordat [eiser] (slechts) wilde achterhalen of het depot bij zijn advocaat ook voldoende zou zijn, heeft hij de opheffing van het beslag onnodig vertraagd en daarmee zelf de levering van de woning in gevaar gebracht.
4.7.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van The Johnstown worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als hij niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.P.M. Vos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
Type: EV
Coll: MV