Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:6999
2026-02-05
Strafrecht
13-268222-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden voor het vervoeren en aanwezig hebben van 1.507,80 gram van een materiaal bevattende cocaïne. De rechtbank leidt uit de in het vonnis genoemde feiten en omstandigheden af dat verdachte wist dat er een aanmerkelijke kans was dat er drugs in de tas zou zitten en hij deze kans bewust heeft aanvaard.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.423 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13-268222-25
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Willemsen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
het op 11 oktober 2025 in Diemen opzettelijk en in vereniging vervoeren en aanwezig hebben van ongeveer 2.028,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt dat kan worden bewezen dat verdachte 2.028,5 gram cocaïne heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad. Er is op zijn minst sprake van voorwaardelijk opzet. Nu de zaak van de medeverdachte is geseponeerd dient verdachte partieel te worden vrijgesproken van het medeplegen. Van een vormverzuim bij de doorzoeking van de auto en daaropvolgende aanhouding is geen sprake omdat een verdenking bestond van een strafbaar feit, namelijk wapenbezit. Er was dus een gegronde reden om het voertuig te doorzoeken. Vervolgens is de politie gestuit op de drugs en werd de verdenking uitgebreid. Van bewijsuitsluiting kan dus geen sprake zijn. De hoeveelheid drugs die is getest is representatief voor de inhoud van alle aangetroffen zakken. De inhoud van de zakken lijkt op elkaar zodat ervan kan worden uitgegaan dat alle zakken cocaïne bevatten. Bovendien is de inhoud van alle zakken indicatief getest waaruit volgde dat de zakken cocaïne bevatten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim omdat de auto van verdachte onrechtmatig is doorzocht. De verbalisanten hebben verklaard dat zij een wapen zagen en om die reden de betrokkenen staande hielden om hen te fouilleren en de auto te doorzoeken, maar deze verdenking bleek niet te kloppen. Er werd geen wapen aangetroffen zodat er ook geen grond was voor verdere doorzoeking van de auto. Alles wat daarna is aangetroffen is een vrucht van de onrechtmatige doorzoeking en moet worden uitgesloten van het bewijs. Dat betekent dat verdachte moet worden vrijgesproken.
Mocht de rechtbank dit anders zien dan stelt de raadsman zich op het standpunt dat verdachte niet wist dat er harddrugs in de tas zaten. Op basis van het procesdossier is niet vast te stellen dat verdachte kon weten dat er harddrugs in de tas zaten. Dat er een weegschaal in de tas zat zegt niet dat het hier om drugs ging. Verdachte dacht dat het om specerijen ging. Dat in de tas ook een weegschaal zat past daarbij. Specerijen zijn immers bestemd om mee te koken, een weegschaal is een keukenhulpmiddel. De inhoud van de zakjes hebben ook niet het kenmerkende uiterlijk van cocaïne. Dat verdachte dit aanzag voor specerijen wekt dan ook geen verwondering. Verder geldt dat verdachte geen ervaring heeft met cocaïne. De beweerdelijke chemische geur die van de drugs afkwam werd door verdachte dan ook niet in verband gebracht met cocaïne. Dit kon ook niet van hem verwacht worden. Van opzet op het vervoeren van de cocaïne was dus geen sprake, ook niet in voorwaardelijke zin, zodat verdachte moet worden vrijgesproken.
Meer subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat niet duidelijk is dat het gaat om zuivere cocaïne. Niet alle zakken zijn getest op cocaïne zodat niet kan worden vastgesteld dat alle vijf de zakken cocaïne bevatten. De zakken die zijn getest verschillen qua gewicht en inhoud. De geteste zakken zijn dus niet representatief voor alle zakken.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Ten aanzien van de rechtmatigheid van de doorzoeking van de auto
Op grond van artikel 96b eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de opsporingsambtenaar bevoegd, in geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv, een vervoermiddel te doorzoeken en zich daartoe de toegang tot dit vervoermiddel te verschaffen. De rechtbank moet dus de vraag beantwoorden of – en zo ja, wanneer – ten aanzien van verdachte een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond.
Uit het dossier volgt dat verbalisanten op 11 oktober 2025 een geparkeerde Volkswagen Polo zagen staan met twee inzittenden. Verdachte was de bestuurder van deze auto. Na bevraging in het politiesysteem volgt dat er meerdere mutaties op het voertuig stonden en dat de auto mogelijk werd gebruikt bij de handel in verdovende middelen. Vanwege die informatie heeft de verbalisant een collega gevraagd positie in te nemen met vrij zicht op de Volkswagen. De verbalisanten zien dan dat verdachte in de richting van een zwartkleurige auto loopt, die vlak achter hem staat geparkeerd en instapt aan de bijrijderskant. Na een paar minuten loopt verdachte terug naar de Volkswagen Polo en blijft aan de bijrijderskant staan. Verdachte hield hierbij een zwart voorwerp in zijn handen waarvan de verbalisant vermoedde dat dit een vuurwapen betrof. Vervolgens zijn alle drie de personen staande gehouden en is hen medegedeeld dat uitlevering werd gevorderd van aanwezige wapens en drugs. Hierna is tot doorzoeking van beide auto’s overgegaan.
Gelet op het feit dat het voertuig van verdachte in verband werd gebracht met eerdere handel in verdovende middelen en verbalisanten dachten te zien dat verdachte na het verlaten van de zwarte auto een wapen in zijn handen had, bestond er ten tijde van de staande houding een gerechtvaardigd vermoeden dat verdachte zich schuldig maakte aan het plegen van een strafbaar feit. Daarmee zijn de voorwaarden waaronder een doorzoeking is geoorloofd vervuld en is de doorzoeking (en de daaropvolgende aanhouding) rechtmatig. Dat tijdens de doorzoeking vervolgens verdovende middelen werden aangetroffen en geen wapen maakt dit, anders dan door de verdediging wordt gesteld, niet anders. Aan de voorwaarden voor doorzoeking werd immers voldaan. De rechtbank gaat evenmin mee in de stelling van de verdediging dat toen de verbalisanten geen wapen aantroffen door hen is doorgezocht en dat toen pas de drugs werd gevonden. De drugs lagen in een zak op de achterbank, direct in het zicht van de verbalisanten, terwijl uit die zak een penetrante chemische geur kwam. Deze zak werd bij de doorzoeking onmiddellijk opgemerkt. Dat door verbalisanten gericht zou zijn doorgezocht volgt dus niet uit het dossier.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat hier geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en zal daarom de aangetroffen cocaïne niet uitsluiten van het bewijs.
3.3.2.
Bewezenverklaring
De rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoer van een materiaal bevattende cocaïne en overweegt hiertoe als volgt.
Opzet
In een tas op de achterbank van de auto waar verdachte de bestuurder van was is een tas aangetroffen met vijf zakken met brokken en poeder en een weegschaal. Een deel van de inhoud is getest door het Nederlands Forensisch Instituut en bevat cocaïne.
De rechtbank constateert dat verdachte de bestuurder was van de auto. Naast hem zat de medeverdachte. De zaak tegen medeverdachte is geseponeerd en verdachte heeft over hem verklaard dat hij ‘er niets mee te maken heeft’. Op de achterbank van de auto lag een tas met daarin een grote hoeveelheid cocaïne met een aanzienlijke straatwaarde. Er kwam een penetrante chemische geur uit de tas. Verdachte heeft ontkend dat hij wist van de cocaïne in de tas. Hij heeft aangegeven dat de tas niet van hem was, maar dat hij deze op verzoek van een bekende die hij die dag toevallig was tegengekomen, moest bewaren. Hij zou hem later die dag weer zien en dan zou hij de tas teruggeven. Hij heeft in de tas gekeken en dacht dat er specerijen in de tas zaten. De in de tas aangetroffen weegschaal koppelde hij aan (het gebruik van) de specerijen. De chemische geur was verdachte, ondanks dat hij de tas heeft geopend, niet opgevallen.
De rechtbank acht deze verklaring onvoldoende concreet. Verdachte heeft desgevraagd niet willen verklaren van wie hij de tas heeft ontvangen, hoe lang hij deze moest bewaren en waar hij de tas uiteindelijk weer moest afleveren. Bovendien heeft de (aanvankelijke) medeverdachte verklaard dat de tas al in de auto lag toen zij eerder op de dag instapten. Dit
maakt de verklaring van verdachte over de toevallige ontmoeting en in bewaring neming van de tas, niet aannemelijk. Verder heeft verdachte wisselende verklaringen afgelegd over de inhoud van de tas. Zo heeft hij bij zijn aanhouding verklaard dat er stukjes glas in de tas zouden zitten. Later verklaarde hij dat hij de tas die dag zou hebben gekregen van een bekende om te bewaren en dat hij dacht dat er specerijen in de tas zaten. Dat iemand verdachte een dergelijke hoeveelheid harddrugs zou toevertrouwen zonder zijn medeweten en zonder daar een vergoeding tegenover te stellen, is gelet op de grote waarde van de drugs, daarnaast niet aannemelijk en onwaarschijnlijk. Evenmin is aannemelijk dat verdachte daadwerkelijk dacht dat het om specerijen ging. Het ging op vijf verschillende zakken met substanties erin, inclusief weegschaaltje en kenmerkende chemische geur van drugs.
Uit de bovengenoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte wist dat er een aanmerkelijke kans was dat er drugs in de tas zou zitten en dat hij deze kans bewust heeft aanvaard. Omdat hij met de auto met de drugs in de tas heeft gereden heeft hij voorwaardelijk opzet gehad op het vervoer en de aanwezigheid van de drugs.
Hoeveelheid cocaïne
De rechtbank stelt vast dat er vijf zakken in de auto zijn aangetroffen waarvan twee zakken, met een totaal gewicht van 1.507,80 gram, positief zijn getest op cocaïne. In het procesdossier zitten foto’s van alle zakken die zijn aangetroffen. Hieruit blijkt dat de zakken een verschillend gewicht hebben en dat de inhoud van de drie niet geteste zakken niet geheel gelijkend is aan de inhoud van de twee zakken die zijn getest. Zo verschilt de kleur, de structuur en het gewicht per zak. Gelet hierop kan de rechtbank niet vaststellen dat de monsters van de twee van de vijf zakken representatief zijn voor alle zakken. De rechtbank gaat dan ook uit van het vervoer en het aanwezig hebben van 1.507,80 gram van een materiaal bevattende cocaïne en spreekt verdachte partieel vrij van het vervoer en aanwezig hebben van 520,70 gram.
Vrijspraak medeplegen
De rechtbank kan op basis van de stukken in het dossier niet vaststellen dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met een ander de verdovende middelen heeft vervoerd en aanwezig gehad en spreekt verdachte hiervan dan ook partieel vrij.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 11 oktober 2025 te Diemen, opzettelijk heeft vervoerd en aanwezig gehad, 1.507,80 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
5De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7Motivering van de straf
7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie vorder dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden met aftrek van het voorarrest.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een bewezenverklaring het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf moet worden beperkt tot de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Verdachte is een first offender en in vergelijkbare zaken worden lagere straffen opgelegd.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren en aanwezig hebben van 1.507,80 gram van een materiaal bevattende cocaïne met een forse straatwaarde. Drugs vormen in het algemeen een gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de ermee gepaard gaande (ernstige) vormen van criminaliteit. Verdachte heeft hiermee bijgedragen aan het in stand houden van de handel hiervan en daarmee van de criminaliteit.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 17 december 2025. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
Strafoplegging
Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor de bewezen verklaarde feiten gekeken naar deze oriëntatiepunten. Voor het vervoeren van 1500-2000 gram harddrugs is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. De rechtbank ziet aanleiding om hiervan af te wijken nu het gewicht aan de ondergrens zit. De rechtbank zal aan verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist nu het vervoeren en aanwezig hebben van een kleinere hoeveelheid harddrugs bewezen is verklaard.
Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
8. Ten aanzien van het beslag
Onder verdachte is het volgende in beslag genomen:
4. 222 GR verdovende Middelen, goednummer 6721774;
5. 216 GR verdovende middelen, goednummer 6721776;
6. 265 GR verdovende middelen, goednummer 6721778;
7. 50 GR verdovende middelen, goednummer 6721779;
8. 1.274 GR verdovende middelen, goednummer 6721780.
De inbeslaggenomen voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezenverklaarde is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
10Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Beslag
Onttrekt aan het verkeer:
4. 222 GR verdovende Middelen, goednummer 6721774;
5. 216 GR verdovende middelen, goednummer 6721776;
6. 265 GR verdovende middelen, goednummer 6721778;
7. 50 GR verdovende middelen, goednummer 6721779;
8. 1.274 GR verdovende middelen, goednummer 6721780.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mr. A.L. op ‘t Hoog en mr. D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Beek, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 februari 2026.
[...]
[...]
1 [...]
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13-268222-25
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Willemsen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
het op 11 oktober 2025 in Diemen opzettelijk en in vereniging vervoeren en aanwezig hebben van ongeveer 2.028,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt dat kan worden bewezen dat verdachte 2.028,5 gram cocaïne heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad. Er is op zijn minst sprake van voorwaardelijk opzet. Nu de zaak van de medeverdachte is geseponeerd dient verdachte partieel te worden vrijgesproken van het medeplegen. Van een vormverzuim bij de doorzoeking van de auto en daaropvolgende aanhouding is geen sprake omdat een verdenking bestond van een strafbaar feit, namelijk wapenbezit. Er was dus een gegronde reden om het voertuig te doorzoeken. Vervolgens is de politie gestuit op de drugs en werd de verdenking uitgebreid. Van bewijsuitsluiting kan dus geen sprake zijn. De hoeveelheid drugs die is getest is representatief voor de inhoud van alle aangetroffen zakken. De inhoud van de zakken lijkt op elkaar zodat ervan kan worden uitgegaan dat alle zakken cocaïne bevatten. Bovendien is de inhoud van alle zakken indicatief getest waaruit volgde dat de zakken cocaïne bevatten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim omdat de auto van verdachte onrechtmatig is doorzocht. De verbalisanten hebben verklaard dat zij een wapen zagen en om die reden de betrokkenen staande hielden om hen te fouilleren en de auto te doorzoeken, maar deze verdenking bleek niet te kloppen. Er werd geen wapen aangetroffen zodat er ook geen grond was voor verdere doorzoeking van de auto. Alles wat daarna is aangetroffen is een vrucht van de onrechtmatige doorzoeking en moet worden uitgesloten van het bewijs. Dat betekent dat verdachte moet worden vrijgesproken.
Mocht de rechtbank dit anders zien dan stelt de raadsman zich op het standpunt dat verdachte niet wist dat er harddrugs in de tas zaten. Op basis van het procesdossier is niet vast te stellen dat verdachte kon weten dat er harddrugs in de tas zaten. Dat er een weegschaal in de tas zat zegt niet dat het hier om drugs ging. Verdachte dacht dat het om specerijen ging. Dat in de tas ook een weegschaal zat past daarbij. Specerijen zijn immers bestemd om mee te koken, een weegschaal is een keukenhulpmiddel. De inhoud van de zakjes hebben ook niet het kenmerkende uiterlijk van cocaïne. Dat verdachte dit aanzag voor specerijen wekt dan ook geen verwondering. Verder geldt dat verdachte geen ervaring heeft met cocaïne. De beweerdelijke chemische geur die van de drugs afkwam werd door verdachte dan ook niet in verband gebracht met cocaïne. Dit kon ook niet van hem verwacht worden. Van opzet op het vervoeren van de cocaïne was dus geen sprake, ook niet in voorwaardelijke zin, zodat verdachte moet worden vrijgesproken.
Meer subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat niet duidelijk is dat het gaat om zuivere cocaïne. Niet alle zakken zijn getest op cocaïne zodat niet kan worden vastgesteld dat alle vijf de zakken cocaïne bevatten. De zakken die zijn getest verschillen qua gewicht en inhoud. De geteste zakken zijn dus niet representatief voor alle zakken.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Ten aanzien van de rechtmatigheid van de doorzoeking van de auto
Op grond van artikel 96b eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de opsporingsambtenaar bevoegd, in geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv, een vervoermiddel te doorzoeken en zich daartoe de toegang tot dit vervoermiddel te verschaffen. De rechtbank moet dus de vraag beantwoorden of – en zo ja, wanneer – ten aanzien van verdachte een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond.
Uit het dossier volgt dat verbalisanten op 11 oktober 2025 een geparkeerde Volkswagen Polo zagen staan met twee inzittenden. Verdachte was de bestuurder van deze auto. Na bevraging in het politiesysteem volgt dat er meerdere mutaties op het voertuig stonden en dat de auto mogelijk werd gebruikt bij de handel in verdovende middelen. Vanwege die informatie heeft de verbalisant een collega gevraagd positie in te nemen met vrij zicht op de Volkswagen. De verbalisanten zien dan dat verdachte in de richting van een zwartkleurige auto loopt, die vlak achter hem staat geparkeerd en instapt aan de bijrijderskant. Na een paar minuten loopt verdachte terug naar de Volkswagen Polo en blijft aan de bijrijderskant staan. Verdachte hield hierbij een zwart voorwerp in zijn handen waarvan de verbalisant vermoedde dat dit een vuurwapen betrof. Vervolgens zijn alle drie de personen staande gehouden en is hen medegedeeld dat uitlevering werd gevorderd van aanwezige wapens en drugs. Hierna is tot doorzoeking van beide auto’s overgegaan.
Gelet op het feit dat het voertuig van verdachte in verband werd gebracht met eerdere handel in verdovende middelen en verbalisanten dachten te zien dat verdachte na het verlaten van de zwarte auto een wapen in zijn handen had, bestond er ten tijde van de staande houding een gerechtvaardigd vermoeden dat verdachte zich schuldig maakte aan het plegen van een strafbaar feit. Daarmee zijn de voorwaarden waaronder een doorzoeking is geoorloofd vervuld en is de doorzoeking (en de daaropvolgende aanhouding) rechtmatig. Dat tijdens de doorzoeking vervolgens verdovende middelen werden aangetroffen en geen wapen maakt dit, anders dan door de verdediging wordt gesteld, niet anders. Aan de voorwaarden voor doorzoeking werd immers voldaan. De rechtbank gaat evenmin mee in de stelling van de verdediging dat toen de verbalisanten geen wapen aantroffen door hen is doorgezocht en dat toen pas de drugs werd gevonden. De drugs lagen in een zak op de achterbank, direct in het zicht van de verbalisanten, terwijl uit die zak een penetrante chemische geur kwam. Deze zak werd bij de doorzoeking onmiddellijk opgemerkt. Dat door verbalisanten gericht zou zijn doorgezocht volgt dus niet uit het dossier.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat hier geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en zal daarom de aangetroffen cocaïne niet uitsluiten van het bewijs.
3.3.2.
Bewezenverklaring
De rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoer van een materiaal bevattende cocaïne en overweegt hiertoe als volgt.
Opzet
In een tas op de achterbank van de auto waar verdachte de bestuurder van was is een tas aangetroffen met vijf zakken met brokken en poeder en een weegschaal. Een deel van de inhoud is getest door het Nederlands Forensisch Instituut en bevat cocaïne.
De rechtbank constateert dat verdachte de bestuurder was van de auto. Naast hem zat de medeverdachte. De zaak tegen medeverdachte is geseponeerd en verdachte heeft over hem verklaard dat hij ‘er niets mee te maken heeft’. Op de achterbank van de auto lag een tas met daarin een grote hoeveelheid cocaïne met een aanzienlijke straatwaarde. Er kwam een penetrante chemische geur uit de tas. Verdachte heeft ontkend dat hij wist van de cocaïne in de tas. Hij heeft aangegeven dat de tas niet van hem was, maar dat hij deze op verzoek van een bekende die hij die dag toevallig was tegengekomen, moest bewaren. Hij zou hem later die dag weer zien en dan zou hij de tas teruggeven. Hij heeft in de tas gekeken en dacht dat er specerijen in de tas zaten. De in de tas aangetroffen weegschaal koppelde hij aan (het gebruik van) de specerijen. De chemische geur was verdachte, ondanks dat hij de tas heeft geopend, niet opgevallen.
De rechtbank acht deze verklaring onvoldoende concreet. Verdachte heeft desgevraagd niet willen verklaren van wie hij de tas heeft ontvangen, hoe lang hij deze moest bewaren en waar hij de tas uiteindelijk weer moest afleveren. Bovendien heeft de (aanvankelijke) medeverdachte verklaard dat de tas al in de auto lag toen zij eerder op de dag instapten. Dit
maakt de verklaring van verdachte over de toevallige ontmoeting en in bewaring neming van de tas, niet aannemelijk. Verder heeft verdachte wisselende verklaringen afgelegd over de inhoud van de tas. Zo heeft hij bij zijn aanhouding verklaard dat er stukjes glas in de tas zouden zitten. Later verklaarde hij dat hij de tas die dag zou hebben gekregen van een bekende om te bewaren en dat hij dacht dat er specerijen in de tas zaten. Dat iemand verdachte een dergelijke hoeveelheid harddrugs zou toevertrouwen zonder zijn medeweten en zonder daar een vergoeding tegenover te stellen, is gelet op de grote waarde van de drugs, daarnaast niet aannemelijk en onwaarschijnlijk. Evenmin is aannemelijk dat verdachte daadwerkelijk dacht dat het om specerijen ging. Het ging op vijf verschillende zakken met substanties erin, inclusief weegschaaltje en kenmerkende chemische geur van drugs.
Uit de bovengenoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte wist dat er een aanmerkelijke kans was dat er drugs in de tas zou zitten en dat hij deze kans bewust heeft aanvaard. Omdat hij met de auto met de drugs in de tas heeft gereden heeft hij voorwaardelijk opzet gehad op het vervoer en de aanwezigheid van de drugs.
Hoeveelheid cocaïne
De rechtbank stelt vast dat er vijf zakken in de auto zijn aangetroffen waarvan twee zakken, met een totaal gewicht van 1.507,80 gram, positief zijn getest op cocaïne. In het procesdossier zitten foto’s van alle zakken die zijn aangetroffen. Hieruit blijkt dat de zakken een verschillend gewicht hebben en dat de inhoud van de drie niet geteste zakken niet geheel gelijkend is aan de inhoud van de twee zakken die zijn getest. Zo verschilt de kleur, de structuur en het gewicht per zak. Gelet hierop kan de rechtbank niet vaststellen dat de monsters van de twee van de vijf zakken representatief zijn voor alle zakken. De rechtbank gaat dan ook uit van het vervoer en het aanwezig hebben van 1.507,80 gram van een materiaal bevattende cocaïne en spreekt verdachte partieel vrij van het vervoer en aanwezig hebben van 520,70 gram.
Vrijspraak medeplegen
De rechtbank kan op basis van de stukken in het dossier niet vaststellen dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met een ander de verdovende middelen heeft vervoerd en aanwezig gehad en spreekt verdachte hiervan dan ook partieel vrij.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 11 oktober 2025 te Diemen, opzettelijk heeft vervoerd en aanwezig gehad, 1.507,80 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
5De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7Motivering van de straf
7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie vorder dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden met aftrek van het voorarrest.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een bewezenverklaring het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf moet worden beperkt tot de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Verdachte is een first offender en in vergelijkbare zaken worden lagere straffen opgelegd.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren en aanwezig hebben van 1.507,80 gram van een materiaal bevattende cocaïne met een forse straatwaarde. Drugs vormen in het algemeen een gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de ermee gepaard gaande (ernstige) vormen van criminaliteit. Verdachte heeft hiermee bijgedragen aan het in stand houden van de handel hiervan en daarmee van de criminaliteit.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 17 december 2025. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
Strafoplegging
Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor de bewezen verklaarde feiten gekeken naar deze oriëntatiepunten. Voor het vervoeren van 1500-2000 gram harddrugs is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. De rechtbank ziet aanleiding om hiervan af te wijken nu het gewicht aan de ondergrens zit. De rechtbank zal aan verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist nu het vervoeren en aanwezig hebben van een kleinere hoeveelheid harddrugs bewezen is verklaard.
Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
8. Ten aanzien van het beslag
Onder verdachte is het volgende in beslag genomen:
4. 222 GR verdovende Middelen, goednummer 6721774;
5. 216 GR verdovende middelen, goednummer 6721776;
6. 265 GR verdovende middelen, goednummer 6721778;
7. 50 GR verdovende middelen, goednummer 6721779;
8. 1.274 GR verdovende middelen, goednummer 6721780.
De inbeslaggenomen voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezenverklaarde is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
10Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Beslag
Onttrekt aan het verkeer:
4. 222 GR verdovende Middelen, goednummer 6721774;
5. 216 GR verdovende middelen, goednummer 6721776;
6. 265 GR verdovende middelen, goednummer 6721778;
7. 50 GR verdovende middelen, goednummer 6721779;
8. 1.274 GR verdovende middelen, goednummer 6721780.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mr. A.L. op ‘t Hoog en mr. D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Beek, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 februari 2026.
[...]
[...]
1 [...]