Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7251

2026-07-15 Strafrecht 13/060060-23
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-15
Publicatiedatum
2026-07-16
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
13/060060-23
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Integrale vrijspraak. Vrijspraak feit 1 (verkrachting) omdat de ten laste gelegde feitelijkheden niet van dien aard zijn dat aangeefster werd gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen. Vrijspraak feit 2 (poging tot seksueel binnendringen bij iemand die de leeftijd van 12 jaren nog niet had bereikt) wegens het ontbreken van steunbewijs.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.418 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM



Afdeling Publiekrecht



Teams Strafrecht



Parketnummer: 13/060060-23



Datum uitspraak: 15 juli 2026




Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1969,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] .





1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 juli 2026.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Willemsen, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. H.F.C. Hoogendoorn en mr. D. Vogelenzang, naar voren hebben gebracht.





2Tenlastelegging


Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan


1. verkrachting van [aangeefster 1] in de periode van 4 februari 1993 tot en met 31 december 1998 te Amsterdam;
2. poging tot het seksueel binnendringen bij [aangeefster 2] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, in de periode van 15 augustus 1992 tot en met 14 augustus 1994 te Amsterdam.


De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.



Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Vrijspraak


3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie



De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde en daartoe aangevoerd dat de aangiftes betrouwbaar zijn nu aangeefsters authentiek en consistent hebben verklaard. De aangiftes ondersteunen elkaar en worden ook ondersteund door de verklaringen van de tante [tante] , het jongere zusje [zusje] , de moeder [moeder] en door dagboekfragmenten van aangeefster [aangeefster 1] . Verder is er bij [aangeefster 1] PTSS vastgesteld als gevolg van het seksueel misbruik door een familielid. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte een gevangenisstraf van 42 maanden wordt opgelegd en voorts contactverboden met de aangeefsters op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafvordering (Sv).




3.2.

Het standpunt van de verdediging



De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal vrijgesproken moet worden omdat verdachte ontkent, de aangiftes volgens verdachte vals zijn, de verklaringen van beide aangeefsters onbetrouwbaar zijn en steunbewijs ontbreekt. Zij hebben hiertoe betoogd dat de aangiftes inconsistenties bevatten en steeds verder zijn aangedikt. De ruzie tussen de families over het bestuur van de Moskee zouden de aangeefsters hebben gebracht tot het doen van deze aangiftes. De overige verklaringen in het dossier zijn de-auditu verklaringen en kunnen dus niet worden gebezigd als steunbewijs.




3.3.

Het oordeel van de rechtbank




Feit 1

Allereerst dient de rechtbank te beoordelen of de verklaring van aangeefster [aangeefster 1] betrouwbaar is en daarmee bruikbaar is voor het bewijs. De rechtbank ziet dat haar verklaringen op sommige onderdelen inconsistenties bevatten, maar is van oordeel dat de verschillen verklaarbaar zijn gelet op het lange tijdsverloop tussen de verklaringen en de ten laste gelegde feiten. Bovendien wordt haar verklaring op punten ook gesteund door de verklaringen van aangeefster [aangeefster 2] en hun zusje [zusje] . De rechtbank acht de verklaring van [aangeefster 1] dan ook geloofwaardig en neemt deze verklaring als uitgangspunt bij de beoordeling of het ten laste gelegde feit kan worden bewezen. De zus van verdachte, [zus verdachte] , heeft weliswaar verklaard dat beide aangeefsters regelmatig op haar kamer sliepen maar de rechtbank vindt dat onvoldoende om dat als steunbewijs te gebruiken voor de tenlastegelegde feiten, nu haar verklaring op essentiële punten geen steun biedt aan de tenlastegelegde feiten, maar eerder als ontlastend zou kunnen worden beschouwd.



Voor een bewezenverklaring van verkrachting als bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zoals dat luidde tot 1 juli 2024 is vereist dat het slachtoffer door (bedreiging met) geweld of door (bedreiging met) een andere feitelijkheid is gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Deze dwang moet van dien aard zijn dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet tegen de seksuele handelingen heeft kunnen verzetten dan wel door toedoen van de verdachte in een zodanig bedreigende situatie is gebracht dat deze zich daaraan niet heeft kunnen onttrekken.



De rechtbank is van oordeel dat de in de tenlastelegging opgenomen feitelijkheden niet van dien aard zijn dat kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een situatie van (bedreiging met) geweld of (bedreiging met) een andere feitelijkheid, waardoor aangeefster werd gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen. De rechtbank acht feit 1 daarmee niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.




Feit 2

Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid Sv kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechtbank niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige/aangeefster. Voor een bewezenverklaring dient ook sprake te zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan aangeefster. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met een betrouwbare verklaring van aangeefster voldoende wettig bewijs opleveren.



Hoewel de verklaringen van aangeefster [aangeefster 2] consistent zijn geweest, wordt haar verklaring niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft gepoogd seksueel binnen te dringen bij aangeefster toen zij de leeftijd van 12 jaar nog niet had bereikt.



De rechtbank spreekt verdachte integraal vrij voor de aan hem ten laste gelegde feiten.






4De benadeelde partijen



[aangeefster 1]


De benadeelde partij [aangeefster 1] vordert € 1.741,88,- aan vergoeding van materiële schade en € 51.250,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en inclusief de schadevergoedingsmaatregel.





[aangeefster 2]


De benadeelde partij [aangeefster 2] vordert € 1.000,- aan vergoeding van materiële schade en € 3.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en inclusief de schadevergoedingsmaatregel.



De benadeelde partijen zullen in de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a Sr niet is toegepast.



De benadeelde partijen en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.





5Beslissing


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.



Verklaart [aangeefster 1] en [aangeefster 2] niet-ontvankelijk in hun vorderingen.



Bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Oldekamp, voorzitter,
mrs. J. Thomas en G.M. Beunk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. van den Berg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juli 2026.







[..]