Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7198

2026-07-14 Strafrecht; Strafprocesrecht 009031-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-14
Publicatiedatum
2026-07-15
Rechtsgebied
Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
009031-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Klaagschrift art. 552a Sv. Tussenbeslissing. Dossier aanvullen om te kunnen beoordelen of sprake is van situatie als bedoeld in art. 94a, vierde lid, Sv (schijnconstructie met als doel verhaalsfrustratie).

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.583 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht


raadkamernummer : 009031-26
datum zitting : 30 juni 2026
datum tussenbeslissing : 14 juli 2026




Tussenbeslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a Wetboek van Strafvordering (Sv) van:






[klager 1] , [klager 2] en [klager 3] (‘de erven van [persoon 1] ’),
woonplaats kiezende op het kantoor van hun advocaat mr. W. de Vries, [adres 1] ,



hierna te noemen: de klagers.





1Procesgang


Het klaagschrift is op 27 maart 2026 op de griffie van de rechtbank ontvangen.



Het Openbaar Ministerie heeft op 16 juni 2026 schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt.



De rechtbank heeft op 30 juni 2026 de (gemachtigde) advocaat van de klagers en de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel in openbare raadkamer gehoord.



De klagers zijn, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.





2Feiten


Het Openbaar Ministerie heeft een onderzoek genaamd Offside ingesteld naar de vermeende criminele organisatie van de familie [familienaam 1] . Een van de hoofdverdachten in dat onderzoek is [verdachte 1] (13/710134-10). Een andere verdachte is [verdachte 2] , de broer van wijlen [persoon 1] .



De rechtbank Amsterdam heeft [verdachte 1] bij vonnis van 19 juli 2021 veroordeeld wegens 1. mensenhandel door twee of meer verenigde personen; 2. medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd; 3. feitelijke leiding geven aan opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd en feitelijke leiding geven aan opzettelijk een vals geschrift voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor het gebruik als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd; 4. medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken en 5. als leider deelnemen aan een organisatie dit tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.



Het Openbaar Ministerie vordert in de zaak tegen [verdachte 1] ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van € 26.848.840,58.



In de zaak tegen [verdachte 1] is op grond van de machtiging strafrechtelijk financieel onderzoek van 18 september 2014 ten laste van [persoon 1] conservatoir ‘anderbeslag’ ex artikel 94a, vierde lid, Sv gelegd op:



een vordering van [persoon 1] op [bedrijf] ( [persoon 2] ) ter hoogte van € 2.400.000;


ABN AMRO-privérekening [nummer 1] t.n.v. [persoon 1] , met een saldo van € 9.341,50;


ABN AMRO-spaarrekening [nummer 2] t.n.v. [persoon 1] , met een saldo van € 475.000;


ABN AMRO-vermogensspaarrekening [nummer 3] t.n.v. [persoon 1] , met een saldo van € 900.000.




De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 19 juni 2021 [verdachte 2] veroordeeld wegens 1. deelneming aan een organisatie dit tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, 2. medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd; 3. medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd; 4. medeplegen van oplichting; 5. witwassen; 6. oplichting en 7. medeplegen van mensensmokkel.



De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 10 december 2021 in de ontnemingszaak tegen [verdachte 2] de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen.



In zowel de strafzaak als de ontnemingszaak tegen [verdachte 2] is hoger beroep ingesteld.





3Beklag


In het klaagschrift staat dat het beklag strekt tot opheffing van het beslag dat door de Politie Amsterdam-Amstelland via een derdenbeslag in 2014 in de strafzaak van [verdachte 1] (13Offside) onder [persoon 1] is gelegd op:



de vordering op [bedrijf] ( [persoon 2] ) van € 2.400.000,00 (ex rente);


het saldo ABN AMRO-rekening [nummer 4] t.n.v. [persoon 1] ad € 1.384.236,50;


het saldo ABN AMRO-rekening [nummer 3] t.n.v. [persoon 1] ad € 450.000,00.




Het beklag strekt voorts tot opheffing van het onder [verdachte 2] gelegde beslag op de woning aan [adres 2] .



De advocaat van de klagers heeft in raadkamer betoogd dat het oordeel van de rechtbank in haar beslissing van 2018 dat er voldoende aanwijzingen zijn dat sprake is van een schijnconstructie met het kennelijke doel om verhaalmogelijkheden bij [verdachte 1] te frustreren onderhand niet meer volstaat. De rechtbank dient eerst vast te stellen – dat is dus een strengere toets of sprake is van ‘aanwijzingen’ – dat op basis van het verder niet langer vervolgde ‘zaaksdossier [naam hotel] ’ sprake is van een schijnconstructie en dus of zich (nog) de situatie voordoet dat de verkoopopbrengst van hotel [naam hotel] geheel of ten dele aan de familie [familienaam 2] toebehoort die dan (ook) opgezet is met het kennelijke doel om de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen. De rechtbank kan niet, zoals zij in 2018 nog wel kon doen, volstaan met een marginale toetsing of de vaststelling van ‘aanwijzingen’ omdat het dossier compleet is en in deze procedure niet langer een oordeel wordt gegeven of de verkoopopbrengst van hotel [naam hotel] aan de familie [familienaam 2] of de familie [familienaam 1] toebehoort. Het is voor de klagers de enige rechtsingang, aldus de advocaat.



De klagers hebben de rechtbank expliciet verzocht om ook onderzoek te doen naar de proportionaliteit en subsidiariteit van voortzetten van het beslag en aangevoerd dat voortzetting van het beslag niet (langer) in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit omdat, zeker onderhand, de persoonlijke belangen van de klagers bij de opheffing van het beslag zwaarder wegen dan het met artikel 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan.





4Standpunt van het Openbaar Ministerie


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond is en het volgende aangevoerd.



Het conservatoir anderbeslag op de banksaldi bij de ABN AMRO bank en de vordering op [bedrijf] is gelegd ter bewaring van het recht op verhaal van een door de rechter aan [verdachte 1] op te leggen ontnemingsmaatregel. Het conservatoir (ander)beslag is rechtmatig gelegd en er zijn voldoende aanwijzingen zijn dat sprake is van een schijnconstructie met het kennelijke doel om verhaalmogelijkheden bij [verdachte 1] te frustreren. Het indertijd overlijden van [persoon 1] brengt in het bestaan van die schijnconstructie geen enkele verandering. Het belang van strafvordering vordert derhalve dat het beslag op deze vermogensbestanddelen voortduurt. Er zijn overigens geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd die meegewogen dienen te worden.





5Tussenbeslissing


De advocaat heeft verzocht te beoordelen of het conservatoir ‘anderbeslag’ dat op de vordering en banksaldi is gelegd, mag blijven voortduren. De rechtbank zou (ten volle) moeten toetsen of 1.) sprake is van een schijnconstructie én of 2.) die (ook) het in het vierde lid van artikel 94a Sv genoemde doel had, aldus de advocaat.



De officier van justitie heeft aangevoerd dat de rechtbank reeds heeft geoordeeld dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de situatie als bedoeld in artikel 94a, vierde lid, Sv zich voordoet en verwezen naar de beslissing van de rechtbank van 1 november 2018. De officier van justitie heeft niet de zaaksdossiers 03.B ( [naam hotel] ) en 04.A (Deelname criminele organisatie 140 Sr) aan de rechtbank overgelegd.



De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het onderzoek moet worden heropend en dat het raadkamerdossier moet worden aangevuld met relevante stukken. Zonder die stukken kan niet worden beoordeeld of wel of geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 94a, vierde of vijfde lid, Sv in de onderhavige zaak en of de beslagene te kwader trouw was.



De advocaat heeft in het klaagschrift in het bijzonder de subsidiariteit en proportionaliteit aangekaart en in raadkamer geopperd direct te beoordelen of het beslag (nog langer) in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank is van oordeel dat zij eerst zal moeten oordelen over de vraag of de situatie als bedoeld in artikel 94a, vierde lid, Sv zich wel of niet voordoet.






6Beslissing


De rechtbank




heropent het onderzoek in raadkamer dat op 30 juni 2026 is gesloten;


schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat de rechtbank, in overleg met het Openbaar Ministerie en de advocaat, op korte termijn een nieuwe zittingsdatum zal bepalen;


draagt de officier van justitie op de zaaksdossiers 03.B ( [naam hotel] ) en 04.A (Deelname criminele organisatie 140 Sr) van het onderzoek 13Offside en alle andere stukken die het Openbaar Ministerie relevant vindt voor de beoordeling van het klaagschrift aan de rechtbank te overleggen en eventueel (nogmaals) uiteen te zetten waarom sprake zou zijn van een schijnconstructie met het oog op verhaalsfrustratie en dat de beslagene te kwader trouw was;


stelt de advocaat in de gelegenheid het klaagschrift voor zover nodig aan te vullen;


houdt iedere verdere beslissing aan;


beveelt de oproeping van de klagers tegen het tijdstip waarop het onderzoek in raadkamer wordt hervat.




Deze beslissing is gegeven door:mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mr. L.F. Bögemann en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.




ECLI:NL:RBAMS:2021:3756.


ECLI:NL:RBAMS:2021:3746.


ECLI:NL:RBAMS:2021:7290.


Rechtbank Amsterdam 1 november 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:10009.