Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:6573

2026-06-30 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht AMS 25/634
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-06-30
Publicatiedatum
2026-06-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AMS 25/634
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak; WIA; gebrek hersteld door fysiek spreekuur; geen onzorgvuldig onderzoek; geen grond te twijfelen aan belastbaarheid; geen aanleiding benoeming deskundige; geen grond voor oordeel dat maatmaninkomen of mate arbeidsongeschiktheid anderszins onjuist is vastgesteld; beroep gegrond vanwege in tussenuitspraak geconstateerde gebrek; rechtgevolgen bestreden besluit blijven in stand; vergoeding griffierecht en proceskosten.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.057 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: AMS 25/634

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen




[eiseres]
, uit Spanje, eiseres
(gemachtigde: mr. M. de Boorder),



en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. E. Kok).





Procesverloop


Deze uitspraak is een vervolg op de tussenuitspraak van 9 januari 2026. Voor een weergave van het procesverloop tot aan deze tussenuitspraak verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.



In de tussenuitspraak heeft de rechtbank een gebrek in het bestreden besluit van 10 december 2024 geconstateerd. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.



Het Uwv heeft in reactie op de tussenuitspraak schriftelijk verklaard gebruik te maken van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het Uwv heeft eiseres hierop opgeroepen om op een fysiek spreekuur van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te verschijnen en daarna een aanvullende motivering ingediend.



Eiseres heeft hierop schriftelijk gereageerd.



Vervolgens heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.




Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.

2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiseres niet heeft opgeroepen voor een fysiek spreekuur en niet heeft gemotiveerd waarom een spreekuurcontact, gelet op de psychische klachten en aanwezige medische gegevens, geen toegevoegde waarde zou hebben gehad. Met de tussenuitspraak heeft het Uwv de gelegenheid gekregen om dit gebrek te herstellen. Dit kon zij doen door een aanvullende motivering of een nieuw fysiek onderzoek.

3. Het Uwv heeft eiseres opgeroepen voor een fysiek spreekuur op 11 maart 2026 bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Laatstgenoemde heeft de bevindingen van het onderzoek opgenomen in een rapport van 3 april 2026. Daarin wordt kort geconcludeerd dat in het beroepschrift, het spreekuur en de overgelegde medische stukken geen nieuwe medische feiten aan de orde zijn gekomen die een ander licht werpen op de vastgestelde functionele mogelijkheden op de datum in geding (1 mei 2023). Het Uwv handhaaft daarom het bestreden besluit.

4. Eiseres voert in de zienswijze aan dat het onbegrijpelijk is dat de belastbaarheid juist is vastgesteld omdat uit verschillende stukken volgt dat zij psychische klachten heeft. Ze wijst op de gegevens van de huisarts, het bericht van PsyQ en een behandelplan van SGGZ. Ten onrechte is geen rekening gehouden met medische informatie, omdat die niet op de datum in geding zou zien. Ook vindt eiseres het onbegrijpelijk dat bepaalde medische informatie niet is opgenomen in het dossier omdat zij bij de overlegging daarvan onder invloed zou zijn geweest. Daarnaast is niet duidelijk wat wordt bedoeld met intoxicatie. Tot slot wijst eiseres op een tegenstrijdigheid in de rapportage, omdat enerzijds wordt aangegeven dat de situatie hetzelfde is en anderzijds dat sprake lijkt van een verslechtering van de psychische situatie.



Medische grondslag van het bestreden besluit





Het onderzoek



5. Allereerst zal de rechtbank beoordelen of het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld is. De rechtbank maakt uit het rapport van 3 april 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat eiseres is gezien en (waar mogelijk) onderzocht tijdens een fysiek spreekuur. De rechtbank acht het gebrek hiermee hersteld.

6. De rechtbank ziet geen aanleiding om het medisch onderzoek na herstel onzorgvuldig te achten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier en het beroepschrift van eiseres bestudeerd en heeft eiseres gezien en psychisch onderzocht op een spreekuur. Daarnaast is de volgende nadere medische informatie betrokken: een bericht van huisarts [naam 1] van 1 april 2026, het huisartsenjournaal van 26 juni 2024 tot en met 3 december 2025, het diagnostisch onderzoek van psychiater [naam 2] van 25 september 2025, het bericht van PsyQ van 17 januari 2023 en het behandelplan van de SGGZ van 4 juni 2020. De verzekeringsarts bezwaar en beroep licht in zijn rapport toe dat is besloten het door eiseres tijdens het spreekuur overhandigde huisartsenjournaal voor een groot deel niet mee te nemen, omdat deze informatie niet ziet op de datum in geding. Ook is daarbij overwogen dat eiseres onder invloed was en niet op de hoogte bleek van de inhoud ervan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens nadere medische informatie bij de gemachtigde van eiseres opgevraagd die ziet op de datum in geding. Die informatie is vervolgens wel in het dossier meegenomen (zie de opsomming hiervoor). De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie waar eiseres naar verwijst kenbaar heeft meegenomen in haar beoordeling. Dat een deel van het huisartsenjournaal niet is meegenomen is, gelet op voorgaande toelichting, niet onbegrijpelijk of onzorgvuldig. De rechtbank vindt ook dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op een zorgvuldige en duidelijke manier alle naar voren gebrachte klachten heeft betrokken bij de medische beoordeling. De rechtbank ziet geen grond om aan te nemen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aspecten van de medische situatie van eiser heeft gemist.



De medische beoordeling over de belastbaarheid



7. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv zijn standpunt over de belastbaarheid van eiseres op de datum in geding voldoende heeft gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in haar rapport van 26 november 2024 uitgebreid ingegaan op de psychische beperkingen van eiseres, met verwijzing naar medische stukken en het primaire spreekuur waarin diverse klachten worden besproken. Het gaat om stemmingsklachten, slaapproblemen, niet kunnen genieten, nergens zin in hebben, concentratieproblemen, schuldgevoel, minderwaardigheidsgevoel, geheugenproblemen, moeheid, herbelevingen, nachtmerries en verhoogde prikkelbaarheid. Er zijn op basis van de beschikbare informatie (forse) beperkingen gesteld ten aanzien van het persoonlijk en het sociaal functioneren. Ook is een urenbeperking opgenomen van 4 uur per dag, omdat eiseres aan de indicatie voor een stoornis in de energiehuishouding voldoet. In haar rapport van 6 april 2026 betrekt de verzekeringsarts bezwaar en beroep het beroepschrift van eiseres, de nadere medische informatie en het fysieke spreekuur van 11 maart 2026 bij haar medische oordeel. Zij concludeert dat er op de datum in geding geen andere medische situatie bestond dan die al tijdens de bezwaarprocedure bekend was. Ook betrekt zij de aanvullende medische informatie en legt zij uit dat deze geen nieuwe feiten bevat die een ander licht werpen op de medische situatie op de datum in geding. De rechtbank vindt deze motivering begrijpelijk. Dat eiseres minder belastbaar is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is geconstateerd, heeft eiseres niet voldoende onderbouwd met (medische) informatie.

8. De verzekeringsarts bezwaar en beroep constateert daarnaast dat het beeld van de psychische gesteldheid van eiseres tijdens het laatste fysieke spreekuur niet overeenkomt met de indruk die eerder van haar werd verkregen tijdens de hoorzitting via beeldbellen op 4 november 2024. Ook merkt zij op dat de psychische situatie ernstiger wordt ingeschat dan voorheen, waarbij eiseres ook onder invloed is. Dit heeft volgens haar echter geen gevolgen voor de beoordeling van de belastbaarheid op de datum in geding. De rechtbank vindt deze constateringen, anders dan eiseres, niet tegenstrijdig. De rechtbank begrijpt de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zo dat op verschillende momenten een wisselend beeld van de medische situatie van eiseres is verkregen en dat de observaties tijdens het fysieke spreekuur – gelet op het tijdsverloop na de datum in geding en het onder invloed zijn van eiseres – maar beperkt relevant zijn voor de beoordeling. Voor de beoordeling is de medische situatie van eiseres op de datum in geding bepalend.

9. Het is de rechtbank tot slot voldoende duidelijk wat met ‘intoxicatie’ (ook wel: onder invloed zijn) in het rapport van 6 april 2026 wordt bedoeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep legt dit uit door te vermelden dat eiseres heeft aangegeven drie tabletten duloxetine te hebben ingenomen, terwijl op de verpakking “eenmaal daags 1” staat. De rechtbank vindt het bovendien begrijpelijk dat, vanwege onder meer het onder invloed zijn van eiseres, de observaties tijdens het fysiek spreekuur beperkt relevant worden geacht.

10. Gelet op het voorgaande bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel over de belastbaarheid van eiseres op de datum in geding. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen. De beroepsgrond slaagt niet.



Arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit



11. Eiseres voert verder aan dat zij als tandartsassistente heeft gewerkt tegen een CAO-jeugdloon. De loonberekening van het Uwv is onjuist, omdat de voor haar resterende verdiencapaciteit is berekend met lonen voor volwassenen. Hierdoor wordt zij sneller als arbeidsongeschikt beschouwd. Haar CAO-loon moet worden vergeleken met het loon van passende functies.

12. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep legt uit dat het maatmanloon is vastgesteld op basis van het loon dat volledig in het refertejaar is verdiend. Eiseres werkte tot 31 mei 2021 bij [bedrijf] . Voor de berekening wordt uitgegaan van haar loon dat zij bij deze werkgever heeft verdiend tot haar eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 3 mei 2021. Het Uwv gebruikt het door de werkgever opgegeven SV-loon zoals geregistreerd in de polisadministratie. Over het bezwaar van eiseres dat het CAO-loon vergeleken moet worden met het loon van passende functies, stelt de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat er geen (recente) CAO voor tandartsassistenten bestaat; de laatste liep ruim 20 jaar geleden af. De gemachtigde heeft verder geen concrete gegevens aangeleverd ter onderbouwing van een andere berekening. Dit zou bovendien geen verschil maken, omdat een schatting voor de WIA niet wordt uitgevoerd met een CAO-loon, aldus de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

13. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv het maatmaninkomen juist heeft vastgesteld. Uit vaste rechtspraak volgt dat het Uwv mag uitgaan van de gegevens van de polisadministratie, tenzij noodzakelijke gegevens ontbreken of wordt aangetoond dat deze gegevens onjuist zijn. Niet in geschil is dat de gegevens die in de polisadministratie zijn opgenomen juist zijn. De artikelen 7 en 7a van het Schattingsbesluit geven aan hoe het maatmaninkomen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet WIA, wordt berekend. Het Uwv heeft gemotiveerd hoe het op basis van de loongegevens uit de polisadministratie tot de berekening van het maatmaninkomen van eiseres is gekomen. De rechtbank kan deze motivering volgen. De beroepsgrond slaagt niet.

14. De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat de mate van arbeidsongeschiktheid onjuist is vastgesteld.



Conclusie

15. De conclusie van de rechtbank is dat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek met het aanvullende spreekuurcontact en de aanvullende motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is hersteld.

16. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat het Uwv in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het Uwv aan eiseres het door haar betaalde griffierecht terugbetalen. Verder moet het Uwv de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.
Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.L. Wiersinga, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.









griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 7a, tweede lid, Schattingsbesluit.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:961.