Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:6970
2026-07-08
Strafrecht
13/077502-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verkrachting van een 15-jarig meisje bewezen. Vrijspraak strafverzwarende omstandigheid 'dwang'. Avas verweer slaagt niet. Gevangenisstraf van 18 maanden. BEM-clausule.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (34.352 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/077502-25 Parketnummer vordering tul: 15/181124-23
Datum uitspraak: 8 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1996,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J. Smilde, en van wat de gemachtigd raadsvrouw van verdachte, mr. C.E. Dijkhuis, naar voren heeft gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij 1] , en de toelichting op die vordering door mr. F.J.M. Hamers.
2Tenlastelegging
Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij zich op 23 november 2024, ten aanzien van de destijds 15 jarige [benadeelde partij 1] , heeft schuldig gemaakt aan (gekwalificeerde) verkrachting, in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren. Artikel 248, lid 1 en 2, van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren. Verdachte moet worden vrijgesproken van de strafverzwarende omstandigheid ‘dwang’, omdat het dossier daarvoor onvoldoende aanknopingspunten biedt.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte erkent dat hij seks heeft gehad met aangeefster, maar dat dit is gebeurd met wederzijdse instemming.
Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat de verklaring van aangeefster onbetrouwbaar is, omdat haar verklaring meerdere innerlijke tegenstrijdigheden bevat. Zo heeft zij in eerste instantie verklaard dat verdachte wist dat ze 15 jaar oud was, terwijl zij verder in het verhoor verklaard heeft dat ze het niet meer zeker weet. Daarnaast heeft aangeefster verklaard dat verdachte de deur open deed met een mes in zijn handen, haar binnen liet en de deur achter haar op slot draaide en dat zij op meerdere momenten weg wilde. Dit is tegenstrijdig met haar verklaring dat zij kort daarop samen naar buiten zijn gegaan om drank te halen, omdat dit moment haar de mogelijkheid bood om weg te lopen.
Het dossier bevat daarnaast geen steunbewijs voor de verklaring van aangeefster, zodat ook niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het aangetroffen DNA-materiaal van verdachte is daarvoor onvoldoende, omdat verdachte erkent dat sprake is geweest van seksuele handelingen.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de strafverzwarende omstandigheid ‘dwang, geweld en/of bedreiging’, omdat objectief steunbewijs ontbreekt.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
4.3.1.1. De verklaring van aangeefster
In het informatief gesprek zeden heeft aangeefster verklaard dat zij rond 20 november 2024, via [naam platform] (toevoeging rechtbank: later blijkt [naam platform] , in contact kwam met ene [de verdachte] . De gesprekken gingen over op Snapchat. [de verdachte] zei dat hij 21 jaar oud was en later zei hij dat hij 28 jaar oud was. Aangeefster heeft verteld dat ze 15 jaar oud is en niet eerder seks heeft gehad. De gesprekken waren seksueel getint, zowel van haar kant als die van verdachte. [de verdachte] heeft op 23 november 2024 een taxi gestuurd naar de woning van aangeefster. Aangeefster is ingestapt. In Amsterdam aangekomen vond ze het spannend. Ze is samen met [de verdachte] naar de Aldi gegaan om Red Bull, wijn en bier te kopen. Bij [de verdachte] hebben ze geblowd en heeft aangeefster wat slokjes alcohol gedronken. Ze werd er duizelig van. Aangeefster heeft [de verdachte] gepijpt. [de verdachte] heeft haar borsten gelikt en heeft met zijn piemel haar vagina en anus gepenetreerd. Er is geen condoom gebruikt. Vervolgens zijn ze in slaap gevallen. Daarna gaf aangeefster aan dat ze naar huis wilde. [de verdachte] heeft de trein betaald voor aangeefster.
Aangeefster is geboren op [geboortedag 2] 2009.
In het verhoor getuige op 5 december 2024 heeft aangeefster aanvullend het volgende verklaard. We hebben een dag of drie contact gehad via Snapchat. Op 23 november 2024 ben ik naar Amsterdam gegaan in een taxi. In de taxi zag ik de naam ‘ [de verdachte] ’ op het schermpje staan. Verdachte heeft de taxirit betaald.
We zijn naar de Aldi gegaan om wijn, bier en Red Bull te kopen. We hebben wat gedronken en geblowd. We gingen liggen en toen begon hij mij aan te raken. Vanaf daar ging het verder. Hij raakte mijn billen aan en gaf kusjes in mijn nek. Hij raakte mij onder mijn kleding aan. Hij trok mijn rok omhoog en ging mij toen vingeren. Hij deed mijn ondergoed uit. Het deed een beetje pijn en het voelde raar. Hij ging met zijn piemel in mijn vagina.
Hij deed mijn hoofd omlaag naar zijn piemel. Toen ging ik hem pijpen en daarna heb ik gekotst. Hij ging te ver naar binnen. Hij duwde met zijn piemel en zijn handen zaten op mijn hoofd. Daarna zijn we van positie gewisseld. Ik ging op mijn rug liggen met mijn benen open. Hij ging toen met zijn piemel in mijn vagina. Daarna haalde hij zijn piemel uit mijn vagina en ging zich aftrekken. Hij was klaargekomen. Er kwam sperma op mijn gezicht en trui.
Zijn piemel is in mijn vagina, mond en in mijn kont geweest. Op het moment dat hij in mijn kont kwam, lag ik op mijn knieën met mijn billen omhoog. Dat deed echt pijn. Hij deed het gewoon.
Rond 18:45 uur ging ik naar huis. Verdachte heeft mij afgezet op station [naam station] .
4.3.1.2. Forensisch medisch onderzoek (FMO)
Op 26 november 2024 is ten aanzien van [benadeelde partij 1] een Forensisch Medisch Onderzoek ingesteld. De forensisch arts heeft verschillende bemonsteringen van het lichaam van [benadeelde partij 1] veiliggesteld met behulp van de zedenbemonsteringset: ZAAE3723NL.
Uit het rapport van ‘The Maastricht Forensic Institute’ (TMFI) blijkt dat in de binnenste schaamlippen (ZAAE3723NL#03SF) en diep vaginaal (ZAAE3723NL#04SF) een DNA-mengprofiel is aangetroffen van minimaal twee donoren. Uit dit mengprofiel is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man, waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. Voor beide sporen geldt dat dat de mogelijke donor van het aangetroffen hoofdprofiel verdachte is.
4.3.2.
Beoordeling van het ten laste gelegde
4.3.2.1. Betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster
De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster. Zij heeft op 23 november 2024, direct na thuiskomst, ten overstaan van haar ouders in detail verklaard over wat haar is overkomen. Meteen de volgende dag heeft aangeefster in het informatief gesprek zeden uitgebreid en in grote lijnen verklaard over de seksuele handelingen die verdachte met haar heeft verricht. Vervolgens heeft zij op 5 december 2024 aanvullend op het informatief gesprek, zeer uitgebreid en op detailniveau verklaard over het incident. Aangeefster heeft over de seksuele handelingen consistent en op specifieke punten gedetailleerd verklaard. De rechtbank acht gelet op het voorgaande de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
4.3.2.2. Steunbewijs
Voldoende steunbewijs
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster in voldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) wordt voldaan.
Uit de hiervoor in rubriek 4.3.1. beschreven feiten en omstandigheden blijkt dat bij aangeefster, in de binnenste schaamlippen en diep vaginaal, een DNA-hoofdprofiel is aangetroffen met een frequentie van voorkomen kleiner dan één op één miljard dat mogelijk van verdachte is. De rechtbank concludeert op basis van de frequentie van voorkomen dat dit het DNA-profiel van verdachte betreft. Dat is steunbewijs voor de verklaring van aangeefster. Daarnaast ontkent verdachte ook niet, zoals is betoogd door zijn raadsvrouw, dat hij seks heeft gehad met [benadeelde partij 1] . Ook dit standpunt biedt steun aan de verklaring van aangeefster dat verdachte en aangeefster seksueel contact hebben gehad.
Nadere overweging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de DNA-match en de verklaring van verdachte niet als steunbewijs kunnen dienen, omdat aangeefster heeft ingestemd met de seksuele handelingen. De rechtbank verwerpt dit verweer om de volgende reden.
Op grond van artikel 248 lid 1 Sr is schuldig aan verkrachting: “degene die met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren seksuele handelingen verricht, welke handelingen bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam”. Het uitgangspunt van de Wet seksuele misdrijven is, volgens de Memorie van Toelichting, dat seksueel contact vrijwillig en gelijkwaardig is. De strafbepaling heeft ook de strekking jeugdigen te beschermen tegen verleiding, die mede van hen zelf kan uitgaan. Het doet er dus niet toe of de seksuele handelingen, al dan niet, met wederzijdse instemming hebben plaatsgevonden. Het verrichten van seksuele handelingen door een volwassene, met een minderjarige, is verboden. Ook is in het onderhavige geval geen sprake van een gelijkwaardige situatie, gelet op het grote leeftijdsverschil (van 13 jaar) tussen verdachte en aangeefster.
4.3.2.3 Bewezenverklaring
Op grond van de betrouwbaar geachte verklaring van aangeefster en het hierboven beschreven steunbewijs acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 23 november 2024, met de destijds 15 jarige [benadeelde partij 1] , seksuele handelingen heeft verricht die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [benadeelde partij 1] . Zoals opgenomen in de bewezenverklaring in rubriek 5.
4.3.2.4. Vrijspraak strafverzwarende omstandigheid ‘dwang, geweld en/of bedreiging’
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid ‘dwang, geweld en/of bedreiging’ bewezen kan worden. Met de officier van justitie en de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat verdachte van dit onderdeel moet worden vrijgesproken.
De rechtbank vindt de verklaring van aangeefster over het op slot draaien van de deur en het door verdachte bewegen van haar hoofd naar de penis van verdachte, onvoldoende om op basis daarvan te concluderen dat er sprake was van dwang, geweld of bedreiging met geweld. Ten aanzien van het op slot draaien van de deur geldt dat aangeefster ook verklaart dat zij nadat de deur kennelijk op slot was gedraaid en er nog geen seks had plaatsgevonden, samen naar buiten naar de supermarkt zijn gegaan om drinken te kopen. Ook heeft verdachte haar op haar eerste verzoek naar station [naam station] gebracht toen zij aangaf naar huis te willen. Het op enig moment op slot draaien van de deur is in dat licht onvoldoende voor het aannemen van dwang. Ten aanzien van het bewegen van haar hoofd naar zijn penis geldt dat uit haar verklaring en het verdere dossier onvoldoende blijkt dat deze handeling met dusdanige kracht of dwang is gebeurd dat dit niet valt onder de seksuele interactie die plaatsvond. Uit het dossier volgt bijvoorbeeld niet dat dit met veel kracht is gebeurd, dat aangeefster er letsel aan heeft overgehouden of er andere omstandigheden waren waaruit kan worden afgeleid dat dit met veel kracht is gegaan zodat dit niet meer kan worden gezien als onderdeel van het seksuele contact, maar moet worden gezien als een dwang of geweldselement. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de strafverzwarende omstandigheid ‘dwang, geweld en/of bedreiging’.
5Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 23 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [benadeelde partij 1] , seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten:
het met zijn, verdachtes, penis penetreren van de mond, vagina en anus van voornoemde [benadeelde partij 1] ,
het met zijn, verdachtes, vingers betasten van de billen en de schaamlippen van voornoemde [benadeelde partij 1] ,
het met zijn, verdachtes, vingers penetreren van de vagina van voornoemde [benadeelde partij 1] ,
het likken aan de borsten van voornoemde [benadeelde partij 1] .
6De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
7.1.
Beroep op afwezigheid van alle schuld (avas)
7.1.1.
Standpunten
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op avas toekomt. Er is sprake van een verschoonbare dwaling over de leeftijd van aangeefster. Verdachte was in de veronderstelling dat aangeefster meerderjarig was en zij zou dit ook tegen hem hebben gezegd.
De officier van justitie heeft gesteld dat het beroep op afwezigheid van alle schuld niet kan slagen.
7.1.2.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat dit verweer niet kan slagen. Voor dat oordeel is het volgende van belang.
Vooropgesteld wordt dat een beroep op dwaling over de leeftijd van een slachtoffer, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden gehonoreerd. Voor een geslaagd beroep op feitelijke dwaling - en daarmee op afwezigheid van alle schuld - is noodzakelijk dat verdachte op de misleidende informatie van het slachtoffer over de leeftijd mocht vertrouwen.
Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet seksuele misdrijven, volgt dat is beoogd aan minderjarigen (kinderen beneden de leeftijd van zestien jaar) ten aanzien van seksuele misdrijven een zo doeltreffend mogelijke strafrechtelijke bescherming te bieden. Dat wordt onder meer tot uitdrukking gebracht in het feit dat in de wet de leeftijd van een minderjarige is geobjectiveerd. Dit betekent dat het niet uitmaakt dat een verdachte al dan niet wist dat de persoon, met wie hij seksueel contact heeft, nog geen 16 jaar oud was. Voor een bewezenverklaring is voldoende dat kan worden vastgesteld dat het slachtoffer nog geen 16 jaar oud was (en dat er seks heeft plaatsgevonden). Een verdachte heeft daarom een vergaande onderzoeksplicht om achter de (werkelijke) leeftijd van de betrokken minderjarige te komen.
Dat verdachte in de veronderstelling was dat aangeefster 19 jaar oud was, zoals volgt uit de verklaringen van twee getuigen en het betoog van de raadsvrouw, ontslaat verdachte niet van een verdere onderzoeksverplichting. Dat aangeefster zelf twijfelt of zij tegen verdachte gezegd heeft dat ze 15 jaar oud was en dat ze heeft verklaard dat zij vaak ouder wordt ingeschat, maakt dat niet anders. Het is een feit van algemene bekendheid dat uiterlijke kenmerken geen absolute zekerheid over een leeftijd kunnen verschaffen. Het had op de weg van verdachte gelegen, daar waar hij ervoor gekozen heeft om bij de eerste ontmoeting seks te hebben met aangeefster, die hij niet kende en van wie hij in ieder geval wist dat zij aanzienlijk jonger was dan hijzelf (verdachte was 28 jaar), meer onderzoek te verrichten naar haar werkelijke leeftijd.
Het verweer dat sprake is van een verschoonbare dwaling omtrent de leeftijd van aangeefster wordt daarom verworpen.
7.2.
Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar.
8Motivering van de straf
8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht aan verdachte een taakstraf of een (geheel) voorwaardelijke straf op te leggen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich – terwijl hij 28 jaar oud was – schuldig gemaakt aan verkrachting van een vijftienjarig meisje. Verdachte heeft het slachtoffer via [naam platform] ontmoet en heeft vervolgens via Snapchat seksueel getinte gesprekken met haar gevoerd. Verdachte wist dat het slachtoffer niet eerder seks had gehad. Desondanks heeft hij het initiatief genomen om met het slachtoffer af te spreken, een taxi naar haar huis te sturen en haar naar zich toe te laten brengen. Hij heeft met haar geblowd en alcohol gedronken en heeft zich vervolgens op een grove manier aan het slachtoffer vergrepen. Hij heeft onder meer haar billen en vagina betast, heeft haar gevingerd en haar vervolgens zowel oraal, vaginaal als anaal gepenetreerd. Het slachtoffer heeft verklaard dat het haar pijn deed, maar dat “hij het gewoon deed”. Ook kwam hij ongevraagd klaar op haar gezicht. Verdachte is volstrekt voorbijgegaan aan de kwetsbaarheid van het slachtoffer. Zij was nog jong en zij had nog geen ervaring op seksueel gebied. Verdachte heeft haar op brute wijze “ontmaagd”. De rechtbank vindt dit feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd, dan ook zeer kwalijk. Verdachte heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen lustgevoelens.
De rechtbank neemt het verdachte ook bijzonder kwalijk dat hij geen verantwoording heeft afgelegd voor zijn handelen. Bij de politie heeft hij zich voornamelijk beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting heeft hij verstek laten gaan en heeft zijn gemachtigd raadsvrouw, namens hem, het woord gevoerd.
Feiten als de onderhavige zijn zo kwalijk omdat bekend is dat seksueel misbruik van kinderen kan leiden tot grote psychische schade, waaronder verstoring van de seksuele ontwikkeling van de slachtoffers. Kinderen moeten daarom ten alle tijden beschermd worden tegen zichzelf, maar zeker ook tegen personen -zoals verdachte- die op seksueel gebied misbruik van hen maken. Het maakt daarom niet uit of een minderjarige instemt met seksuele handelingen, omdat zij de gevolgen van hun keuzes nog niet kunnen inzien.
In de onderbouwing van de vordering benadeelde partij wordt in dat kader ook verteld dat het slachtoffer na het feit in een crisisopvang terecht is gekomen en onder behandeling van een psycholoog is.
Enkel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is passend voor feiten als de onderhavige. Alles afwegende vindt de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, zoals geëist door de officier van justitie, dan ook passend en geboden.
9De vordering van de benadeelde partij
9.1.
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 7.500 aan vergoeding van immateriële schade en € 1.500,- aan vergoeding van (nader te onderbouwen) toekomstige schade, voor een hoger beroep procedure. Gevorderd is het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
9.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij toegewezen kan worden tot een bedrag van € 3.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. De vordering staat niet in verhouding tot de ernst van het incident en daarnaast is de vordering niet onderbouwd met medische stukken. Het is onmogelijk om een causaal verband vast te stellen tussen het vermeende incident en de huidige psychische situatie van aangeefster. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het bedrag te matigen tot maximaal € 2.000,-.
9.4.
Het oordeel van de rechtbank
9.4.1
Juridisch kader
In artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade geregeld. Bij delicten waarbij geen sprake is van fysiek letsel, geen sprake is van oogmerk om de immateriële schade toe te brengen en geen sprake is van een aantasting van de eer en goede naam van de benadeelde, dient te worden beoordeeld of sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze (artikel 6:106 lid 1 onder b BW). Bij de beoordeling of hiervan sprake is geldt als criterium dat de benadeelde geestelijk letsel moet hebben opgelopen. Een enkel psychisch onbehagen’ of zich gekwetst voelen is niet genoeg.
De Hoge Raad heeft bepaald dat op dit uitgangspunt uitzonderingen kunnen worden aanvaard in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Het strafbare feit vormt in dat geval een dusdanig ernstige inbreuk op een fundamenteel recht, namelijk lichamelijke integriteit, dat dit op zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze dient te worden beschouwd. Met andere woorden: de nadelige gevolgen voor de benadeelde liggen zo voor de hand, dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen. Daarmee kan ook zonder dat sprake is van een in de psychiatrie erkend en vervolgens vastgesteld ziektebeeld vergoeding van smartengeld aan de orde zijn.
9.4.2
Beoordeling van de vordering
9.4.2.1 De vordering tot vergoeding van immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] door het bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank overweegt dat gelet op de aard en de ernst van de normschending, de nadelige gevolgen van het bewezen verklaarde voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen.
De hoogte van de vordering van [benadeelde partij 1] is ter zitting betwist. Bij de begroting heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit en de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden. Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar de ‘Rotterdamse Schaal’, waarin een overzicht wordt gegeven van bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Alles afwegende vindt de rechtbank het gevorderde bedrag van € 7.500,- billijk en dat zal dan ook worden toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 23 november 2024.
BEM-clausule
De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedag 2] 2009, te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (BEM is een afkorting van ‘Belegging Erfenis en andere gelden Minderjarigen’). Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot het moment dat de minderjarige achttien jaar is.
Schadevergoedingsmaatregel
In totaal wordt een bedrag van € 7.500,- toegekend. In het belang van [benadeelde partij 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.
9.4.2.2 De vordering tot vergoeding van toekomstige schade
De post toekomstige kosten voor immateriële schade komt niet voor vergoeding in aanmerking en wordt om die reden niet-ontvankelijk verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
10Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de op 19 mei 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 15/181124-23, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 17 oktober 2023 van de politierechter, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
De proeftijd liep van 1 november 2023 tot en met 30 oktober 2025. Gebleken is dat verdachte zich voor binnen de proeftijd, namelijk op 23 november 2024, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.
De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de raadsvrouw dat de vordering moet worden afgewezen, omdat de vordering is gebaseerd op een andersoortig feit dan de onderhavige zaak. Het is immers geen voorwaarde voor tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf. Het is voldoende dat wordt vastgesteld dat verdachte zich wederom aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarvan is sprake, zoals uit de verdere inhoud van dit vonnis volgt.
11Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 248 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
12Beslissing
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [de verdachte], daarvoor strafbaar.
De straf
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden.
De vordering van de benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 7.500,- (zevenduizendvijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 november 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 7.500,- (zevenduizendvijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 november 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 62 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
BEM-clausule
Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding (van € 7.500,- (zevenduizendvijfhonderd euro)) zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde partij 1] geboren op [geboortedag 2] 2009, te openen rekening met een BEM-clausule.
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 17 oktober 2023 (parketnummer 15-181124-23), namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. W.M.C. van den Berg en L.F. Bögemann, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2026.
[…]
Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Een proces-verbaal van informatief gesprek zeden op 24 november 2024 met nummer 2024393724-2, p. 01-03.
Een proces-verbaal van informatief gesprek zeden op 24 november 2024 met nummer 2024393724-2, p. 01.
Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2024393724-8, p. 08-22.
Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2024393724-8, p. 09, 15-19.
Een proces-verbaal forensisch onderzoek persoon met nummer 2024393724-5, p. 30-32.
Een geschrift, te weten een rapport Forensisch DNA-onderzoek, The Maastricht Forensic Institute B.V., p. 42-46.
Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 222, nr. 3.
HR 20 januari 1959, NJ 1959, 102 en 103.
Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 222, nr. 3.
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/077502-25 Parketnummer vordering tul: 15/181124-23
Datum uitspraak: 8 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1996,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J. Smilde, en van wat de gemachtigd raadsvrouw van verdachte, mr. C.E. Dijkhuis, naar voren heeft gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij 1] , en de toelichting op die vordering door mr. F.J.M. Hamers.
2Tenlastelegging
Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij zich op 23 november 2024, ten aanzien van de destijds 15 jarige [benadeelde partij 1] , heeft schuldig gemaakt aan (gekwalificeerde) verkrachting, in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren. Artikel 248, lid 1 en 2, van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren. Verdachte moet worden vrijgesproken van de strafverzwarende omstandigheid ‘dwang’, omdat het dossier daarvoor onvoldoende aanknopingspunten biedt.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte erkent dat hij seks heeft gehad met aangeefster, maar dat dit is gebeurd met wederzijdse instemming.
Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat de verklaring van aangeefster onbetrouwbaar is, omdat haar verklaring meerdere innerlijke tegenstrijdigheden bevat. Zo heeft zij in eerste instantie verklaard dat verdachte wist dat ze 15 jaar oud was, terwijl zij verder in het verhoor verklaard heeft dat ze het niet meer zeker weet. Daarnaast heeft aangeefster verklaard dat verdachte de deur open deed met een mes in zijn handen, haar binnen liet en de deur achter haar op slot draaide en dat zij op meerdere momenten weg wilde. Dit is tegenstrijdig met haar verklaring dat zij kort daarop samen naar buiten zijn gegaan om drank te halen, omdat dit moment haar de mogelijkheid bood om weg te lopen.
Het dossier bevat daarnaast geen steunbewijs voor de verklaring van aangeefster, zodat ook niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het aangetroffen DNA-materiaal van verdachte is daarvoor onvoldoende, omdat verdachte erkent dat sprake is geweest van seksuele handelingen.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de strafverzwarende omstandigheid ‘dwang, geweld en/of bedreiging’, omdat objectief steunbewijs ontbreekt.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
4.3.1.1. De verklaring van aangeefster
In het informatief gesprek zeden heeft aangeefster verklaard dat zij rond 20 november 2024, via [naam platform] (toevoeging rechtbank: later blijkt [naam platform] , in contact kwam met ene [de verdachte] . De gesprekken gingen over op Snapchat. [de verdachte] zei dat hij 21 jaar oud was en later zei hij dat hij 28 jaar oud was. Aangeefster heeft verteld dat ze 15 jaar oud is en niet eerder seks heeft gehad. De gesprekken waren seksueel getint, zowel van haar kant als die van verdachte. [de verdachte] heeft op 23 november 2024 een taxi gestuurd naar de woning van aangeefster. Aangeefster is ingestapt. In Amsterdam aangekomen vond ze het spannend. Ze is samen met [de verdachte] naar de Aldi gegaan om Red Bull, wijn en bier te kopen. Bij [de verdachte] hebben ze geblowd en heeft aangeefster wat slokjes alcohol gedronken. Ze werd er duizelig van. Aangeefster heeft [de verdachte] gepijpt. [de verdachte] heeft haar borsten gelikt en heeft met zijn piemel haar vagina en anus gepenetreerd. Er is geen condoom gebruikt. Vervolgens zijn ze in slaap gevallen. Daarna gaf aangeefster aan dat ze naar huis wilde. [de verdachte] heeft de trein betaald voor aangeefster.
Aangeefster is geboren op [geboortedag 2] 2009.
In het verhoor getuige op 5 december 2024 heeft aangeefster aanvullend het volgende verklaard. We hebben een dag of drie contact gehad via Snapchat. Op 23 november 2024 ben ik naar Amsterdam gegaan in een taxi. In de taxi zag ik de naam ‘ [de verdachte] ’ op het schermpje staan. Verdachte heeft de taxirit betaald.
We zijn naar de Aldi gegaan om wijn, bier en Red Bull te kopen. We hebben wat gedronken en geblowd. We gingen liggen en toen begon hij mij aan te raken. Vanaf daar ging het verder. Hij raakte mijn billen aan en gaf kusjes in mijn nek. Hij raakte mij onder mijn kleding aan. Hij trok mijn rok omhoog en ging mij toen vingeren. Hij deed mijn ondergoed uit. Het deed een beetje pijn en het voelde raar. Hij ging met zijn piemel in mijn vagina.
Hij deed mijn hoofd omlaag naar zijn piemel. Toen ging ik hem pijpen en daarna heb ik gekotst. Hij ging te ver naar binnen. Hij duwde met zijn piemel en zijn handen zaten op mijn hoofd. Daarna zijn we van positie gewisseld. Ik ging op mijn rug liggen met mijn benen open. Hij ging toen met zijn piemel in mijn vagina. Daarna haalde hij zijn piemel uit mijn vagina en ging zich aftrekken. Hij was klaargekomen. Er kwam sperma op mijn gezicht en trui.
Zijn piemel is in mijn vagina, mond en in mijn kont geweest. Op het moment dat hij in mijn kont kwam, lag ik op mijn knieën met mijn billen omhoog. Dat deed echt pijn. Hij deed het gewoon.
Rond 18:45 uur ging ik naar huis. Verdachte heeft mij afgezet op station [naam station] .
4.3.1.2. Forensisch medisch onderzoek (FMO)
Op 26 november 2024 is ten aanzien van [benadeelde partij 1] een Forensisch Medisch Onderzoek ingesteld. De forensisch arts heeft verschillende bemonsteringen van het lichaam van [benadeelde partij 1] veiliggesteld met behulp van de zedenbemonsteringset: ZAAE3723NL.
Uit het rapport van ‘The Maastricht Forensic Institute’ (TMFI) blijkt dat in de binnenste schaamlippen (ZAAE3723NL#03SF) en diep vaginaal (ZAAE3723NL#04SF) een DNA-mengprofiel is aangetroffen van minimaal twee donoren. Uit dit mengprofiel is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man, waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. Voor beide sporen geldt dat dat de mogelijke donor van het aangetroffen hoofdprofiel verdachte is.
4.3.2.
Beoordeling van het ten laste gelegde
4.3.2.1. Betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster
De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster. Zij heeft op 23 november 2024, direct na thuiskomst, ten overstaan van haar ouders in detail verklaard over wat haar is overkomen. Meteen de volgende dag heeft aangeefster in het informatief gesprek zeden uitgebreid en in grote lijnen verklaard over de seksuele handelingen die verdachte met haar heeft verricht. Vervolgens heeft zij op 5 december 2024 aanvullend op het informatief gesprek, zeer uitgebreid en op detailniveau verklaard over het incident. Aangeefster heeft over de seksuele handelingen consistent en op specifieke punten gedetailleerd verklaard. De rechtbank acht gelet op het voorgaande de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
4.3.2.2. Steunbewijs
Voldoende steunbewijs
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster in voldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) wordt voldaan.
Uit de hiervoor in rubriek 4.3.1. beschreven feiten en omstandigheden blijkt dat bij aangeefster, in de binnenste schaamlippen en diep vaginaal, een DNA-hoofdprofiel is aangetroffen met een frequentie van voorkomen kleiner dan één op één miljard dat mogelijk van verdachte is. De rechtbank concludeert op basis van de frequentie van voorkomen dat dit het DNA-profiel van verdachte betreft. Dat is steunbewijs voor de verklaring van aangeefster. Daarnaast ontkent verdachte ook niet, zoals is betoogd door zijn raadsvrouw, dat hij seks heeft gehad met [benadeelde partij 1] . Ook dit standpunt biedt steun aan de verklaring van aangeefster dat verdachte en aangeefster seksueel contact hebben gehad.
Nadere overweging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de DNA-match en de verklaring van verdachte niet als steunbewijs kunnen dienen, omdat aangeefster heeft ingestemd met de seksuele handelingen. De rechtbank verwerpt dit verweer om de volgende reden.
Op grond van artikel 248 lid 1 Sr is schuldig aan verkrachting: “degene die met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren seksuele handelingen verricht, welke handelingen bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam”. Het uitgangspunt van de Wet seksuele misdrijven is, volgens de Memorie van Toelichting, dat seksueel contact vrijwillig en gelijkwaardig is. De strafbepaling heeft ook de strekking jeugdigen te beschermen tegen verleiding, die mede van hen zelf kan uitgaan. Het doet er dus niet toe of de seksuele handelingen, al dan niet, met wederzijdse instemming hebben plaatsgevonden. Het verrichten van seksuele handelingen door een volwassene, met een minderjarige, is verboden. Ook is in het onderhavige geval geen sprake van een gelijkwaardige situatie, gelet op het grote leeftijdsverschil (van 13 jaar) tussen verdachte en aangeefster.
4.3.2.3 Bewezenverklaring
Op grond van de betrouwbaar geachte verklaring van aangeefster en het hierboven beschreven steunbewijs acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 23 november 2024, met de destijds 15 jarige [benadeelde partij 1] , seksuele handelingen heeft verricht die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [benadeelde partij 1] . Zoals opgenomen in de bewezenverklaring in rubriek 5.
4.3.2.4. Vrijspraak strafverzwarende omstandigheid ‘dwang, geweld en/of bedreiging’
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid ‘dwang, geweld en/of bedreiging’ bewezen kan worden. Met de officier van justitie en de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat verdachte van dit onderdeel moet worden vrijgesproken.
De rechtbank vindt de verklaring van aangeefster over het op slot draaien van de deur en het door verdachte bewegen van haar hoofd naar de penis van verdachte, onvoldoende om op basis daarvan te concluderen dat er sprake was van dwang, geweld of bedreiging met geweld. Ten aanzien van het op slot draaien van de deur geldt dat aangeefster ook verklaart dat zij nadat de deur kennelijk op slot was gedraaid en er nog geen seks had plaatsgevonden, samen naar buiten naar de supermarkt zijn gegaan om drinken te kopen. Ook heeft verdachte haar op haar eerste verzoek naar station [naam station] gebracht toen zij aangaf naar huis te willen. Het op enig moment op slot draaien van de deur is in dat licht onvoldoende voor het aannemen van dwang. Ten aanzien van het bewegen van haar hoofd naar zijn penis geldt dat uit haar verklaring en het verdere dossier onvoldoende blijkt dat deze handeling met dusdanige kracht of dwang is gebeurd dat dit niet valt onder de seksuele interactie die plaatsvond. Uit het dossier volgt bijvoorbeeld niet dat dit met veel kracht is gebeurd, dat aangeefster er letsel aan heeft overgehouden of er andere omstandigheden waren waaruit kan worden afgeleid dat dit met veel kracht is gegaan zodat dit niet meer kan worden gezien als onderdeel van het seksuele contact, maar moet worden gezien als een dwang of geweldselement. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de strafverzwarende omstandigheid ‘dwang, geweld en/of bedreiging’.
5Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 23 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [benadeelde partij 1] , seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten:
het met zijn, verdachtes, penis penetreren van de mond, vagina en anus van voornoemde [benadeelde partij 1] ,
het met zijn, verdachtes, vingers betasten van de billen en de schaamlippen van voornoemde [benadeelde partij 1] ,
het met zijn, verdachtes, vingers penetreren van de vagina van voornoemde [benadeelde partij 1] ,
het likken aan de borsten van voornoemde [benadeelde partij 1] .
6De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
7.1.
Beroep op afwezigheid van alle schuld (avas)
7.1.1.
Standpunten
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op avas toekomt. Er is sprake van een verschoonbare dwaling over de leeftijd van aangeefster. Verdachte was in de veronderstelling dat aangeefster meerderjarig was en zij zou dit ook tegen hem hebben gezegd.
De officier van justitie heeft gesteld dat het beroep op afwezigheid van alle schuld niet kan slagen.
7.1.2.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat dit verweer niet kan slagen. Voor dat oordeel is het volgende van belang.
Vooropgesteld wordt dat een beroep op dwaling over de leeftijd van een slachtoffer, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden gehonoreerd. Voor een geslaagd beroep op feitelijke dwaling - en daarmee op afwezigheid van alle schuld - is noodzakelijk dat verdachte op de misleidende informatie van het slachtoffer over de leeftijd mocht vertrouwen.
Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet seksuele misdrijven, volgt dat is beoogd aan minderjarigen (kinderen beneden de leeftijd van zestien jaar) ten aanzien van seksuele misdrijven een zo doeltreffend mogelijke strafrechtelijke bescherming te bieden. Dat wordt onder meer tot uitdrukking gebracht in het feit dat in de wet de leeftijd van een minderjarige is geobjectiveerd. Dit betekent dat het niet uitmaakt dat een verdachte al dan niet wist dat de persoon, met wie hij seksueel contact heeft, nog geen 16 jaar oud was. Voor een bewezenverklaring is voldoende dat kan worden vastgesteld dat het slachtoffer nog geen 16 jaar oud was (en dat er seks heeft plaatsgevonden). Een verdachte heeft daarom een vergaande onderzoeksplicht om achter de (werkelijke) leeftijd van de betrokken minderjarige te komen.
Dat verdachte in de veronderstelling was dat aangeefster 19 jaar oud was, zoals volgt uit de verklaringen van twee getuigen en het betoog van de raadsvrouw, ontslaat verdachte niet van een verdere onderzoeksverplichting. Dat aangeefster zelf twijfelt of zij tegen verdachte gezegd heeft dat ze 15 jaar oud was en dat ze heeft verklaard dat zij vaak ouder wordt ingeschat, maakt dat niet anders. Het is een feit van algemene bekendheid dat uiterlijke kenmerken geen absolute zekerheid over een leeftijd kunnen verschaffen. Het had op de weg van verdachte gelegen, daar waar hij ervoor gekozen heeft om bij de eerste ontmoeting seks te hebben met aangeefster, die hij niet kende en van wie hij in ieder geval wist dat zij aanzienlijk jonger was dan hijzelf (verdachte was 28 jaar), meer onderzoek te verrichten naar haar werkelijke leeftijd.
Het verweer dat sprake is van een verschoonbare dwaling omtrent de leeftijd van aangeefster wordt daarom verworpen.
7.2.
Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar.
8Motivering van de straf
8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht aan verdachte een taakstraf of een (geheel) voorwaardelijke straf op te leggen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich – terwijl hij 28 jaar oud was – schuldig gemaakt aan verkrachting van een vijftienjarig meisje. Verdachte heeft het slachtoffer via [naam platform] ontmoet en heeft vervolgens via Snapchat seksueel getinte gesprekken met haar gevoerd. Verdachte wist dat het slachtoffer niet eerder seks had gehad. Desondanks heeft hij het initiatief genomen om met het slachtoffer af te spreken, een taxi naar haar huis te sturen en haar naar zich toe te laten brengen. Hij heeft met haar geblowd en alcohol gedronken en heeft zich vervolgens op een grove manier aan het slachtoffer vergrepen. Hij heeft onder meer haar billen en vagina betast, heeft haar gevingerd en haar vervolgens zowel oraal, vaginaal als anaal gepenetreerd. Het slachtoffer heeft verklaard dat het haar pijn deed, maar dat “hij het gewoon deed”. Ook kwam hij ongevraagd klaar op haar gezicht. Verdachte is volstrekt voorbijgegaan aan de kwetsbaarheid van het slachtoffer. Zij was nog jong en zij had nog geen ervaring op seksueel gebied. Verdachte heeft haar op brute wijze “ontmaagd”. De rechtbank vindt dit feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd, dan ook zeer kwalijk. Verdachte heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen lustgevoelens.
De rechtbank neemt het verdachte ook bijzonder kwalijk dat hij geen verantwoording heeft afgelegd voor zijn handelen. Bij de politie heeft hij zich voornamelijk beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting heeft hij verstek laten gaan en heeft zijn gemachtigd raadsvrouw, namens hem, het woord gevoerd.
Feiten als de onderhavige zijn zo kwalijk omdat bekend is dat seksueel misbruik van kinderen kan leiden tot grote psychische schade, waaronder verstoring van de seksuele ontwikkeling van de slachtoffers. Kinderen moeten daarom ten alle tijden beschermd worden tegen zichzelf, maar zeker ook tegen personen -zoals verdachte- die op seksueel gebied misbruik van hen maken. Het maakt daarom niet uit of een minderjarige instemt met seksuele handelingen, omdat zij de gevolgen van hun keuzes nog niet kunnen inzien.
In de onderbouwing van de vordering benadeelde partij wordt in dat kader ook verteld dat het slachtoffer na het feit in een crisisopvang terecht is gekomen en onder behandeling van een psycholoog is.
Enkel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is passend voor feiten als de onderhavige. Alles afwegende vindt de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, zoals geëist door de officier van justitie, dan ook passend en geboden.
9De vordering van de benadeelde partij
9.1.
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 7.500 aan vergoeding van immateriële schade en € 1.500,- aan vergoeding van (nader te onderbouwen) toekomstige schade, voor een hoger beroep procedure. Gevorderd is het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
9.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij toegewezen kan worden tot een bedrag van € 3.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. De vordering staat niet in verhouding tot de ernst van het incident en daarnaast is de vordering niet onderbouwd met medische stukken. Het is onmogelijk om een causaal verband vast te stellen tussen het vermeende incident en de huidige psychische situatie van aangeefster. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het bedrag te matigen tot maximaal € 2.000,-.
9.4.
Het oordeel van de rechtbank
9.4.1
Juridisch kader
In artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade geregeld. Bij delicten waarbij geen sprake is van fysiek letsel, geen sprake is van oogmerk om de immateriële schade toe te brengen en geen sprake is van een aantasting van de eer en goede naam van de benadeelde, dient te worden beoordeeld of sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze (artikel 6:106 lid 1 onder b BW). Bij de beoordeling of hiervan sprake is geldt als criterium dat de benadeelde geestelijk letsel moet hebben opgelopen. Een enkel psychisch onbehagen’ of zich gekwetst voelen is niet genoeg.
De Hoge Raad heeft bepaald dat op dit uitgangspunt uitzonderingen kunnen worden aanvaard in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Het strafbare feit vormt in dat geval een dusdanig ernstige inbreuk op een fundamenteel recht, namelijk lichamelijke integriteit, dat dit op zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze dient te worden beschouwd. Met andere woorden: de nadelige gevolgen voor de benadeelde liggen zo voor de hand, dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen. Daarmee kan ook zonder dat sprake is van een in de psychiatrie erkend en vervolgens vastgesteld ziektebeeld vergoeding van smartengeld aan de orde zijn.
9.4.2
Beoordeling van de vordering
9.4.2.1 De vordering tot vergoeding van immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] door het bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank overweegt dat gelet op de aard en de ernst van de normschending, de nadelige gevolgen van het bewezen verklaarde voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen.
De hoogte van de vordering van [benadeelde partij 1] is ter zitting betwist. Bij de begroting heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit en de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden. Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar de ‘Rotterdamse Schaal’, waarin een overzicht wordt gegeven van bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Alles afwegende vindt de rechtbank het gevorderde bedrag van € 7.500,- billijk en dat zal dan ook worden toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 23 november 2024.
BEM-clausule
De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedag 2] 2009, te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (BEM is een afkorting van ‘Belegging Erfenis en andere gelden Minderjarigen’). Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot het moment dat de minderjarige achttien jaar is.
Schadevergoedingsmaatregel
In totaal wordt een bedrag van € 7.500,- toegekend. In het belang van [benadeelde partij 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.
9.4.2.2 De vordering tot vergoeding van toekomstige schade
De post toekomstige kosten voor immateriële schade komt niet voor vergoeding in aanmerking en wordt om die reden niet-ontvankelijk verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
10Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de op 19 mei 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 15/181124-23, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 17 oktober 2023 van de politierechter, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
De proeftijd liep van 1 november 2023 tot en met 30 oktober 2025. Gebleken is dat verdachte zich voor binnen de proeftijd, namelijk op 23 november 2024, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.
De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de raadsvrouw dat de vordering moet worden afgewezen, omdat de vordering is gebaseerd op een andersoortig feit dan de onderhavige zaak. Het is immers geen voorwaarde voor tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf. Het is voldoende dat wordt vastgesteld dat verdachte zich wederom aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarvan is sprake, zoals uit de verdere inhoud van dit vonnis volgt.
11Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 248 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
12Beslissing
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [de verdachte], daarvoor strafbaar.
De straf
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden.
De vordering van de benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 7.500,- (zevenduizendvijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 november 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 7.500,- (zevenduizendvijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 november 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 62 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
BEM-clausule
Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding (van € 7.500,- (zevenduizendvijfhonderd euro)) zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde partij 1] geboren op [geboortedag 2] 2009, te openen rekening met een BEM-clausule.
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 17 oktober 2023 (parketnummer 15-181124-23), namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. W.M.C. van den Berg en L.F. Bögemann, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2026.
[…]
Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Een proces-verbaal van informatief gesprek zeden op 24 november 2024 met nummer 2024393724-2, p. 01-03.
Een proces-verbaal van informatief gesprek zeden op 24 november 2024 met nummer 2024393724-2, p. 01.
Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2024393724-8, p. 08-22.
Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2024393724-8, p. 09, 15-19.
Een proces-verbaal forensisch onderzoek persoon met nummer 2024393724-5, p. 30-32.
Een geschrift, te weten een rapport Forensisch DNA-onderzoek, The Maastricht Forensic Institute B.V., p. 42-46.
Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 222, nr. 3.
HR 20 januari 1959, NJ 1959, 102 en 103.
Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 222, nr. 3.