Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7084

2026-06-16 Civiel recht 12238820
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-06-16
Publicatiedatum
2026-07-13
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12238820
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding, huurrecht bedrijfsruimte, betalingsverplichtingen onderhuurovereenkomst en franchiseovereenkomst, ontruiming gehuurde, geen dwangsom en vergoeding kosten ontruiming,

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.790 tekens)
RECHTBANK
AMSTERDAM



Civiel recht
Kantonrechter



Zaaknummer: 12238820 \ KK EXPL 26-320




Vonnis in kort geding van 16 juni 2026




in de zaak van




FEBO BEHEER B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Febo,
gemachtigde: mr. M.G. Meester (voorheen mr. B.J.R. Loijmans),



tegen





[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door: [naam 1] .





1De procedure


1.1.
Bij dagvaarding van 22 mei 2026, met producties, heeft Febo een voorziening gevorderd.



1.2.
Ter zitting van 2 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voor Febo zijn de heren [naam 2] en [naam 3] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens [gedaagde] is haar bestuurder mevrouw [naam 1] verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, Febo mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. Na een korte schorsing is gebleken dat partijen nog niet tot een minnelijke regeling konden komen. Vervolgens is om vonnis gevraagd en hiervoor is een datum bepaald.





2De beoordeling


2.1.
Febo (onder)verhuurt aan [gedaagde] de bedrijfsruimte gelegen aan de [locatie] (hierna: het gehuurde). Daarnaast hebben partijen een franchiseovereenkomst gesloten, waarbij [gedaagde] als franchisenemer optreedt.



2.2.
Vanaf november 2025 is een achterstand ontstaan in de betalingsverplichtingen uit de onderhuurovereenkomst voor het gehuurde en de franchiseovereenkomst, die tot en met 4 mei 2026 is opgelopen tot een bedrag van € 39.356,11, zoals blijkt uit de overgelegde specificatie.



2.3.
Febo vordert – na eisvermindering ter zitting – [gedaagde] te veroordelen om de achterstallige betalingsverplichtingen te voldoen, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente, alsook om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de lopende huur en franchisevergoedingen. Daarnaast vordert Febo [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 met een maximum van € 100.000,00. Daarbij vordert Febo, indien [gedaagde] niet tijdig vrijwillig aan de veroordeling tot ontruiming voldoet, te bepalen dat zij gerechtigd wordt de ontruiming op kosten van [gedaagde] door een deurwaarder te doen bewerkstellingen, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie. Tot slot vordert zij dat [gedaagde] in haar proceskosten wordt veroordeeld.



Toetsingskader




2.4.
In een kort geding is een vordering tot ontruiming slechts toewijsbaar als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering eveneens toewijst en van de eisende partij niet kan worden gevergd om de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. Voor toewijzing is nodig dat eiser daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.



Spoedeisend belang




2.5.
Vanwege de omvang van de gevorderde huurachterstand is de kantonrechter van oordeel dat de vordering tot ontruiming van het gehuurde in dit geval spoedeisend is en dat van Febo niet kan worden gevergd om de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. De overige vorderingen hangen nauw met de ontruimingsvordering samen en worden uit proceseconomische overwegingen ook in dit kort geding beoordeeld.



Betalingsverplichtingen onderhuurovereenkomst en franchiseovereenkomst.




2.6.
Tijdens de zitting heeft [gedaagde] erkend dat er sprake is van achterstallige betalingen. Omdat zij de hoogte van het bedrag aan achterstanden tot en met 4 mei 2026, namelijk € 39,356,11, niet heeft betwist, staat deze achterstand vast en zal dit bedrag worden toegewezen.



2.7.

Febo heeft ter zitting haar vordering ten aanzien van de contractuele boetes die [gedaagde] zou zijn verschuldigd met betrekking tot de openstaande bedragen ingetrokken en haar vordering beperkt tot primair de wettelijke handelsrente en subsidiair de wettelijke rente. Deze vordering zal worden afgewezen. Artikel 6:92 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt namelijk dat hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is, in de plaats treedt van de schadevergoeding op grond van de wet. [gedaagde] heeft de huur niet tijdig betaald en is daarom op grond van het contractueel overeengekomen boetebeding een boete aan Febo verschuldigd. Dat Febo daar in deze procedure niet langer aanspraak op maakt, maakt dat niet anders. Wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW is, evenals wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW, schadevergoeding op grond van de wet. Zij dient als vergoeding van schade ten gevolge van vertraging in de betaling van een geldsom. Als uitgangspunt kan in dit geval dan ook geen wettelijke (handels)rente worden toegewezen, omdat het boetebeding daarvoor in de plaats is getreden. Dit is slechts anders als partijen zijn overeengekomen dat zowel de wettelijke schadevergoeding als de boete verschuldigd zijn.
Febo heeft niet gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat zowel de wettelijke handelsrente als de boete kan worden gevorderd. Artikel 6:92 lid 2 BW brengt dus mee dat Febo alleen aanspraak kan maken op de contractuele boetes.




Ontruiming van het gehuurde




2.8.
De gevorderde ontruiming zal eveneens worden toegewezen met een termijn van zeven dagen na betekening van dit vonnis. Het is voldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de tekortkomingen van [gedaagde] in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst van voldoende gewicht zijn om de ontbinding daarvan te rechtvaardigen. Daarbij weegt ten aanzien van de termijn mee dat door Febo ter zitting onweersproken is gesteld dat het Febo-filiaal dat in het gehuurde wordt geëxploiteerd, niet langer geopend is.



Geen dwangsom




2.9.
De door Febo gevorderde dwangsom zal worden afgewezen. Gelet op het feit dat Febo met de toewijzing van de veroordeling tot ontruiming al een titel heeft om zelf, via de weg van de reële executie, tot gedwongen ontruiming over te gaan, dient zij te onderbouwen op grond waarvan een extra prikkel om tot ontruiming over te gaan in de vorm van een op te leggen dwangsom nodig is. Omdat een dergelijke onderbouwing ontbreekt, wordt de vordering tot het opleggen van een dwangsom bij gebrek aan belang afgewezen.



Geen vergoeding kosten ontruiming




2.10.
Febo heeft ook een vergoeding gevorderd voor de kosten van een eventuele gedwongen ontruiming van het gehuurde. Deze vordering is eveneens niet toewijsbaar. Op grond van artikel 237 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan de partij die ongelijk krijgt alleen worden veroordeeld tot betaling van kosten die vóór de uitspraak zijn gemaakt, dan wel kosten die nog niet zijn gemaakt maar zich al wel laten begroten. Dat is niet het geval bij ontruimingskosten. Deze kosten worden namelijk (mogelijk) na het ontruimingsvonnis gemaakt en laten zich niet op voorhand begroten. Op de datum van het ontruimingsvonnis staat nog niet vast of deze kosten gemaakt zullen worden en hoe hoog deze kosten mogelijk zullen zijn.



Toekomstige huurtermijnen en franchisevergoedingen




2.11.
Tot het moment dat [gedaagde] het gehuurde daadwerkelijk heeft ontruimd, zal zij voor het gebruik van het gehuurde moeten blijven betalen. De daarop gerichte vordering van Febo is toewijsbaar. De gevorderde franchisevergoedingen zijn onvoldoende gespecificeerd en worden daarom afgewezen.



Proceskosten




2.12.

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Febo worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


128,65







- griffierecht


€


1.504,00







- salaris gemachtigde


€


577,00







- nakosten


€


72,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.281,65











2.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





3De beslissing


De kantonrechter:



3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan [locatie] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Febo zijn, en de sleutels af te geven aan Febo, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde,



3.2.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan Febo:
a. a) € 39.356,11 aan achterstallige betalingen tot en met 4 mei 2026,
b) € 3.470,12 per maand aan huur vanaf 1 juni 2026 tot en met het moment waarop de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,



3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.281,65, te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis,



3.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer, kantonrechter, bijgestaan door mr. H. Heida, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.



61291