Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:6531
2026-02-12
Strafrecht; Materieel strafrecht
13/282983-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor feiten betreffende de Opiumet en eenvoudig witwassen. Voor eenvoudig witwassen is een verhullingshandeling niet vereist.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2016:2842 Hoge Raad 13-12-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.793 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/282983-25
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1999,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [detentieadres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. T.M. van Wanrooij, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.D. Polat, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich op 23 oktober 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1
het opzettelijk vervoeren dan wel aanwezig hebben van ongeveer 34,64 gram MDMA en 31,04 gram cocaïne en het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of aanwezig hebben van ongeveer 1,99 gram cocaïne;
feit 2
het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 177,04 gram 2C-B, 1.081,68 gram MDMA en 965,4 gram cocaïne;
feit 3
het medeplegen van voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen om drugshandel mogelijk te maken;
feit 4
het medeplegen van het witwassen van een geldbedrag van ongeveer 12.840 euro en 400 pond.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweren gevoerd, anders dan dat zij meent dat er onder de feiten 2, 3 en 4 geen sprake is van medeplegen. Ten aanzien van feit 4 stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat sprake is van een kwalificatie uitsluitingsgrond.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Dit mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte op de zitting. Onderdeel van die verklaring is dat het geld en de drugs die bij verdachte (thuis) zijn gevonden niet van hem waren, maar van iemand anders. Verdachte heeft verklaard dat hij de drugs in opdracht van die ander verkocht en dat hij een deel van de opbrengst zou krijgen. De rechtbank is van oordeel dat dit duidt op een nauwe en bewuste samenwerking en dat er dus sprake is van medeplegen van het handelen in drugs. De rechtbank verklaart het medeplegen zoals ten laste gelegd onder 2, 3 en 4 dan ook bewezen.
Ten aanzien van feit 3 merkt de rechtbank nog op dat zij niet komt tot een bewezenverklaring van de geldbedragen als voorwerp waarmee voorbereidingshandelingen zijn gepleegd. Verdachte heeft hierover verklaard dat het geld verdiend is met drugshandel. Het dossier bevat geen aanknopingspunten om de conclusie te trekken dat het geld is bestemd voor de inkoop van drugs.
Ten aanzien van feit 4 overweegt de rechtbank tot slot dat verdachte op de zitting heeft verklaard dat het grootste deel van de aangetroffen 9.585 euro van hem is en dat een kleiner deel, ongeveer 2.000 euro van zijn huisgenoot zou zijn. Verdachte heeft dit echter niet verder onderbouwd en zijn verklaring vindt ook geen steun in de verklaring van zijn huisgenoot, die slechts verklaart over een (niet in de tenlastelegging opgenomen) geldbedrag van 425 euro in zijn portemonnee. De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte alle bedragen zoals ten laste gelegd voorhanden had en dat dit geld onmiddellijk afkomstig was uit eigen misdrijf.
Gezien de bekennende verklaring van verdachte, waarbij hij zelf aangeeft dat met iemand anders heeft samengewerkt, volstaat de rechtbank op grond van artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) met een opgave van de voor de feiten gebruikte bewijsmiddelen, namelijk:
Voor de feiten 1, 2, 3 en 4:
1. De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd op de terechtzitting van 29 januari 2026 en neergelegd in het proces-verbaal van die zitting.
Voor feit 1 en 4:
2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025267505-15 van 23 oktober 2025 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 10-16).
Voor feit 2, 3 en 4:
3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025267505-30 van 24 oktober 2025 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 17-19).
Voor feit 1 en 2:
4. Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, met nummer 251027-542-970 van 10 december 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (doorgenummerde pagina’s 7-16 in het aanvullend procesdossier FO drugs).
5. Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, met nummer 251027-542-613 van 11 november 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] , [verbalisant 6] , [verbalisant 7] en [verbalisant 8] (doorgenummerde pagina’s 17-24 in het aanvullend procesdossier nazending 2).
6. Een geschrift, te weten een rapport identificatie van drugs van het Nederlands Forensisch Instituut van 9 december 2025 opgemaakt door [deskundige] .
5Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
feit 1
op 23 oktober 2025 te Amsterdam, opzettelijk heeft vervoerd
- 34,64 gram van een materiaal bevattende MDMA (goednummer 6726769)
- 31,04 gram van een materiaal bevattende cocaïne (goednummer 6726756);
en
opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd en verstrekt
- 1,99 gram van een materiaal bevattende cocaïne (goednummer 6726780);
feit 2
op 23 oktober 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 177,04 gram van een materiaal bevattende 2C-B (goednummer 6727024)
- 599,61 en 482,07 gram van een materiaal bevattende MDMA (goednummers 6727060 en 6727072)
- 254,8 en 178,5 en 240,4 en 291,7 gram van een materiaal bevattende cocaïne (goednummers 6727046, 6727037, 6727074 en 6727059);
feit 3
op 23 oktober 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden
- een grote hoeveelheid vloeistoffen, pillen, (kristalvormige) poeders in flesjes, wikkels en sealbags en
- een telefoon
voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en mededader wisten dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;
feit 4
op 23 oktober 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander
geldbedragen van 2205 euro, 1050 euro, 9585 euro en 400 pond
voorhanden heeft gehad
terwijl verdachte en zijn mededader wisten dat die geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit eigen misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6De strafbaarheid van de feiten
De raadsvrouw heeft in verband met het als feit 4 ten laste gelegde witwassen bepleit dat er geen sprake is van enige verhullingshandeling, zodat het voorhanden hebben door verdachte van geld afkomstig uit eigen misdrijf niet kan worden gekwalificeerd als witwassen.
De rechtbank is van oordeel dat inderdaad geen sprake is van enige verhullingshandeling en komt dan ook tot de conclusie dat sprake is van het (impliciet) subsidiair ten laste gelegde eenvoudig witwassen. Voor de strafbaarheid van eenvoudig witwassen is immers, anders dan voor de strafbaarheid van ‘gewoon’ witwassen (het verwerven of voorhanden hebben van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp in de zin van artikel 420bis lid 1 onder b en artikel 420quater lid 1 onder b van het wetboek van strafrecht (Sr)), niet vereist dat in de bewijsvoering ook een gedraging van de verdachte is vastgesteld, die (kennelijk) gericht is geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp (i.c. het geld).
De bewezen geachte feiten 1 tot en met 4 zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8Motivering van de straffen en maatregelen
8.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft gezeten.
8.2
Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft met een beroep op de persoonlijke omstandigheden van verdachte verzocht de op te leggen straf te beperken tot een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf, waarbij de voorwaardelijke gevangenisstraf zou moeten dienen als stok achter de deur ter voorkoming van recidive.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drugsbezit en drugshandel. Verdachte handelde in opdracht van en in samenwerking met iemand die hem de drugs ter beschikking stelde, waarbij het de taak van verdachte was de drugs te verkopen aan gebruikers. Op de zitting heeft verdachte verklaard dat dit voor hem een manier was om snel veel geld te verdienen. Met zijn handelen heeft verdachte dus vooral zijn eigen belang voorop gesteld en de negatieve gevolgen van drugshandel voor gebruikers en de maatschappij op de koop toe genomen.
Persoon van verdachte
In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte in Nederland, maar ook in de landen waar hij vóór zijn komst naar Nederland heeft gewoond, niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten. Wel overweegt de rechtbank dat verdachte op de zitting heeft verklaard zich niet te hebben gerealiseerd welke straf hij met zijn handelen riskeerde. Verdachte geeft er daarmee blijk van dat hij de impact van drugshandel op de maatschappij danig heeft onderschat. Amsterdam heeft veel overlast van de gevolgen van handel in en gebruik van harddrugs, hetgeen ook de reden is dat hier hoge straffen voor worden opgelegd. Voor verdachte, die nog niet zo lang in Nederland verblijft, is dit dus een harde kennismaking met de realiteit.
Eendaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 2 (het voorhanden hebben van handelshoeveelheden drugs) en feit 3 (het voorhanden hebben van voorwerpen die bedoeld zijn voor drugshandel) sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid Sr. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen – het tegengaan van drugshandel – niet uiteenloopt. Dat betekent dat de rechtbank bij de bepaling van de hoogte van de straf voor deze feiten uit zal gaan van één van de twee feiten, te weten die waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld.
De op te leggen straf
Met inachtneming van het voorgaande heeft de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de straf ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gelet daarop en mede gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden zoals door de officier van justitie geëist in deze situatie passend, met dien verstande dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, een deel van die straf, te weten vier maanden, voorwaardelijk zal opleggen. Dit vanwege het feit dat verdachte ‘first offender’ is en de rechtbank met de raadsvrouw van oordeel is dat een voorwaardelijke straf met een proeftijd van twee jaar kan dienen als stok achter de deur ter voorkoming van recidive.
8.4
Beslag
Onder verdachte zijn de voorwerpen in beslag genomen, zoals genoemd op de als bijlage II aan dit vonnis gehechte beslaglijst. Deze voorwerpen zijn genummerd van 1 tot en met 48.
Verbeurdverklaring :
Geldbedragen:
De op de beslaglijst onder de nummers 1, 2, 4 en 48 opgenomen inbeslaggenomen en niet teruggegeven geldbedragen behoren aan verdachte toe. Nu met betrekking tot deze geldbedragen het onder feit 4 bewezen geachte is begaan, worden deze geldbedragen verbeurdverklaard.
Ten aanzien van het geldbedrag van 6.505 euro dat op de beslaglijst onder nummer 3 staat opgenomen, heeft de officier van justitie op de zitting gezegd dat dit bedrag reeds is teruggegeven aan de rechthebbende, te weten de zus van verdachte, [zus van verdachte] . Aangezien dit geldbedrag op de beslaglijst staat vermeld, gelast de rechtbank zekerheidshalve de teruggaaf van dit geldbedrag aan de rechthebbende, [zus van verdachte] .
Telefoons:
Er zijn vier telefoons in beslag genomen. Deze staan op de beslaglijst onder de nummers 5, 6, 46 en 47. Van de Samsung telefoon die op de beslaglijst onder nummer 5 staat opgenomen, stelt de rechtbank vast dat deze is gebruikt voor de bewezenverklaarde feiten. Nu dit het geval is zal deze telefoon verbeurd worden verklaard. Ten aanzien van de overige telefoons (nummer 6, 46 en 47) gelast de rechtbank teruggaaf daarvan aan de rechthebbende.
Onttrekking aan het verkeer:
Verdovende middelen:
Onder de nummers 7 t/m 45 van de beslaglijst staan diverse verdovende middelen opgenomen. Aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, dan wel bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven zijn aangetroffen, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven, en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 55, 57 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
10Beslissing
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van de feiten 2 en 3:
eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
ten aanzien van feit 4:
medeplegen van eenvoudig witwassen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Verklaart verbeurd:
De in de beslaglijst in bijlage II onder de nummers 1, 2, 4, 5 en 48 genoemde goederen.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
De in de beslaglijst in bijlage II onder de nummers 7 tot en met 45 genoemde goederen.
Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:
De in de beslaglijst in bijlage II onder de nummers 3, 6, 46 en 47 genoemde goederen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.V.L. van Well, voorzitter,
mrs. J.M.R. Vastenburg en A.M. Loots, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 februari 2026.
[(...)]
ECLI:NL:HR:2016:2842
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/282983-25
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1999,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [detentieadres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. T.M. van Wanrooij, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.D. Polat, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich op 23 oktober 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1
het opzettelijk vervoeren dan wel aanwezig hebben van ongeveer 34,64 gram MDMA en 31,04 gram cocaïne en het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of aanwezig hebben van ongeveer 1,99 gram cocaïne;
feit 2
het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 177,04 gram 2C-B, 1.081,68 gram MDMA en 965,4 gram cocaïne;
feit 3
het medeplegen van voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen om drugshandel mogelijk te maken;
feit 4
het medeplegen van het witwassen van een geldbedrag van ongeveer 12.840 euro en 400 pond.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweren gevoerd, anders dan dat zij meent dat er onder de feiten 2, 3 en 4 geen sprake is van medeplegen. Ten aanzien van feit 4 stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat sprake is van een kwalificatie uitsluitingsgrond.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Dit mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte op de zitting. Onderdeel van die verklaring is dat het geld en de drugs die bij verdachte (thuis) zijn gevonden niet van hem waren, maar van iemand anders. Verdachte heeft verklaard dat hij de drugs in opdracht van die ander verkocht en dat hij een deel van de opbrengst zou krijgen. De rechtbank is van oordeel dat dit duidt op een nauwe en bewuste samenwerking en dat er dus sprake is van medeplegen van het handelen in drugs. De rechtbank verklaart het medeplegen zoals ten laste gelegd onder 2, 3 en 4 dan ook bewezen.
Ten aanzien van feit 3 merkt de rechtbank nog op dat zij niet komt tot een bewezenverklaring van de geldbedragen als voorwerp waarmee voorbereidingshandelingen zijn gepleegd. Verdachte heeft hierover verklaard dat het geld verdiend is met drugshandel. Het dossier bevat geen aanknopingspunten om de conclusie te trekken dat het geld is bestemd voor de inkoop van drugs.
Ten aanzien van feit 4 overweegt de rechtbank tot slot dat verdachte op de zitting heeft verklaard dat het grootste deel van de aangetroffen 9.585 euro van hem is en dat een kleiner deel, ongeveer 2.000 euro van zijn huisgenoot zou zijn. Verdachte heeft dit echter niet verder onderbouwd en zijn verklaring vindt ook geen steun in de verklaring van zijn huisgenoot, die slechts verklaart over een (niet in de tenlastelegging opgenomen) geldbedrag van 425 euro in zijn portemonnee. De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte alle bedragen zoals ten laste gelegd voorhanden had en dat dit geld onmiddellijk afkomstig was uit eigen misdrijf.
Gezien de bekennende verklaring van verdachte, waarbij hij zelf aangeeft dat met iemand anders heeft samengewerkt, volstaat de rechtbank op grond van artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) met een opgave van de voor de feiten gebruikte bewijsmiddelen, namelijk:
Voor de feiten 1, 2, 3 en 4:
1. De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd op de terechtzitting van 29 januari 2026 en neergelegd in het proces-verbaal van die zitting.
Voor feit 1 en 4:
2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025267505-15 van 23 oktober 2025 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 10-16).
Voor feit 2, 3 en 4:
3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025267505-30 van 24 oktober 2025 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 17-19).
Voor feit 1 en 2:
4. Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, met nummer 251027-542-970 van 10 december 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (doorgenummerde pagina’s 7-16 in het aanvullend procesdossier FO drugs).
5. Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, met nummer 251027-542-613 van 11 november 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] , [verbalisant 6] , [verbalisant 7] en [verbalisant 8] (doorgenummerde pagina’s 17-24 in het aanvullend procesdossier nazending 2).
6. Een geschrift, te weten een rapport identificatie van drugs van het Nederlands Forensisch Instituut van 9 december 2025 opgemaakt door [deskundige] .
5Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
feit 1
op 23 oktober 2025 te Amsterdam, opzettelijk heeft vervoerd
- 34,64 gram van een materiaal bevattende MDMA (goednummer 6726769)
- 31,04 gram van een materiaal bevattende cocaïne (goednummer 6726756);
en
opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd en verstrekt
- 1,99 gram van een materiaal bevattende cocaïne (goednummer 6726780);
feit 2
op 23 oktober 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 177,04 gram van een materiaal bevattende 2C-B (goednummer 6727024)
- 599,61 en 482,07 gram van een materiaal bevattende MDMA (goednummers 6727060 en 6727072)
- 254,8 en 178,5 en 240,4 en 291,7 gram van een materiaal bevattende cocaïne (goednummers 6727046, 6727037, 6727074 en 6727059);
feit 3
op 23 oktober 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden
- een grote hoeveelheid vloeistoffen, pillen, (kristalvormige) poeders in flesjes, wikkels en sealbags en
- een telefoon
voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en mededader wisten dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;
feit 4
op 23 oktober 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander
geldbedragen van 2205 euro, 1050 euro, 9585 euro en 400 pond
voorhanden heeft gehad
terwijl verdachte en zijn mededader wisten dat die geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit eigen misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6De strafbaarheid van de feiten
De raadsvrouw heeft in verband met het als feit 4 ten laste gelegde witwassen bepleit dat er geen sprake is van enige verhullingshandeling, zodat het voorhanden hebben door verdachte van geld afkomstig uit eigen misdrijf niet kan worden gekwalificeerd als witwassen.
De rechtbank is van oordeel dat inderdaad geen sprake is van enige verhullingshandeling en komt dan ook tot de conclusie dat sprake is van het (impliciet) subsidiair ten laste gelegde eenvoudig witwassen. Voor de strafbaarheid van eenvoudig witwassen is immers, anders dan voor de strafbaarheid van ‘gewoon’ witwassen (het verwerven of voorhanden hebben van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp in de zin van artikel 420bis lid 1 onder b en artikel 420quater lid 1 onder b van het wetboek van strafrecht (Sr)), niet vereist dat in de bewijsvoering ook een gedraging van de verdachte is vastgesteld, die (kennelijk) gericht is geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp (i.c. het geld).
De bewezen geachte feiten 1 tot en met 4 zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8Motivering van de straffen en maatregelen
8.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft gezeten.
8.2
Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft met een beroep op de persoonlijke omstandigheden van verdachte verzocht de op te leggen straf te beperken tot een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf, waarbij de voorwaardelijke gevangenisstraf zou moeten dienen als stok achter de deur ter voorkoming van recidive.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drugsbezit en drugshandel. Verdachte handelde in opdracht van en in samenwerking met iemand die hem de drugs ter beschikking stelde, waarbij het de taak van verdachte was de drugs te verkopen aan gebruikers. Op de zitting heeft verdachte verklaard dat dit voor hem een manier was om snel veel geld te verdienen. Met zijn handelen heeft verdachte dus vooral zijn eigen belang voorop gesteld en de negatieve gevolgen van drugshandel voor gebruikers en de maatschappij op de koop toe genomen.
Persoon van verdachte
In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte in Nederland, maar ook in de landen waar hij vóór zijn komst naar Nederland heeft gewoond, niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten. Wel overweegt de rechtbank dat verdachte op de zitting heeft verklaard zich niet te hebben gerealiseerd welke straf hij met zijn handelen riskeerde. Verdachte geeft er daarmee blijk van dat hij de impact van drugshandel op de maatschappij danig heeft onderschat. Amsterdam heeft veel overlast van de gevolgen van handel in en gebruik van harddrugs, hetgeen ook de reden is dat hier hoge straffen voor worden opgelegd. Voor verdachte, die nog niet zo lang in Nederland verblijft, is dit dus een harde kennismaking met de realiteit.
Eendaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 2 (het voorhanden hebben van handelshoeveelheden drugs) en feit 3 (het voorhanden hebben van voorwerpen die bedoeld zijn voor drugshandel) sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid Sr. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen – het tegengaan van drugshandel – niet uiteenloopt. Dat betekent dat de rechtbank bij de bepaling van de hoogte van de straf voor deze feiten uit zal gaan van één van de twee feiten, te weten die waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld.
De op te leggen straf
Met inachtneming van het voorgaande heeft de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de straf ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gelet daarop en mede gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden zoals door de officier van justitie geëist in deze situatie passend, met dien verstande dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, een deel van die straf, te weten vier maanden, voorwaardelijk zal opleggen. Dit vanwege het feit dat verdachte ‘first offender’ is en de rechtbank met de raadsvrouw van oordeel is dat een voorwaardelijke straf met een proeftijd van twee jaar kan dienen als stok achter de deur ter voorkoming van recidive.
8.4
Beslag
Onder verdachte zijn de voorwerpen in beslag genomen, zoals genoemd op de als bijlage II aan dit vonnis gehechte beslaglijst. Deze voorwerpen zijn genummerd van 1 tot en met 48.
Verbeurdverklaring :
Geldbedragen:
De op de beslaglijst onder de nummers 1, 2, 4 en 48 opgenomen inbeslaggenomen en niet teruggegeven geldbedragen behoren aan verdachte toe. Nu met betrekking tot deze geldbedragen het onder feit 4 bewezen geachte is begaan, worden deze geldbedragen verbeurdverklaard.
Ten aanzien van het geldbedrag van 6.505 euro dat op de beslaglijst onder nummer 3 staat opgenomen, heeft de officier van justitie op de zitting gezegd dat dit bedrag reeds is teruggegeven aan de rechthebbende, te weten de zus van verdachte, [zus van verdachte] . Aangezien dit geldbedrag op de beslaglijst staat vermeld, gelast de rechtbank zekerheidshalve de teruggaaf van dit geldbedrag aan de rechthebbende, [zus van verdachte] .
Telefoons:
Er zijn vier telefoons in beslag genomen. Deze staan op de beslaglijst onder de nummers 5, 6, 46 en 47. Van de Samsung telefoon die op de beslaglijst onder nummer 5 staat opgenomen, stelt de rechtbank vast dat deze is gebruikt voor de bewezenverklaarde feiten. Nu dit het geval is zal deze telefoon verbeurd worden verklaard. Ten aanzien van de overige telefoons (nummer 6, 46 en 47) gelast de rechtbank teruggaaf daarvan aan de rechthebbende.
Onttrekking aan het verkeer:
Verdovende middelen:
Onder de nummers 7 t/m 45 van de beslaglijst staan diverse verdovende middelen opgenomen. Aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, dan wel bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven zijn aangetroffen, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven, en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 55, 57 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
10Beslissing
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van de feiten 2 en 3:
eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
ten aanzien van feit 4:
medeplegen van eenvoudig witwassen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Verklaart verbeurd:
De in de beslaglijst in bijlage II onder de nummers 1, 2, 4, 5 en 48 genoemde goederen.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
De in de beslaglijst in bijlage II onder de nummers 7 tot en met 45 genoemde goederen.
Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:
De in de beslaglijst in bijlage II onder de nummers 3, 6, 46 en 47 genoemde goederen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.V.L. van Well, voorzitter,
mrs. J.M.R. Vastenburg en A.M. Loots, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 februari 2026.
[(...)]
ECLI:NL:HR:2016:2842