Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:6812

2026-07-01 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/7227
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-01
Publicatiedatum
2026-07-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
25/7227
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Verzoek werkelijke schade. Verweerder heeft de aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade als gevolg van het toeslagenschandaal niet te laag heeft vastgesteld.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (44.041 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht


zaaknummer: AMS 25/7227




uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen




[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigden: mr. J.R.R. Oevering en mr. M. de Heer),


en




de Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: mr. W.E. Louwerse en mr. N. Hamdach).



Inleiding


1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling van de aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag.



1.2.
Verweerder heeft met het primaire besluit van 11 april 2023 de aanvullende schadevergoeding vastgesteld op een bedrag van € 9.869,-. Met het bestreden besluit van 27 november 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en daarbij een extra aanvullende schadevergoeding van € 26.620,- toegekend.



1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2026. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn partner en gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder de gelegenheid gegeven nader te reageren op de aanvullende beroepsgronden van eiser. Verweerder heeft vervolgens een reactie ingediend, waarop eiser heeft gereageerd. Daarna heeft de rechtbank – overeenkomstig de ter zitting gemaakte afspraak met partijen – het onderzoek gesloten en meegedeeld binnen zes weken uitspraak te zullen doen.




Feiten en omstandigheden


2.1.
In de periode van 2008 tot en met 2011 heeft eiser gebruik gemaakt van kinderopvang voor zijn drie kinderen. Hiervoor ontving hij voorschotten aan kinderopvangtoeslag van verweerder. Later zijn deze voorschotten met terugwerkende kracht op nihil gesteld, voor het eerst in februari 2010. In het totaal werd een bedrag van € 48.395,- van eiser teruggevorderd. Tussen juni 2010 en mei 2019 heeft eiser hiervan € 17.875,- terugbetaald. Een deel van dit bedrag werd geïnd via dwangverrekening, onder meer door inhoudingen op andere toeslagen en op teruggaven van inkomstenbelasting. Het resterende openstaande bedrag, dat door rente was gestegen tot € 33.182,-, is uiteindelijk kwijtgescholden.



2.2.
Eiser heeft zich als gedupeerde van het schandaal rondom de kinderopvangtoeslag gemeld bij verweerder. Na beoordeling van de situatie van eiser heeft verweerder vastgesteld dat institutionele vooringenomenheid bij het uitvoeren van de kinderopvangtoeslag bij eiser tot onbillijkheden van overwegende aard heeft geleid. Verweerder heeft daarom aan eiser een bedrag van € 60.085,- toegekend als compensatie voor de gevolgen van de hiervoor genoemde besluiten over de vaststelling, terugvordering en invordering van de (voorschotten) kinderopvangtoeslag.



2.3.
Eiser is van mening dat hij door de problemen met de kinderopvangtoeslag meer schade heeft geleden dan het bedrag aan compensatie dat hij van verweerder heeft ontvangen. Daarom heeft hij een verzoek tot aanvullende schadevergoeding ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). De CWS is een onafhankelijke commissie en heeft tot taak het toetsen van en adviseren over aanvragen tot toekenning van aanvullende schadevergoeding.



2.4.
Eiser begroot zijn materiële en immateriële schade op € 824.762,-. Hij heeft de volgende schadeposten opgevoerd:


Vervangende opvangkosten: € 6.698,-;


Reiskosten: € 5.088,-;


Kosten van vrije dagen: € 37.500,-;


Inkomensschade: € 350.000,-;


Medische kosten: € 33.650,-;


Studiekosten van zijn kinderen: € 19.000,-;


Overige vermogensschade: € 121.907,-;


Andere extra kosten die het gevolg zijn geweest van de stopzetting kinderopvangtoeslag: € 90.611,-;


Kosten juridische bijstand: € 7.308,-;


Immateriële schade: € 153.000,-.





2.5.
De CWS heeft op 22 februari 2023 haar advies uitgebracht. Daarin heeft de CWS de werkelijke materiële schade van eiser vastgesteld op € 1.459,-. Dit bedrag bestaat uit € 1.459,- aan vermogensschade. De werkelijke immateriële schade heeft de CWS vastgesteld op € 26.800,-. De CWS heeft geadviseerd de andere verzochte schadeposten niet te vergoeden. Na aftrek van de eerder toegekende vergoeding van materiële en immateriële schade en met inbegrip van de wettelijke rente en 1% standaard verhoging, komt de CWS tot een aanvullende schadevergoeding van € 15.453,-.



2.6.
Verweerder heeft het advies van de CWS grotendeels gevolgd en het verzoek van eiser om aanvullende schadevergoeding gehonoreerd door hem een bedrag van € 19.869,- toe te kennen. Na aftrek van het eerder door eiser ontvangen voorschot van € 10.000,- is aan hem € 9.869,- uitbetaald.



2.7.
Het bezwaar van eiser is ter advisering voorgelegd aan de bezwaarschriftenadviescommissie (BAC). Zij heeft op 16 juni 2025 geadviseerd om het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond te verklaren en enkele schadeposten alsnog gedeeltelijk te vergoeden. Verweerder heeft dit advies deels gevolgd en heeft met het bestreden besluit een aanvullende schadevergoeding van € 26.120,- toegekend, vermeerderd met € 500,- voor de CWS-procedure. Daarbij heeft verweerder de immateriële schade gewijzigd vastgesteld op € 43.250,- en ambtshalve een bedrag van € 1.200,- toegekend voor verletdagen en reiskosten in verband met het afhandelen van regelzaken. Verder is alsnog € 4.200,- toegekend aan vervangende opvangkosten en reiskosten en is de vermogensschade herzien en vastgesteld op € 16.611,-.




Beoordeling van de rechtbank


3.1.
In deze zaak moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verweerder de aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade niet te laag heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.



3.2.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser gedupeerde is van het toeslagenschandaal. Eiser heeft in deze procedure uiteengezet welke persoonlijke en financiële gevolgen dit voor hem en zijn gezin heeft gehad. Daarbij heeft eiser toegelicht dat de langdurige onzekerheid en spanningen grote invloed hebben gehad op zijn leven en toekomstperspectief. De rechtbank heeft begrip voor de wens van eiser om samen met zijn partner in Suriname een nieuwe start te maken en daarmee deze ingrijpende periode in zijn leven achter zich te laten. De rechtbank waardeert dat eiser zijn ervaringen en gevoelens in deze procedure naar voren heeft gebracht. Daaruit blijkt dat het eiser niet uitsluitend te doen is om financiële compensatie, maar ook om erkenning van het leed en onrecht dat hem is aangedaan. Verweerder heeft op de zitting uitdrukkelijk erkend dat eiser slachtoffer is van het toeslagenschandaal en heeft naar voren gebracht zich te hebben ingespannen om het ontstane onrecht zoveel mogelijk te herstellen. Partijen hebben echter geen overeenstemming kunnen bereiken over de vraag of de reeds toegekende compensatie toereikend is, waardoor het geschil uiteindelijk ter beoordeling aan de rechtbank is voorgelegd. Verweerder blijft daarbij van mening dat met het reeds toegekende bedrag voldoende tegemoet is gekomen aan de door eiser gestelde schade.



De Wet hersteloperatie toeslagen





3.3.
De Wet hersteloperatie toeslagen voorziet in een bestuursrechtelijke procedure voor de afhandeling van schade die is omkleed met alle waarborgen die de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt. Aan een aanvrager wordt een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend als hij overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade hoger is dan de al toegekende compensatie. De rechtbank moet aansluiting zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht met inachtneming van de bescherming van het bestuursrecht. Dit brengt mee dat de rechtbank de aansprakelijkheid van verweerder voor de gestelde schade en de omvang daarvan ten volle toetst, uitgaande van wat daarover tussen verweerder en de aanvrager in geschil is. In het licht daarvan is van belang dat verweerder – conform artikel 3:46 en artikel 7:12 van de Awb – deugdelijk motiveert op grond waarvan hij tot het toegekende bedrag aan schadevergoeding komt. Die motivering moet in ieder geval voldoende zijn om eiser in staat te stellen daarop inhoudelijk te reageren en op die manier daadwerkelijk invulling geven aan de rechtsbescherming die het bestuursrecht biedt.



3.4.
De CWS adviseert de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen over verzoeken van gedupeerde ouders om aanvullende schadevergoeding. Bij de beoordeling van deze verzoeken hanteert de CWS vaste richtlijnen, neergelegd in een schadekader. Het verzoek van eiser is beoordeeld aan de hand van de op 1 juli 2024 gepubliceerde werkwijze en het schadekader. Hierin is onder meer opgenomen dat de CWS tot taak heeft om, met toepassing van het civiele schadevergoedingsrecht, te beoordelen of de daadwerkelijk door de ouder geleden schade hoger is dan de reeds ontvangen compensatie en, zo ja, tot welk bedrag. Daarbij geldt als voorwaarde dat de schade het gevolg is van het handelen van verweerder. Daarnaast is aan de CWS de opdracht meegegeven om ruimhartig te werk te gaan, zowel bij de beoordeling van het causaal verband tussen de gestelde schade en het handelen van verweerder als bij de begroting van de schade. Dit betekent dat van de ouder geen sluitend bewijs wordt verlangd, maar wel dat de gestelde schade aannemelijk wordt gemaakt. Het verhaal van de ouder dient daarbij aan te sluiten bij de tijdlijn die uit het dossier naar voren komt en ondersteuning te vinden in de overige beschikbare informatie. Gelet hierop rust op de CWS tevens de verplichting om actief door te vragen teneinde voldoende informatie te verzamelen over de door de gedupeerde ouder gestelde schade.



Omvang van het geschil





4.1.
Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder de werkelijke schade te laag heeft vastgesteld. Daarbij heeft hij in zijn beroepschrift met name gewezen op enkele specifieke schadeposten. Ten aanzien van de overige schadeposten heeft eiser ter zitting een nadere toelichting gegeven. De rechtbank stelt vast dat niet alle schadeposten meer in geschil zijn. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij zijn verzoeken om vergoeding van vervangende opvangkosten en deurwaarderskosten niet langer handhaaft. Eiser heeft voorts in beroep geen gronden aangevoerd tegen de beslissing van verweerder over studiekosten, de kosten van vrije dagen en de kosten van juridische bijstand. Daarom laat de rechtbank deze posten verder onbesproken.



4.2.
De rechtbank zal hierna voor de overige schadeposten per schadepost volledig toetsen of verweerder de werkelijke schade niet te laag heeft vastgesteld. Daarbij zal zij beginnen met de materiële schadeposten waarover partijen nog het meest verdeeld zijn.



De materiële schade





De inkomens- en pensioenschade





5.1.
Eiser vordert een bedrag van € 350.000,- wegens inkomens- en pensioenschade. Verweerder heeft dit onderdeel van het verzoek volledig afgewezen. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar twee dienstverbanden en twee gebeurtenissen die zich tijdens die dienstverbanden hebben voorgedaan. Eiser was vanaf 1 juni 2011 in dienst bij [bedrijf 1] . Een deel van zijn inkomen was prestatieafhankelijk en bestond uit provisies en commissies op gerealiseerde deals. Met ingang van 1 februari 2012 is eiser uit dienst getreden bij [bedrijf 1] . Eiser stelt dat verweerder in deze periode loonbeslag onder zijn werkgever heeft gelegd voor een terugvordering van € 48.000,-. Hierdoor zijn bij [bedrijf 1] vragen ontstaan over zijn functioneren en positie binnen het bedrijf. Volgens eiser werd hem feitelijk duidelijk gemaakt dat voortzetting van het dienstverband niet wenselijk werd geacht en dat vertrek de enige reële optie was. Per 1 februari 2012 is eiser tegen een lager salaris in dienst getreden bij [bedrijf 2] . Dit dienstverband is geëindigd per 30 juni 2012. Eiser stelt dat verweerder gedurende dit dienstverband wederom loonbeslag heeft gelegd, dat [bedrijf 2] daarop heeft aangegeven dat voortzetting van het dienstverband niet haalbaar werd geacht en dat een beëindiging met wederzijds goedvinden, in combinatie met een WW-uitkering, de voorkeur had. Daarbij zou aan eiser zijn medegedeeld dat hij zich beter kon richten op de zorg voor zijn kinderen en het oplossen van zijn persoonlijke problemen. Eiser stelt dat hij in zijn verdere loopbaan nooit meer een inkomensniveau heeft bereikt dat vergelijkbaar is met het inkomen dat hij bij [bedrijf 1] of [bedrijf 2] genoot. Volgens eiser heeft het handelen van verweerder ertoe geleid dat zijn dienstverbanden bij zowel [bedrijf 1] als [bedrijf 2] zijn beëindigd. Daarnaast voert eiser aan dat de terugvorderingen en de gevolgen die eiser daarvan ondervond hebben geleid tot stagnatie van zijn loopbaanontwikkeling, waardoor zijn loon- en inkomensniveau zich niet heeft ontwikkeld zoals anders te verwachten was.



5.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van de handelwijze van verweerder zijn werkzaamheden bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] niet heeft kunnen voortzetten. Verweerder heeft betwist dat hij ten tijde van de betreffende dienstverbanden loonbeslag heeft gelegd. Dit heeft hij onderbouwd met gegevens uit zijn systemen. Daaruit blijkt dat het eerste loonbeslag door verweerder dateert van 23 mei 2017. Op dat moment waren de arbeidsovereenkomsten bij zowel [bedrijf 1] als [bedrijf 2] al geruime tijd beëindigd. Ook uit een nog beschikbare salarisspecificatie van [bedrijf 1] uit 2012 blijkt niet dat tijdens dit dienstverband loonbeslag is gelegd. Eiser heeft hier tegenover geen stukken overgelegd die zijn stelling over het loonbeslag ondersteunen. Het ligt op de weg van eiser om zijn stellingen, waar mogelijk, met bewijsstukken te onderbouwen. Eiser heeft toegelicht dat hij bij zijn vroegere werkgevers heeft verzocht om een schriftelijke verklaring over de loonbeslagen, maar dat zij die niet hebben willen geven. Hij heeft echter ook niet op een andere manier, bijvoorbeeld door verklaringen van vroegere collega’s of andere betrokkenen, e-mailcorrespondentie uit de desbetreffende periode of loonstroken, enig (begin van) bewijs geleverd van zijn stelling dat verweerder loonbeslag onder [bedrijf 1] en [bedrijf 2] heeft gelegd. De enkele stelling dat daarvan sprake is geweest en dat de dienstverbanden bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] om die reden zijn beëindigd, volstaat niet. Uit het verhaal van eiser volgt bovendien dat hij bij beide werkgevers op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gedurende een korte periode werkzaam is geweest. Het dossier biedt verder ook geen aanknopingspunten voor de conclusie dat deze arbeidsovereenkomsten zonder de terugvorderingen niet zouden zijn beëindigd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat bij de dienstverbanden bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] sprake is geweest van loonbeslag als gevolg van de terugvordering van kinderopvangtoeslag en evenmin dat loonbeslag voor beide werkgevers aanleiding is geweest om de arbeidsovereenkomsten voortijdig te beëindigen. Verweerder heeft daarom in redelijkheid het advies van de CWS op dit punt kunnen volgen, namelijk dat het causale verband tussen het handelen van verweerder en het beëindigen van de arbeidsovereenkomsten en daarmee met de gestelde schade, niet aannemelijk is geworden. Dit onderdeel van het verzoek is daarmee terecht volledig afgewezen.



5.3.
Eiser heeft in algemene zin aangevoerd dat de terugvorderingen en de daaruit voortvloeiende andere problemen en stress hebben geleid tot inkomensschade omdat zijn loopbaan zich zonder deze problemen beter had ontwikkeld. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat dit een feit van algemene bekendheid betreft. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Een dergelijke algemene stelling biedt onvoldoende concrete aanknopingspunten om het vereiste causaal verband tussen de problemen van eiser door de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag en de gestelde inkomensschade vast te stellen. Een periode van inkomensstijging, gevolgd door een daling van het inkomen, is op zichzelf niet ongebruikelijk en kan uiteenlopende oorzaken hebben die losstaan van de problemen door de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag. Bij loonontwikkeling kunnen uiteenlopende factoren een rol spelen, zoals gezondheid, persoonlijke omstandigheden en keuzes ten aanzien van arbeidsdeelname en arbeidsduur. Ook de economische situatie, ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en omstandigheden bij een werkgever kunnen van invloed zijn op het inkomen. Daar komt bij dat financiële problemen er in sommige gevallen juist toe kunnen leiden dat betrokkenen hun arbeidsomvang uitbreiden of aanvullende werkzaamheden verrichten om hun inkomenspositie te verbeteren. Van een algemeen en direct causaal verband tussen de problemen van ouders door de terugvorderingen van kinderopvangtoeslag en een beperking van hun loonontwikkeling kan dan ook niet worden gesproken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk dat eiser als gevolg van zijn problemen door de terugvorderingen inkomensschade heeft geleden.



De vermogensschade





6.1.
Eiser verzoekt om vergoeding van een bedrag van € 27.514,77 aan vermogensschade in verband met de verkoop van sieraden. Verweerder heeft een bedrag van € 1.458,67 aan beleningsrechten vergoed en stelt zich op het standpunt dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat eiser daarnaast nog meer schade heeft geleden. Eiser voert aan dat de verkochte sieraden zijn eigendom waren en dat hij deze, mede vanuit zijn culturele achtergrond, voor zichzelf en zijn kinderen had aangeschaft. Volgens eiser vormden de sieraden tevens een vorm van vermogensbehoud. Hij stelt dat de sieraden tegenwoordig aanzienlijk meer waard zouden zijn geweest, aangezien de goudprijs in de tussentijd sterk is gestegen. Eiser verkeerde naar eigen zeggen destijds echter in een nijpende financiële situatie, waardoor hij zich genoodzaakt zag de sieraden te verkopen. Volgens eiser heeft de verkoop via zijn moeder plaatsgevonden, omdat de verkoopopbrengst anders op zijn eigen bankrekening zou worden gestort en hij het geld als gevolg van de beslagleggingen direct zou verliezen.



6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom de gestelde verkoop van de sieraden niet aannemelijk is gemaakt. Eiser heeft enkele uittreksels uit het opkopersregister van de politie overgelegd waarin sprake is van transacties van het juweliersbedrijf van zijn moeder. Uit deze stukken blijkt dat één sieraad in 2016 en de overige sieraden na mei 2020 door de moeder van eiser zijn ingekocht. Hieruit volgt echter niet dat het sieraden van eiser betrof of dat deze door hem zijn verkocht. Eiser heeft ook geen bankafschriften van de rekening van zijn moeder overgelegd waaruit de gestelde verkoopopbrengst blijkt. Ook anderszins heeft hij de gestelde verkoop van zijn sieraden niet onderbouwd, bijvoorbeeld met aankoopbewijzen, verklaringen van betrokkenen of beeldmateriaal waaruit kan worden afgeleid dat hij de sieraden eerder in bezit had en dat deze vervolgens zijn verkocht. Verweerder heeft eiser dit redelijkerwijs kunnen tegenwerpen, nu eiser ongeveer een jaar na het merendeel van de gestelde verkopen een verzoek tot vergoeding heeft ingediend. Het betreft daarmee geen gebeurtenis uit een ver verleden, maar een relatief recente gebeurtenis. Van eiser mocht daarom in beginsel worden verwacht dat hij zijn stellingen nader aannemelijk kon maken met objectieve en verifieerbare gegevens. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat de gestelde verkoop van de sieraden en de daaruit voortvloeiende schade onvoldoende aannemelijk zijn geworden.



7.1.
Eiser voert daarnaast aan dat hij vermogensschade heeft geleden wegens het verlies van zijn inboedel. Hij stelt dat de waarde daarvan € 22.500,- bedroeg. Verweerder heeft eiser een bedrag van € 15.000,- vergoed voor verhuis- en inboedelkosten. Daarbij heeft verweerder aansluiting gezocht bij de forfaitaire bedragen uit zijn beleid en rekening gehouden met twee verhuizingen die het gevolg waren van de terugvorderingen door verweerder van de kinderopvangtoeslag. Volgens eiser is deze vergoeding ontoereikend, omdat de waarde van de verloren gegane inboedel hoger was dan het door verweerder vergoede bedrag. Hij stelt dat hij zijn inboedel had opgeslagen in een opslagruimte bij Shurgard. Als gevolg van zijn financiële problemen door de terugvorderingen was eiser niet langer in staat de huur van die opslagruimte te voldoen. Om die reden heeft Shurgard de opgeslagen inboedel verkocht. Ter onderbouwing heeft eiser een laatste kennisgeving van Shurgard overgelegd, waarin eiser een betaaltermijn van 7 dagen is gegund om zijn betalingsachterstand te voldoen. Op de zitting heeft eiser daaraan toegevoegd dat zich onder de inboedel een aantal religieuze objecten bevond die voor hem onvervangbaar waren.



7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn schade hoger is dan het bedrag dat door verweerder is toegekend. Uit de overgelegde stukken blijkt weliswaar dat eiser een opslagruimte heeft gehuurd, maar daaruit kan niet worden afgeleid welke goederen daarin waren opgeslagen, noch wat de omvang of de waarde daarvan was. Evenmin kan de door eiser gestelde waarde op objectieve wijze worden geverifieerd. Eiser heeft slechts in algemene bewoordingen gesteld dat hij goederen heeft opgeslagen, zonder te specificeren om welke goederen het ging of welke waarde daaraan moest worden toegekend. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij een laatste waarschuwing heeft ontvangen nadat hij drie maanden de huur niet had betaald. Volgens eiser zijn de opgeslagen goederen verkocht of vernietigd en heeft hij daarvoor geen vergoeding ontvangen. Deze stelling heeft eiser niet met objectieve gegevens onderbouwd. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat niet aannemelijk is dat de opbrengst van de verkoop van de goederen in verhouding stond tot de huurschuld van eiser. Een eindafrekening of andere verifieerbare documentatie ontbreekt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder met de toekenning van € 15.000,- voor verhuis- en inboedelkosten, gebaseerd op het toepasselijke beleid en met inachtneming van de omstandigheden van eiser, voldoende heeft onderkend en verdisconteerd welke kosten zich als gevolg van de verhuizingen en het gestelde verlies van inboedel hebben voorgedaan.



Reiskosten




8. Eiser verzoekt om een bedrag van € 5.088,- aan schadevergoeding wegens reiskosten die zijn moeder in 2012 zou hebben gemaakt om zijn kinderen naar school te brengen. Verweerder heeft een forfaitair bedrag van € 1.200,-, zijnde € 300,- per jaar, toegekend voor verlet- en reiskosten in verband met regelzaken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee heeft kunnen volstaan. De rechtbank stelt vast dat niet is komen vast te staan dat de gestelde reiskosten daadwerkelijk door eiser zijn gedragen. Onduidelijk is gebleven of deze kosten door eiser zelf zijn gemaakt, of dat zijn moeder ze voor haar rekening heeft genomen. Daarbij is van belang dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn feitelijke verblijfssituatie en de momenten waarop zijn moeder kosten ten behoeve van hem zou hebben gemaakt. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij op andere adressen verbleef dan waar hij stond ingeschreven, hetgeen de onduidelijkheid over de feitelijke situatie en daarmee ook over de gestelde reiskosten vergroot. De rechtbank wil aannemen dat de betrokken periode voor eiser belastend is geweest en dat zijn moeder hem in praktische zin heeft ondersteund bij het brengen van de kinderen naar school. Dat neemt echter niet weg dat van eiser verwacht mag worden dat hij aannemelijk maakt dat de gestelde schade de omvang van het door verweerder toegekende bedrag overstijgt. Eiser heeft daartoe volstaan met het enkel stellen van schade, hetgeen onvoldoende is. Daarmee is onvoldoende grondslag aanwezig om te oordelen dat verweerder de schade te laag heeft vastgesteld.




Medische kosten





9.1.
Eiser verzoekt om een schadevergoeding van in totaal € 33.650,- wegens medische kosten. Ter onderbouwing van deze schadepost stelt eiser dat zijn gezondheid is verslechterd als gevolg van de problemen door de terugvorderingen. Volgens eiser is het een feit van algemene bekendheid dat deze terugvorderingen veel stress bij ouders hebben veroorzaakt, wat bij hem onder meer heeft geleid tot een verhoogde behoefte aan suikerinname en daarmee samenhangende veranderingen in zijn eetgedrag. Dit heeft volgens eiser zijn gezondheid beïnvloed en bijgedragen aan het ontstaan dan wel verergeren van diabetes. Verder beschikte eiser over een aanvullende zorgverzekering, maar heeft deze vanwege zijn verslechterde financiële omstandigheden moeten beëindigen, waardoor hij hogere medische kosten heeft moeten dragen. Deze hogere kosten als gevolg van het moeten missen van een aanvullende zorgverzekering, wenst hij vergoed te zien. Daarnaast stelt eiser dat zijn verzoek voor deze schadepost mede betrekking heeft op toekomstige kosten voor hulpverlening, waaronder psychiatrische zorg voor hemzelf en zijn gezin. Eiser heeft van dergelijke hulpverlening tot op heden nog geen gebruik gemaakt, maar verwacht dat hij daarvoor in de toekomst mogelijk nog kosten zal moeten maken.



9.2.
Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden in de vorm van medische kosten. Slechts indien sprake is van voldoende concrete en met objectieve gegevens onderbouwde schade, die daadwerkelijk is geleden dan wel met voldoende mate van zekerheid zal worden geleden, komt deze voor vergoeding in aanmerking. Een aanzienlijk deel van de door eiser opgevoerde schade ziet op toekomstige kosten van mogelijke behandelingen, zonder dat is gesteld of gebleken dat deze behandelingen daadwerkelijk zullen plaatsvinden. Reeds om die reden heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat dit deel van de gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. Voor zover eiser stelt al medische kosten te hebben gemaakt, blijkt uit de overgelegde stukken dat deze hoofdzakelijk bestaan uit tandarts- en orthodontiekosten voor hemzelf en zijn kinderen. Eiser heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij als gevolg van zijn financiële problemen door de terugvorderingen geen aanvullende verzekering meer heeft kunnen afsluiten. Niet is echter gebleken dat hij vóór financiële problemen door de terugvorderingen wel over een dergelijke verzekering beschikte. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het vereiste causaal verband ontbreekt. Ook de gestelde medische kosten in verband met onder meer diabetes, die volgens eiser eveneens het gevolg zouden zijn van het toeslagenschandaal, zijn onvoldoende onderbouwd. Het door eiser gestelde causaal verband tussen zijn problemen door de terugvorderingen, de ontwikkeling van diabetes en de daarmee samenhangende medische kosten is niet met objectieve medische gegevens of anderszins onderbouwd, zodat dit verband niet aannemelijk is. Dat de problemen bij eiser hebben geleid tot stress en spanning wordt onderkend, maar deze gevolgen zijn reeds verdisconteerd bij de vaststelling en toekenning van de immateriële schadevergoeding. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat de gestelde medische kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.



De immateriële schade





10.1.
In het bestreden besluit heeft verweerder erkend dat eiser en zijn gezin als gevolg van de problemen door de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag aanzienlijke stress en verdriet hebben ervaren, gelet op de aard en ernst van die problematiek. Vergoeding voor dit immateriële leed acht verweerder daarom op zijn plaats. Verweerder heeft aan eiser een immateriële schadevergoeding toegekend van in het totaal € 43.250,-. Aan deze vaststelling ligt het advies van de BAC ten grondslag. De BAC heeft de immateriële schade van eiser en zijn gezin beoordeeld aan de hand van vijf bouwstenen, die zijn ontleend aan het door verweerder vastgestelde beleid. In dat beleid zijn per bouwsteen afzonderlijke bedragen bepaald en daarnaast een aantal factoren wat tezamen leidt tot het toegekende bedrag. De rechtbank moet beoordelen of verweerder het advies van de BAC aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij is van belang dat het verzoek van eiser is getoetst aan het beleid dat gold in juli 2024. Ten tijde van die beoordeling waren nog geen forfaitaire bedragen per factor vastgesteld. De BAC beschikt echter over een breed beeld van de verschillende categorieën gedupeerden en is daardoor in staat om de verschillende factoren in onderlinge samenhang te waarderen en te vertalen naar een passend schadebedrag. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval een hogere waardering van één of meer factoren aangewezen is. Eiser kan zich met de vaststelling van de schadevergoeding niet verenigen en verzoekt om toekenning van een bedrag van in totaal € 153.000,-. De rechtbank zal hierna de beroepsgronden van eiser per bouwsteen bespreken en beoordelen.



Bouwsteen A: aantasting in de persoon, van de eer en de goede naam





10.2.
Verweerder heeft aan eiser, onder verwijzing naar het advies van de BAC, een bedrag van € 16.500,- toegekend ter vergoeding van het emotionele leed. Aan de moeder van eiser, die als toeslagenpartner is aangemerkt, is een bedrag van € 6.000,- toegekend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het door eiser ervaren emotionele leed, aan de hand van de factoren uit het beleidskader, voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd. Daarbij zijn onder meer betrokken de sociale impact van het toeslagenschandaal, de langdurige financiële problematiek, de ervaren ongelijkheid en discriminatie, alsmede de aantasting van het zelfbeeld van eiser. Voorts is rekening gehouden met het verdriet dat samenhangt met de verkoop van sieraden en de impact op de relatie van eiser. Verweerder heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat het causaal verband tussen de terugvorderingen en de verkoop van de sieraden niet aannemelijk is. Niettemin heeft verweerder dit aspect betrokken bij de integrale beoordeling van het emotionele leed binnen bouwsteen A. Eiser heeft ten aanzien van de meeste factoren volstaan met het stellen van een aanzienlijk hoger schadebedrag, zonder nadere onderbouwing. De rechtbank ziet, gelet op de wijze waarop verweerder de factoren aan de hand van het beleidskader op een inzichtelijke wijze heeft beoordeeld, en bij gebrek aan concrete aanknopingspunten voor twijfel, geen aanleiding om de bevindingen en berekeningen van de schade in dit verband voor onjuist te houden.



10.3.
Eiser heeft ten aanzien van enkele factoren een nadere toelichting gegeven. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom deze factoren niet hebben geleid tot een aanvullend bedrag binnen de weging. Zo heeft eiser aangevoerd dat ten onrechte geen factor is toegekend voor het voeren van een bezwaar- en/of beroepsprocedure. Verweerder heeft echter onbetwist gesteld dat eiser indertijd geen bezwaar- of beroepsprocedure heeft gevoerd. De stelling van eiser dat hij desondanks de ervaring heeft gehad jarenlang in een procedure met verweerder te hebben gezeten, leidt niet tot de conclusie dat hiervoor een afzonderlijk bedrag moet worden toegekend. Verweerder heeft deze omstandigheden al verdisconteerd in de factoren dat gedurende langere tijd onzekerheid heeft bestaan en dat sprake is geweest van een ervaren ongelijke behandeling. In dit verband acht de rechtbank ook van belang dat verweerder ambtshalve een bedrag van € 1.200,- heeft toegekend voor verletdagen en reiskosten in verband met het afhandelen van regelzaken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook toereikend gemotiveerd waarom in verband met de gestelde medische component geen aanvullend bedrag is toegekend. Dat eiser stress en spanning heeft ervaren, is betrokken bij andere factoren. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen stellen dat eiser het causaal verband tussen de door hem genoemde medische klachten en het toeslagenschandaal niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank acht deze motivering niet onzorgvuldig of ontoereikend, zoals hiervoor ook ten aanzien van de materiële schade in dit verband is overwogen. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder de factor ‘impact van jeugdbeschermings-maatregelen’ terecht niet heeft betrokken. Eiser heeft deze grond op de zitting voor het eerst onderbouwd met overlegging van twee beschikkingen waaruit dergelijke maatregelen blijken. De BAC beschikte ten tijde van haar advies niet over deze informatie en heeft deze daarom niet kunnen betrekken in haar beoordeling. Verweerder heeft naar aanleiding van de alsnog overgelegde beschikking aanvullend gemotiveerd dat het causaal verband met de terugvorderingen onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Uit de beschikking volgt immers niet dat de jeugdbeschermingsmaatregelen daarvan het gevolg zijn geweest. De rechtbank kan zich hierin vinden. Gelet op het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder het bedrag onder bouwsteen A te laag heeft vastgesteld.



Bouwsteen B: gezinssamenstelling





10.4.
Verweerder heeft aan eiser een bedrag van € 6.750,- toegekend ter vergoeding van het emotionele leed van de kinderen binnen het gezin, te weten € 2.250,- per kind. Bij de beoordeling van het bestreden besluit is het ten tijde daarvan geldende beleid van verweerder bepalend. Voor zover eiser zich beroept op een latere versie van het beleidskader, waarin hogere bedragen onder deze bouwsteen mogelijk zijn, kan dit hem niet baten. Dat nadien een gewijzigd beleidskader tot stand is gekomen dat mogelijk gunstiger uitwerkt, brengt niet mee dat verweerder gehouden is het besluit daaraan aan te passen. Het ten tijde van het besluit toepasselijke beleid bevatte eigen uitgangspunten die op onderdelen kunnen afwijken van later vastgesteld beleid. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, kan dit voor bepaalde schadeposten gunstiger uitwerken en voor andere minder gunstig. De rechtbank is van oordeel dat verweerder toereikend heeft gemotiveerd hoe tot het toegekende bedrag is gekomen. Eiser heeft daartegenover uitsluitend in algemene bewoordingen aangevoerd dat het maximale bedrag zou moeten worden toegekend, zonder te onderbouwen waarom het toegekende bedrag in zijn geval ontoereikend is. Gelet hierop heeft verweerder deze schadepost niet te laag vastgesteld.



Bouwsteen C: het inkomen van de ouders in relatie tot de teruggevorderde kinderopvangtoeslag





10.5.
Verweerder heeft een bedrag van € 500,- toegekend ter vergoeding van de schok die bij eiser is ontstaan als gevolg van de confrontatie met de terugvorderingen. Dit bedrag is gebaseerd op de verhouding tussen het bedrag van € 48.395,- dat verweerder in totaal heeft teruggevorderd en het (bruto) inkomen van € 499.331,- van eiser en zijn toenmalige toeslagpartners in de jaren van de terugvorderingen. Na de zitting heeft verweerder nader toegelicht op welke wijze deze berekening is uitgevoerd en welke factor daarbij is gehanteerd, hetgeen heeft geleid tot het toegekende bedrag van € 500,-. Eiser heeft deze berekening en de daaraan ten grondslag liggende conclusie niet betwist, maar heeft uitsluitend naar voren gebracht dat het hem heeft bevreemd dat deze onderbouwing niet al eerder kenbaar was gemaakt. De rechtbank stelt vast dat met de nadere toelichting de wijze van berekening alsnog inzichtelijk is geworden. Deze gang van zaken leidt in dit geval niet tot het oordeel dat het besluit in zoverre onzorgvuldig of onvoldoende gemotiveerd is. Eiser heeft de juistheid van de berekening niet weersproken en niet aannemelijk gemaakt dat het toegekende bedrag onjuist of te laag is vastgesteld.



Bouwsteen D: onterecht geen recht op kinderopvangtoeslag





10.6.

Verweerder heeft toegelicht dat een vergoeding alleen wordt toegekend als na stopzetting en terugvordering van de kinderopvangtoeslag het recht op deze toeslag voor de volgende jaren is ontzegd. Verweerder heeft een bedrag van € 500,- toegekend, omdat eiser van januari 2012 tot en met juni 2012 werkzaam was en in die periode recht had op kinderopvangtoeslag. Voor de jaren na 2012 is volgens verweerder niet gebleken dat het recht op kinderopvangtoeslag aan eiser is ontzegd. Daarbij heeft verweerder meegewogen dat eiser vanaf juli 2012 zijn werk heeft stopgezet en daarna met zijn kinderen bij zijn moeder is gaan wonen. Niet is gebleken dat eiser na juli 2012 nog recht had op kinderopvangtoeslag en ook zijn er geen aanwijzingen dat er na die datum nog kinderopvang is genoten. Op basis hiervan kan niet worden geconcludeerd dat het recht op kinderopvangtoeslag aan eiser is ontzegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door verweerder gegeven motivering onjuist is.
Onderkant formulier




Bouwsteen E: De stressvolle jaren vanaf de eerste negatieve kinderopvangtoeslagbeschikking





10.7.
Niet in geschil is dat eiser voor deze bouwsteen recht heeft op € 500,- per half jaar als vergoeding voor de stressvolle periode als gevolg van de problemen met de kinderopvangtoeslag tot aan het herstel. Conform het beleid heeft verweerder als moment van herstel de datum van het primaire besluit gehanteerd. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en stelt dat de stress pas eindigt bij afronding van de onderhavige procedure. Volgens eiser had verweerder hiermee rekening moeten houden bij de vaststelling van de schade. De rechtbank volgt eiser hierin niet. In het toepasselijke beleid is bewust gekozen voor aansluiting bij het moment van het primaire besluit als eindpunt van de het herstel. Dit biedt geen ruimte om het herstelmoment door te trekken tot na afronding van deze procedure. Door eiser ervaren stress als gevolg van de onderhavige procedure heeft eiser overigens betrokken in een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.



De overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM





11.1.
Eiser verzoekt om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.



11.2.
De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere duur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.



11.3.
Het bezwaarschrift van eiser is door verweerder ontvangen op 24 mei 2023. Vanaf de datum van de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder tot de datum van deze uitspraak zijn, afgerond naar hele maanden, 37 maanden verstreken. De redelijke termijn is dus, afgerond, met 13 maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.500,-. Omdat de gehele overschrijding binnen de bezwaarfase is gelegen, komt deze schadevergoeding voor rekening van verweerder.




Conclusie


12.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Verweerder zal worden veroordeeld tot betaling van immateriële schadevergoeding voor een bedrag van € 1.500,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn.



12.2.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt daarom voor zijn beroep ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder zal wel worden veroordeeld in eisers proceskosten voor verleende rechtsbijstand in verband met het verzoek om schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Die kosten worden begroot op een bedrag van € 467,- (1 punt voor het indienen van het schadeverzoek, met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5).




Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep ongegrond;


veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 1.500,-;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.




Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, voorzitter, mrs. R. Hirzalla enM.C. Werner, leden,in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.



griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.


Zie het Instellingsbesluit Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade (Stcrt. 2020, 30541).


Dit volgt uit artikel 2.1, derde lid, van de Wht.


Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620.


Op grond van artikel 5.2. van de Wht en de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade.


Gepubliceerd op de website van de CWS: https://www.werkelijkeschade.nl/documenten.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294.