Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7026

2026-07-06 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12045526 \ CV EXPL 26-190
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-06
Publicatiedatum
2026-07-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12045526 \ CV EXPL 26-190
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vordering van zoon om de huurovereenkomst van zijn overleden vader voort te zetten, afgewezen. In reconventie wordt de ontruiming niet uitvoerbaar bij voorraad toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.969 tekens)
RECHTBANK
AMSTERDAM



Civiel recht
Kantonrechter



Zaaknummer: 12045526 \ CV EXPL 26-190




Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 6 juli 2026




in de zaak van





[eiser]
,
wonende te [woonplaats],
eisende partij in conventie, gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. H.E. van Zijll,



tegen



de stichting

WONINGSTICHTING ROCHDALE,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Rochdale,
gemachtigde: mr. G.J.J. Lattig.




De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.



De zaak wordt behandeld door mr. R.H. Mulderije, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest als griffier.



Aanwezig zijn:
- aan de zijde van [eiser]: de moeder van [eiser], [naam 1], werkzaam voor Amsta, en mr. Van Zijll; - aan de zijde van [naam 2], [functie 1], [naam 3] en [naam 4], beiden [functie 2], en mr. Lattig.



Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.




Waar gaat de zaak over?




Deze zaak gaat over de vraag of de zoon, [eiser], de huurovereenkomst van zijn op 24 juni 2025 overleden vader met Rochdale mag voortzetten, zoals in conventie door hem gevorderd. [eiser], die niet als medehuurder moet worden aangemerkt in de zin van artikel 6:268 lid 1 BW, staat vanaf 22 november 2022 op het adres van de sociale huurwoning aan het [adres] ingeschreven. Hij stelt gemotiveerd dat hij met zijn vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 6:268 lid 2 BW. Rochdale betwist dit, wijzend op de afwijzingsgronden van artikel 7:268 lid 3 BW. Volgens Rochdale is in weerwil van hetgeen [eiser] ter onderbouwing van zijn vordering in het geding heeft gebracht, onvoldoende aangetoond dat sprake was van een wederkerige en duurzame gemeenschappelijke huishouding.



In reconventie vordert Rochdale – samengevat – veroordeling van [eiser] tot ontruiming en het verlaten van de woning binnen 5 dagen na betekening van het uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis.






1De gronden van de beslissing



In conventie




1.1.
De discussie tussen partijen richt zich op de vraag of sprake is geweest van een duurzaam gemeenschappelijke huishouding tussen [eiser] en zijn vader. Gelet op de leeftijd van [eiser] (38 jaar) en de omstandigheid dat hij naar de woning van zijn vader is teruggekeerd, is niet zonder meer sprake van een kind dat op zeker moment weer zal uitvliegen.



1.2.

[eiser] heeft zijn stellingen onderbouwd met de stelling dat hij van eind 2022 tot aan het overlijden van zijn vader in de woning heeft gewoond. Aanvankelijk omdat zijn relatie was stukgelopen en hij geen verblijfplaats had, maar al snel omdat hij als mantelzorger voor zijn vader kon fungeren. Toen dat laatste niet langer nodig was, is hij duurzaam en gemeenschappelijk blijven wonen met zijn vader. Ter onderbouwing daarvan heeft [eiser] verklaringen van derden overgelegd en gewezen op de maandelijkse bijdrage van € 150 in de kosten. Ook heeft hij vanaf het overlijden de huur zelf betaald. Dat is niet altijd op tijd gegaan, maar intussen met hulp van de bewindvoerder (die zijn financiën beheert) loopt dit goed, aldus steeds [eiser].



1.3.
Hiertegenover heeft Rochdale erop gewezen dat [eiser] in het verleden al meerdere keren voor enkele jaren bij zijn vader op dit adres heeft gewoond en dat hij telkens weer is weggegaan. Het is bovendien de vraag of hij er wel woont, gelet op de bevindingen van een huisbezoek dat door Rochdale is uitgevoerd, waarbij anderen dan [eiser] of zijn vader in de woning zijn aangetroffen. Verder wijst Rochdale op de verklaring van de moeder van [eiser] waarin zij stelt dat haar ex-man en zoon langere tijd bij haar verbleven. En daar komt bij dat een medewerker van Rochdale heeft verklaard dat de vader enkele malen bij haar is langsgekomen met een hulpvraag: hij wilde dat zijn zoon uit de woning vertrok, althans, hij zelf wilde graag zonder zijn zoon verhuizen naar een andere woning.



1.4.
Dat het niet de bedoeling was dat [eiser] bij zijn vader zou blijven wonen blijkt volgens Rochadele verder uit het voortdurend zoeken van [eiser] naar een andere huurwoning. In de periode van 22 november 2022 tot en met 21 april 2024 heeft hij op liefst 70 woningen gereageerd.



1.5.
Tot slot wijst Rochdale op de verplichte afwijzingsgronden van art 7:268 lid 3 BW. Een daarvan is het ontbreken van voldoende financiële draagkracht. Dat is hier aan de hand, gelet op de huurachterstand van € 2.164, wat neerkomt op een achterstand van bijna 4 huurtermijnen.



1.6.
Tegen de achtergrond van al hetgeen Rochdale heeft aangevoerd, heeft [eiser] onvoldoende kunnen aantonen dat sprake is geweest van een duurzame en gemeenschappelijke huishouding tussen hem en zijn vader in de zin van art 7:268 BW. Met name het vele reageren door [eiser] op mogelijke huurwoningen, het gegeven dat zijn vader kennelijk meerdere malen, en ook nog enkele maanden voor zijn overlijden, bij Rochdale heeft verzocht om een alternatieve huurwoning, omdat hij ergens anders zonder zijn zoon wilde wonen en het feit dat [eiser] onvoldoende financiële draagkracht toont, zijn hierbij redengevend. Dat de huurachterstand mogelijk deels dateert van de periode dat zijn vader nog leefde, maakt dit niet anders. Temeer nu hij zelf stelt dat hij toen een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn vader voerde. De door [eiser] overgelegde verklaringen leggen onvoldoende gewicht in de schaal, ook omdat deze te algemeen en weinig concreet zijn, en in twee gevallen zelfs identiek.



1.7.
Het voorgaande betekent dat de vordering in conventie wordt afgewezen.



1.8.
Het betekent ook dat [eiser] zonder recht of titel in de woning verblijft.



In reconventie





1.9.
Omdat, zoals hiervoor is overwogen, niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden van artikel 7:268 BW om de huur te mogen voortzetten, is de huurovereenkomst aan het einde van de zesde maand na het overlijden van de vader geëindigd, dus per 24 december 2025 (artikel 7:268 lid 6 BW). De door Rochdale gevorderde ontruiming wordt daarom toegewezen. De ontruimingstermijn zal worden gesteld op 1 oktober 2026. [eiser] wordt daarmee in de gelegenheid gesteld om gedurende een langere periode vervangende woonruimte te zoeken. Bij het bepalen van deze ontruimingstermijn heeft de kantonrechter de gestelde kwetsbaarheid van [eiser] en zijn belangen meegewogen. Ook het belang dat [eiser] heeft bij de zorg voor zijn drie kinderen zijn daarbij betrokken. De begeleider van [eiser], de heer [naam 1], heeft overigens eerst ter zitting gesteld dat [eiser] deze kinderen heeft en dat deze [eiser] twee keer in de maand een weekend komen bezoeken. Dat deze drie tieners dan evenwel bij [eiser] in de woning van 33 m2 met één slaapkamer zouden verblijven, is niet aannemelijk. In zoverre is het belang van de kinderen in de beoordeling beperkt meegewogen.



1.10.
De eveneens door Rochdale gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad zal worden afgewezen. Op grond van artikel 7:268 lid 2 BW heeft een medebewoner het recht om in de woning te verblijven, totdat onherroepelijk is beslist op zijn tijdige vordering tot voortzetting van de huur ingevolge deze bepaling. Hieruit vloeit voort dat een ontruimingsveroordeling die in dit verband wordt uitgesproken, in beginsel niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Dit kan in uitzonderlijke gevallen anders zijn, bijvoorbeeld wanneer sprake is van misbruik van recht. Daarvan is hier geen sprake. Het door Rochdale geopperde vermoeden dat [eiser] niet eens in de woning verblijft en deze zou onderverhuren, heeft in deze procedure onvoldoende handen en voeten gekregen om anders te oordelen. Het belang van [eiser] om zijn zaak eventueel in hoger beroep aan het hof voor te leggen zonder dat de situatie onomkeerbaar in zijn nadeel is veranderd, weegt hier zwaarder dan het belang van de andere woningzoekenden waar Rochdale voor opkomt.



Proceskosten in conventie en in reconventie





1.11.

[eiser] is in conventie en in reconventie in het ongelijk gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief de nakosten) van Rochdale in deze procedure.



1.12.
De proceskosten van Rochdale in conventie worden begroot op:









- salaris gemachtigde


€


434,00


(2 punten × € 217,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


578,00











1.13.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden de proceskosten in reconventie op nihil gesteld.



1.14.
De proceskostenveroordeling zal wel uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.






2De beslissing


De kantonrechter



in conventie



2.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,



2.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 578,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



2.3.
verklaart deze beslissing wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,


in reconventie




2.4.
veroordeelt [eiser] de woning aan [adres] na betekening en uiterlijk op 1 oktober 2026 van dit proces-verbaal met de daarin vanwege hem aanwezige goederen en personen te verlaten, met afgifte van de sleutels aan Rochdale en al hetgeen tot de woning behoort ter vrije en algehele beschikking van Rochdale te stellen,



2.5.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op heden begroot op nihil,



2.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.



Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. R.H. Mulderije en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.










Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.
57170