Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7112

2026-07-15 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht AWB - 26 _ 1769
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-15
Publicatiedatum
2026-07-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AWB - 26 _ 1769
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Betreft een opvolgend Beroep Niet Tijdig Beslissen, waarin de rechterlijke dwangsom wordt gematigd na een eerdere uitspraak van de rechtbank.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.892 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: AWB 26/1769


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiser], eiser,


en


het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder



Procesverloop


Eiser heeft op 27 maart 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar gericht tegen het besluit van verweerder van 11 juli 2024.



Verweerder heeft, ondanks een verzoek daartoe van de rechtbank, geen stukken en ook geen verweerschrift ingediend




Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

3. Met een besluit van 11 juli 2024 heeft verweerder beslist op het verzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser heeft op 22 augustus 2024 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 juli 2024 en heeft met een e-mailbericht van 15 september 2024 de gronden van zijn bezwaar aangevuld. Op 12 juni 2025 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Vervolgens is eiser op 28 juni 2025 in beroep gegaan wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. De rechtbank heeft op 3 oktober 2025 uitspraak gedaan, waarin het beroep gegrond is verklaard en voorts is bepaald dat verweerder binnen twee weken een besluit op het bezwaar bekend moet maken. Eiser heeft verzet ingesteld tegen deze uitspraak, maar heeft het verzet op de zitting van 12 maart 2026 ingetrokken.

4. Op 27 maart 2026 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank. Eiser heeft verweerder voorafgaand aan het indienen van het beroepschrift niet in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit, zodat in beginsel niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van dit beroep. De rechtbank verbindt hier echter geen consequenties aan omdat niet is voldaan aan een opdracht van de rechtbank. Naar het oordeel van de rechtbank kan van eiser redelijkerwijs niet gevergd worden dat hij verweerder opnieuw in gebreke stelt. De rechtbank sluit hiermee aan bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 maart 2019. Het beroep is dus gegrond.

6. Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.

7. Omdat verweerder geen verweer heeft gevoerd, is van een bijzonder geval niet gebleken. Dat betekent dat verweerder uiterlijk 14 dagen na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden alsnog een beslissing op bezwaar bekend moet maken.

8. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,– verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,–. De rechtbank kiest vooralsnog voor deze dwangsom, omdat in ogenschouw moet worden genomen dat de dwangsommen worden voldaan uit de algemene middelen die door ons allen gezamenlijk dienen te worden opgebracht. De rechtbank voegt daar nog aan toe dat dwangsommen weliswaar toekomen aan eiser, maar dat de onderliggende procedure een procedure op grond van de Woo is, waarin niet de subjectieve belangen en rechten van een individu (zoals eiser) centraal staan, maar een (ander) algemeen belang, dat van openbaarmaking voor eenieder. Dat staat op zijn minst op gespannen voet met een toekenning van een dwangsom die hoger is dan de eerder toegekende dwangsom aan eiser.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.



Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


draagt verweerder op om binnen 14 dagen na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaar bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;


bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,‑;


draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 200,- aan eiser te vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Ruijgrok, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:



griffier
rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:




Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.


Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.


Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.


Zie ook artikel 6:12 derde lid van de Awb.


ECLI:NL:RVS:2019:673.


Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb


Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank van 27 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1647.