Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7178

2026-07-08 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/13/777303 HA ZA 25-1598
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-07-15
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/13/777303 HA ZA 25-1598
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Overeenkomst voor het ontwikkelen van een fitnessapp. De rechtbank wijst de vordering van eiser tot betaling van openstaande facturen toe. Het verweer van gedaagde dat eiser tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst slaagt niet, omdat gedaagde niet heeft voldaan aan zijn contractuele klachtplicht. Deze klachtplicht is redelijk en niet onredelijk bezwarend, omdat gedaagde geen beroep kan doen op reflexwerking. Het beroep van gedaagde op vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling of bedrog slaagt niet, omdat niet is komen vast te staan dat eiser niet over de door hem aangegeven kennis en ervaring beschikt.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (29.722 tekens)
RECHTBANK Amsterdam


Civiel recht



Zaaknummer: C/13/777303 / HA ZA 25-1598




Vonnis van 8 juli 2026 (bij vervroeging)




in de zaak van





[eiser] (H.O.D.N. [handelsnaam eiser] ),

wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. E.B. Wolken,



tegen





[gedaagde] (H.O.D.N. [handelsnaam gedaagde] ),
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. S. Razaac.






1De zaak en de beslissing in het kort

1.1.

[eiser] heeft van [gedaagde] de opdracht gekregen om een fitnessapp te ontwikkelen. [eiser] stelt dat [gedaagde] facturen hiervoor onbetaald heeft gelaten. [eiser] vordert daarom in deze procedure betaling van die facturen, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.



1.2.

[gedaagde] vindt dat de door [eiser] ontwikkelde fitnessapp niet voldoet aan wat partijen zijn overeengekomen en dat [eiser] niet beschikte over de door hem aangegeven kennis en ervaring om de werkzaamheden uit te voeren. [gedaagde] wil daarom op zijn beurt dat de rechtbank de overeenkomst ontbindt of vernietigt, en bepaalt dat [eiser] de al betaalde factuur moet terugbetalen en aansprakelijk is voor de door [gedaagde] geleden schade.



1.3.
De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] toe en de tegenvorderingen van [gedaagde] af en legt hierna uit waarom.





2De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 september 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,
- het tussenvonnis van 25 maart 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 juni 2026 en de daarin genoemde stukken.





3De feiten

3.1.

[eiser] richt zich op het ontwikkelen, produceren en uitgeven van software en het verlenen van IT-services voor klanten. [gedaagde] begeleidt klanten bij het realiseren van hun sport- en gezondheidsdoelstellingen en geeft personal training.



3.2.
Partijen hebben op 22 juni 2024 een overeenkomst van opdracht gesloten voor de ontwikkeling van een fitnessapp (hierna: de overeenkomst), met [eiser] als opdrachtnemer en [gedaagde] als opdrachtgever. De beschrijving van de opdracht en de functionaliteiten waaraan de app moet voldoen staan opgenomen in bijlage 1 van de overeenkomst. In de overeenkomst staat verder, voor zover relevant:



“
Artikel 7 – Betaling, vergoeding en facturering





De Opdrachtgever betaalt de Opdrachtnemer € 30.000,00 voor het gehele project exclusief BTW. Dit bedrag is inclusief een korting van € 10.000,00 in ruil voor 10% aandelen in het bedrijf van Opdrachtgever.




(…)




De betalingen zullen als volgt worden verricht:




a. 50% van het totale bedrag (€ 15.000,00 exclusief BTW) wordt door de Opdrachtgever voorafgaand aan de start van het project betaald.
b. De resterende 50% van het totale bedrag (€ 15.000,00 exclusief BTW) wordt door de opdrachtgever betaald bij oplevering van het project.

(…)





Artikel 13 – Aansprakelijkheid


(…)


4. Onverminderd het bepaalde in artikel 6:89 BW kan de Opdrachtgever geen beroep meer doen op een tekortkoming in de prestatie van de Opdrachtnemer, wanneer de Opdrachtgever niet schriftelijk heeft geprotesteerd binnen 30 dagen nadat de Opdrachtgever de tekortkoming heeft ontdekt of redelijkerwijze had kunnen ontdekken.

(…)




Artikel 18 – Korting, aandelenovereenkomst en doorontwikkeling





De Opdrachtgever verleent een korting van € 10.000,00 op de totale projectkosten in ruil voor 10% aandelen in het bedrijf van de Opdrachtgever.




Beide partijen verklaren de intentie te hebben om voor de oplevering van het project de specifieke voorwaarden met betrekking tot de aandelenoverdracht en gegarandeerde urenbesteding door Opdrachtnemer vast te leggen.




Indien de aandelenoverdracht en de bijbehorende voorwaarden niet kunnen worden overeengekomen, vervalt de korting van € 10.000,00 en is de Opdrachtgever gehouden om het volledige bedrag van € 40.000,00 exclusief BTW te betalen.




(…)”




3.3.

[gedaagde] heeft de eerste helft van de overeengekomen prijs van € 18.150,- inclusief btw aan [eiser] betaald.



3.4.
In december 2024 is de fitnessapp door [gedaagde] in gebruik genomen.



3.5.
Op 14 januari 2025 heeft [gedaagde] per WhatsApp-bericht aan [eiser] laten weten dat de factuur voor de tweede helft van de overeengekomen prijs kan worden verzonden.



3.6.
Vervolgens heeft [eiser] met een factuur van 3 februari 2025 de andere helft van in totaal € 18.150,- inclusief btw in rekening gebracht. Deze factuur heeft [gedaagde] niet betaald.



3.7.
Op 12 februari 2025 heeft [eiser] [gedaagde] laten weten de samenwerking niet verder te willen voortzetten. Daarna hebben partijen overleg gehad over de overdracht.



3.8.
In een e-mailbericht van 6 maart 2025 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven dat de fitnessapp niet voldoet aan de gemaakte afspraken en heeft hij klachten geuit over diverse functionaliteiten.



3.9.
Met een factuur van 3 april 2024 heeft [eiser] verzocht om betaling van € 12.100,- inclusief btw, vanwege het intrekken van de eerder verleende korting van 10% ten behoeve van het aandelenbelang op grond van artikel 18.3 van de overeenkomst. Deze factuur heeft [gedaagde] niet betaald.



3.10.
In een brief van 9 mei 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] gesommeerd om binnen veertien dagen na dagtekening de openstaande facturen alsnog te betalen. [gedaagde] heeft aan deze sommatie niet voldaan.





4Het geschil
de vorderingen van [eiser] (in conventie)

4.1.


[eiser] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van:
I. € 30.250,- aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 8 september 2025,
II. € 1.451,93 aan de wettelijke handelsrente tot 8 september 2025,
III. € 1.077,50 aan buitengerechtelijke incassokosten,
IV. proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.




4.2.

[eiser] legt hieraan ten grondslag dat de oplevering van de fitnessapp heeft plaatsgevonden, zodat [gedaagde] gehouden is om het resterende deel van 50% van de prijsafspraak te betalen, ter nakoming van de overeenkomst. Daarnaast is de eerder verleende korting van 10% komen te vervallen omdat de aandelenoverdracht niet heeft plaatsgevonden. [gedaagde] is daarom in totaal € 30.250,- verschuldigd.



de tegenvorderingen van [gedaagde] (in reconventie)




4.3.


[gedaagde] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. de overeenkomst te ontbinden of te vernietigen,
II. [eiser] te veroordelen tot terugbetaling van het door [gedaagde] betaalde bedrag van € 18.150,-, vermeerderd met de wettelijke rente,
III. een verklaring voor recht dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst,
IV. een verklaring voor recht dat [eiser] aansprakelijk en schadeplichtig is tegenover [gedaagde] , waaronder voor schade bestaande uit de noodzaak om derden in te schakelen voor het overnemen en voorzetten van het werk van [eiser] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
V. [eiser] te veroordelen tot betaling van de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.




4.4.

[gedaagde] legt hieraan ten grondslag dat een fitnessapp is geleverd die niet voldoet aan de gemaakte afspraken en [eiser] zijn informatie- en zorgplicht heeft verzaakt, waardoor hij tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. [eiser] is verzocht om tot herstel van de fitnessapp over te gaan, maar heeft dit geweigerd, zodat hij in verzuim is komen te verkeren. Daarom komt [gedaagde] een beroep op ontbinding toe. Subsidiair beroept [gedaagde] zich op dwaling en bedrog. [eiser] heeft zich bij het aangaan van de overeenkomst voorgedaan als specialist op het gebied van kunstmatige intelligentie, maar beschikte in werkelijkheid niet over de kennis en ervaring om de werkzaamheden uit te voeren. In beide scenario’s vordert [gedaagde] terugbetaling van de al betaalde factuur. Als ontbinding of vernietiging niet wordt uitgesproken, dan heeft [gedaagde] de factuur onverschuldigd betaald. Doordat [eiser] een ondeugdelijke fitnessapp heeft geleverd, heeft [gedaagde] zonder rechtsgrond de betaling verricht, zodat [eiser] dit moet terugbetalen. Daarnaast is [eiser] gehouden om de door [gedaagde] geleden schade te vergoeden, waaronder kosten die verband houden met het herstel en afronden van de fitnessapp waarvan de omvang nog niet vast staat.





5De beoordeling

5.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen en de tegenvorderingen (in conventie en in reconventie) worden deze gezamenlijk behandeld.



De vordering van [eiser] tot betaling van de openstaande facturen




5.2.
Voordat kan worden toegekomen aan het verweer van [gedaagde] dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en zijn beroep op vernietiging van de overeenkomst, moet worden vastgesteld of de fitnessapp is opgeleverd. Alleen in dat geval is namelijk de tweede helft van de prijsafspraak van € 18.150,- inclusief btw verschuldigd. Ook moet worden vastgesteld of de korting van € 10.000,- exclusief btw is komen te vervallen. De rechtbank vindt beiden het geval en legt dit hierna uit.



5.3.
Volgens [eiser] is de fitnessapp op 14 januari 2025 aan [gedaagde] opgeleverd. Daartoe stelt hij dat [gedaagde] diezelfde dag heeft aangegeven dat de tweede factuur die bij oplevering van het project zou worden betaald kon worden verzonden. [gedaagde] betwist dat oplevering heeft plaatsgevonden. Hij voert hiertoe aan dat de geleverde fitnessapp niet voldoet aan wat partijen zijn overeengekomen in bijlage 1 van de overeenkomst en hij daarom de tweede factuur niet is verschuldigd.



5.4.
De rechtbank oordeelt dat de oplevering van de fitnessapp heeft plaatsgevonden. Partijen zijn het erover eens dat het plan was om een fitnessapp op de markt te brengen die daarna verder zou worden ontwikkeld. Vaststaat dat de fitnessapp in december 2024 door [gedaagde] in gebruik is genomen, aangezien [eiser] heeft gesteld dat in die periode de fitnessapp beschikbaar is gesteld voor downloads voor gebruikers via de Google Play Store en de App Store en dit heeft [gedaagde] niet weersproken. [gedaagde] heeft vervolgens op 14 januari 2025 aan [eiser] laten weten: “Je kan de factuur trouwens gewoon sturen he.” Hieruit leidt de rechtbank af dat de fitnessapp in de periode daartussen op enig moment aan [gedaagde] is opgeleverd. Dat volgens [gedaagde] een gebrekkige app online is gebracht en hij alleen heeft verzocht om de factuur omdat hij ervan uitging dat uiteindelijk een deugdelijk product zou worden opgeleverd, maakt nog niet dat geen oplevering heeft plaatsgevonden. Het bestaan van eventuele gebreken staat immers niet aan een oplevering in de weg.



5.5.
Wat betreft de korting van € 10.000,- exclusief btw stelt [eiser] dat onderdeel van de gemaakte afspraken was dat hij 10% van de aandelen in het bedrijf van [gedaagde] zou krijgen en daarom de korting werd gegeven. Als de aandelenoverdracht en bijbehorende voorwaarden niet zouden worden vervuld, zou [gedaagde] alsnog gehouden zijn om het volledige bedrag te betalen. Dat is volgens [eiser] nu het geval, omdat de overdracht van de aandelen nooit heeft plaatsgevonden. [gedaagde] meent daarentegen dat een aandeelhoudersovereenkomst tot stand is gekomen, omdat over alle essentialia overeenstemming is bereikt. Daarbij verwijst hij naar het door [eiser] gegeven commentaar op de concept aandeelhoudersovereenkomst.



5.6.

[eiser] heeft voldoende onderbouwd dat de korting van € 10.000,- is komen te vervallen. Weliswaar kan uit de overgelegde stukken worden afgeleid dat partijen de intentie hadden om een aandeelhoudersovereenkomst tot stand te brengen en dat zij hierover ook al overleg hadden gevoerd, maar niet kan worden geconcludeerd dat tussen hen daadwerkelijk een afspraak over de aandelenoverdracht en de bijbehorende voorwaarden tot stand is gekomen. De aandeelhoudersovereenkomst was tenslotte nog in concept. Daar komt bij dat [eiser] kort na het overleg over het concept van de aandeelhoudersovereenkomst aan [gedaagde] heeft laten weten de samenwerking niet te willen voorzetten. [eiser] kan zich er daarom terecht op beroepen dat de eerder verleende korting op grond van artikel 18 lid 3 van de overeenkomst is komen te vervallen.



5.7.
Gelet op het voorgaande is [gedaagde] in beginsel een bedrag van € 30.250,- inclusief btw aan [eiser] verschuldigd. Dit is alleen anders als het verweer van [gedaagde] dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst of het beroep op vernietiging van de overeenkomst slaagt. Dit wordt hierna behandeld.



Het beroep van [gedaagde] op een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst




5.8.
Volgens [gedaagde] is sprake van wanprestatie omdat [eiser] een fitnessapp heeft geleverd die niet voldoet aan de overeengekomen functionaliteiten zoals opgenomen in bijlage 1 van de overeenkomst. Daarnaast vindt [gedaagde] dat [eiser] zich niet aan zijn informatie- en zorgplicht heeft gehouden.



5.9.

[eiser] heeft hiertegen primair aangevoerd dat [gedaagde] zich niet op wanprestatie kan beroepen omdat [gedaagde] niet binnen de contractuele klachttermijn van dertig dagen zoals opgenomen in artikel 13 lid 4 van de overeenkomst heeft geklaagd. De fitnessapp is namelijk op 14 januari 2025 opgeleverd (en daarvoor ook al door [gedaagde] in gebruik genomen) en [gedaagde] heeft voor het eerst op 6 maart 2025 geklaagd. [gedaagde] heeft hiertegen ingebracht dat hij wel tijdig bij [eiser] heeft geklaagd en dit blijkt volgens hem uit correspondentie van partijen waarin gebreken en onvolledige functionaliteiten zijn besproken. [gedaagde] meent dat hij in ieder geval op een ontmoeting op 1 februari 2025 heeft gewezen op de tekortkomingen.



5.10.
De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] niet binnen de klachttermijn van dertig dagen heeft geprotesteerd zoals vermeld in artikel 13 lid 4 van de overeenkomst. Zoals hiervoor is overwogen (zie 5.4) heeft de oplevering van de fitnessapp in de periode tussen december 2024 en 14 januari 2025 plaatsgevonden. Vanaf in ieder geval 14 januari 2025 is de klachttermijn gaan lopen en had [gedaagde] eventuele gebreken aan de fitnessapp kunnen ontdekken. Uit de overgelegde stukken volgt dat [gedaagde] voor het eerst op 6 maart 2025 heeft geklaagd over diverse functionaliteiten. Dat is dus niet binnen de klachttermijn. Dat [gedaagde] op een ander moment bij [eiser] heeft geklaagd, wordt door [eiser] betwist en blijkt nergens uit, zodat dit niet kan worden vastgesteld. De conclusie is dan ook dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan zijn contractuele klachtplicht



5.11.

[gedaagde] heeft nog een aantal verweren aangevoerd waarom [eiser] geen beroep kan doen op artikel 13 lid 4 van de overeenkomst. Deze verweren slagen niet. Dit wordt hierna besproken.



5.12.

[gedaagde] heeft allereerst aangevoerd dat artikel 13 lid 4 van de overeenkomst onredelijk bezwarend is op grond van artikel 6:233 aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hij voert aan dat een dergelijke bepaling voorkomt op de zwarte lijst (artikel 6:236 BW) en de grijze lijst (artikel 6:237 BW) en daaraan reflexwerking toekomt, omdat hij een kleine onderneming is zonder kennis op het gebied van IT. [eiser] betwist dat aan [gedaagde] reflexwerking toekomt.


5.13.
Het beroep van [gedaagde] op de zwarte- en grijze lijst slaagt niet, omdat [gedaagde] geen consument is en hem geen beroep toekomt op reflexwerking. Daarvoor is het namelijk nodig dat de positie van [gedaagde] grote gelijkenis vertoont met die van een consument.Dat is hier niet het geval, aangezien de kern van de overeenkomst ziet op het ontwikkelen van een fitnessapp die gebruikers kan ondersteunen bij het behouden van een gezonde levensstijl. Dat heeft juist betrekking op de activiteiten van het bedrijf van [gedaagde] en een dergelijke overeenkomst wordt niet door een consument gesloten. Dat [gedaagde] een kleine onderneming is, doet hieraan niets af.



5.14.

[gedaagde] heeft daarnaast aangevoerd dat artikel 13 lid 4 van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Volgens [gedaagde] is het onredelijk om hem te verplichten om binnen dertig dagen te klagen, omdat hij een kleine onderneming is zonder IT-deskundigheid, het om meerdere gebreken gaat in een complex softwareproduct en hij geen toegang had tot de codebase van de fitnessapp. Dat een termijn van dertig dagen onvoldoende is om de fitnessapp te kunnen (laten) controleren, kan echter niet worden vastgesteld. [eiser] betwist namelijk dat het hier gaat om een complex softwareproduct en dat het nodig is om een expert in te schakelen om de app te kunnen (laten) controleren. [gedaagde] heeft zijn stellingen ook niet onderbouwd met bewijs. [gedaagde] heeft ter zitting juist verklaard dat hij bij het gebruik van de app meteen zag dat ‘de voorkant’ niet goed was. [gedaagde] heeft vervolgens niet meteen geklaagd, maar heeft er naar eigen zeggen voor gekozen om eerst de bevindingen van een derde partij af te wachten. Dat komt echter voor zijn eigen rekening en maakt niet dat een klachttermijn van dertig dagen overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.



5.15.
Voorgaande betekent dat de rechtbank artikel 13 lid 4 van de overeenkomst in stand laat en [eiser] zich hier terecht op kan beroepen. Dat brengt mee dat het beroep van [gedaagde] op een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [eiser] niet slaagt. De andere stellingen en standpunten van partijen op dit punt hoeven daarom niet meer te worden besproken.



Het beroep van [gedaagde] op vernietiging van de overeenkomst




5.16.
Volgens [gedaagde] is de overeenkomst vernietigbaar op grond van dwaling, dan wel bedrog. Hieraan heeft [gedaagde] ten grondslag gelegd dat [eiser] zich bij het aangaan van de overeenkomst heeft voorgedaan als specialist op het gebied van generatieve kunstmatige intelligentie met jarenlange ervaring in softwareontwikkeling, maar in werkelijkheid niet over die kennis of ervaring beschikte en hij niet in staat was om de overeengekomen werkzaamheden uit te voeren. Daarbij heeft [gedaagde] onder meer verwezen naar uitingen van [eiser] op zijn LinkedIn-pagina. [eiser] betwist dat hij niet over de door hem aangegeven kennis en ervaring beschikt en niet in staat is om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten. [eiser] voert aan dat alle informatie die online te vinden is een weergave is van de werkelijkheid.



5.17.
Het beroep van [gedaagde] op vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling of bedrog slaagt niet. [eiser] betwist namelijk dat hij niet over de door hem aangegeven expertise en ervaring beschikt en niet in staat was om de overeengekomen werkzaamheden uit te voeren en [gedaagde] heeft geen bewijs overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. [gedaagde] heeft slechts gewezen op de omstandigheid dat [eiser] gedurende de uitvoering van de werkzaamheden opmerkingen heeft gemaakt waaruit volgens [gedaagde] zou volgen dat de eerder gedane toezeggingen zijn vermogen duidelijk te boven gingen, maar dat is onvoldoende. De enkele omstandigheid dat [eiser] gedurende het project tegen het een en ander aanliep en hierover met [gedaagde] heeft gecommuniceerd, betekent op zichzelf niet dat [eiser] niet over de kwalificaties beschikt waarvan hij heeft aangegeven dat hij deze bezat.



De hoofdvorderingen




5.18.
Gelet op al het voorgaande wijst de rechtbank de vorderingen van [gedaagde] af en is [gedaagde] gehouden om de openstaande facturen aan [eiser] te betalen. De rechtbank wijst daarom de vordering van [eiser] tot betaling van € 30.250,- toe. De hierover gevorderde wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW wordt toegewezen, omdat het hier gaat om een handelsovereenkomst, niet in geschil is dat [gedaagde] de twee facturen waar het om gaat niet tijdig heeft betaald en [gedaagde] op dit punt geen zelfstandig verweer heeft gevoerd.



De kosten




5.19.

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom wordt een bedrag van € 1.077,50 toegewezen.



5.20.

[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.


De proceskosten van [eiser] in conventie worden begroot op:










- kosten van de dagvaarding


€


123,73







- griffierecht


€


1.374,00







- salaris advocaat


€


1.672,00


(2 punten × € 836,00)




- nakosten


€


148,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


3.317,73










De proceskosten van [eiser] in reconventie worden vanwege de verwevenheid met de vordering in conventie gehalveerd en begroot op:










- salaris advocaat


€


653,00


(2 punten × 0,5 x € 653,00)




- nakosten


€


148,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


801,00











5.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



Uitvoerbaar bij voorraad




5.22.

[gedaagde] heeft verzocht het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans te bepalen dat daarvoor zekerheid wordt gesteld van € 50.000,- in de zin van artikel 233 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Volgens [gedaagde] loopt hij een behoorlijk restitutierisico als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, omdat uit eerdere verklaringen van [eiser] kan worden afgeleid dat hij in financiële problemen verkeert. [eiser] betwist dit.



5.23.
De gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring wordt toegewezen en de verzochte zekerheidstelling wordt afgewezen. Uitgangspunt is dat een veroordeling die is uitgesproken uitvoerbaar moet zijn en ten uitvoer kan worden gelegd, ook als er nog hoger beroep of een andere hogere voorziening mogelijk is. Dit kan anders zijn als het belang van de veroordeelde om de huidige situatie te behouden totdat op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling wil laten uitvoeren. Omdat het hier gaat om een veroordeling tot betaling van een geldsom, is daarmee het belang van [eiser] bij een uitvoerbaar bij voorraadverklaring gegeven. Een daartegenover gesteld restitutierisico moet worden geconcretiseerd. Hieraan heeft [gedaagde] niet voldaan. Het enkele feit dat [eiser] in het verleden heeft aangegeven dat het hem financieel niet meer lukte om aan de fitnessapp te werken, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat er een zodanig zwaarwegend restitutierisico bestaat dat dit in de weg staat aan een uitvoerbaar bij voorraadverklaring.





6De beslissing
De rechtbank



in conventie



6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 31.701,93 (bestaande uit € 30.250,- aan hoofdsom en € 1.451,93 aan wettelijke handelsrente tot 8 september 2025), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het bedrag van € 30.250,-, met ingang van 8 september 2025 tot en met de dag van volledige betaling,



6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.077,50 aan buitengerechtelijke kosten,



6.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser] van € 3.317,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



6.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



in reconventie




6.5.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,



6.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser] van € 801,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



in conventie en in reconventie




6.7.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



6.8.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1 tot en met 6.4, 6.6 en 6.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. D. Sullivan, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.




Hoge Raad 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1197.


Hof Amsterdam 28 maart 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:753.


Hoge Raad 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2602.


Hoge Raad 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1400.