Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:6371
2026-06-23
Bestuursrecht
AMS 25/4707
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De rechtbank ziet geen reden om de definitieve vaststelling van de Bbz-uitkering van eiseres over 2021 en het terugvorderingsbedrag voor onjuist te houden. Sprake van een voldoende evenwichtige belangenafweging. Beroep ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2025:376 Centrale Raad van Beroep 25-02-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.699 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4707
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. C.J. Telting).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de definitieve vaststelling en de terugvordering van de Bbz-uitkering die eiseres heeft ontvangen over het jaar 2021. Eiseres is het niet eens met de definitieve vaststelling en de hoogte van de terugvordering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het recht van eiseres op een Bbz-uitkering over het jaar 2021 juist heeft berekend en eiseres nog een bedrag van € 10.555,83 aan verweerder moet terugbetalen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Deze procedure gaat over het besluit van 20 augustus 2025 (hierna: het bestreden besluit), waarin verweerder het bezwaar van eiseres tegen de definitieve vaststelling en terugvordering van de Bbz-uitkering over 2021 ongegrond heeft verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [de persoon] ([functie] van eiseres) en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Wat vooraf ging aan het bestreden besluit van 20 augustus 2025
3. Met een besluit van 16 maart 2021 is aan eiseres een Bbz-uitkering toegekend vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021. De uitkering is verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening. Onder het kopje “Betaalt u de uitkering terug?” staat dat eiseres de uitbetaalde uitkering terug moet betalen omdat het vermogen van eiseres hoger is dan de vermogensgrens die voor haar geldt.
4. Op 25 april 2021 heeft eiseres een aanvraag Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke Kosten (TONK) gedaan. In een rapport van 12 mei 2021 is deze aanvraag beoordeeld. Er is geadviseerd om de aanvraag toe te kennen.
5. Met een besluit van 25 juni 2021 is de aanvraag toegekend. Eiseres krijgt een bedrag van € 3.892,50 voor haar woonlasten over de periode van januari tot en met juni 2021.
6. Met een besluit van 12 juli 2021 is de TONK met drie maanden verlengd tot en met september 2021. Het gaat om een bedrag van € 1.946,25.
7. Op 30 januari 2022 heeft eiseres een aanvraag verlenging van de Bbz-uitkering ingediend. Deze aanvraag is in een rapport van 7 februari 2022 beoordeeld. Met een besluit van 9 februari 2022 is de Bbz-uitkering toegekend vanaf 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2022. De uitkering is verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening. Onder het kopje “Betaalt u de uitkering terug?” staat dat eiseres de uitbetaalde uitkering terug moet betalen omdat het vermogen van eiseres hoger is dan de vermogensgrens die voor haar geldt.
8. In een rapport van 2 augustus 2022 is het vermogen van eiseres beoordeeld en is geconcludeerd dat bovengenoemde besluiten van 16 maart 2021 en 9 februari 2022 moeten worden herzien.
9. Met een besluit van 3 augustus 2022 is het besluit van 16 maart 2021 herzien. De Bbz-uitkering is over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 toegekend in de vorm van een renteloze lening. Of de uitkering (deels) moet worden terugbetaald is afhankelijk van het inkomen.
10. Met een besluit van eveneens 3 augustus 2022 is het besluit van 9 februari 2022 herzien. De Bbz-uitkering is over de periode van 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2022 toegekend in de vorm van een renteloze lening. Of de uitkering (deels) moet worden terugbetaald is afhankelijk van het inkomen.
11. In een rapport van 28 maart 2023 is beoordeeld wat eiseres over het jaar 2020 moet terugbetalen aan Bbz-uitkering.
12. In een rapport van eveneens 28 maart 2023 is beoordeeld wat eiseres over het jaar 2021 terug moet betalen aan Bbz-uitkering.
13. Met een besluit van 30 maart 2023 is de Bbz-uitkering over het jaar 2020 definitief vastgesteld. Eiseres moet een bedrag van € 410,16 aan verweerder terugbetalen.
14. Met een besluit van eveneens 30 maart 2023 (het primaire besluit) is de Bbz-uitkering over het jaar 2021 definitief vastgesteld. Eiseres moet een bedrag van € 10.555,83 aan verweerder terugbetalen. Verweerder ziet geen reden om af te zien van de terugvordering.
15. Met een beslissing op bezwaar van 2 februari 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft toegelicht hoe het inkomen voor de Bbz in 2021 is berekend. Volgens verweerder heeft eiseres inkomen gehad uit haar onderneming en uit de TONK. Dat de Belastingdienst ervan uitgaat dat eiseres in 2021 geen belastbaar inkomen heeft, maakt geen verschil. Eiseres heeft bij de Belastingdienst opgegeven dat zij geen inkomen had in 2021 en er waren aftrekposten vanwege haar eigen woning. Voor de Bbz gaat verweerder uit van inkomen, namelijk de winst uit onderneming en uit de TONK. Dit inkomen wordt op grond van artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) als een middel aangemerkt en moet bij de vaststelling van de hoogte van de Bbz in mindering worden gebracht. Op grond van artikel 58, tweede lid, sub a, van de Pw kan de verleende bijstand worden teruggevorderd. Verweerder ziet geen dringende reden om van de terugvordering af te zien.
16. Eiseres heeft beroep ingediend tegen de beslissing op bezwaar van 2 februari 2024. Met een uitspraak van 18 april 2025 heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen waarin een kenbare belangenafweging wordt gemaakt ten aanzien van de evenredigheid van de terugvordering.
17. Op 28 juli 2025 heeft eiseres een beroep niet-tijdig beslissen ingediend.
18. Op 20 augustus 2025 heeft verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar (het bestreden besluit) afgegeven. Hierin is het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij op grond van artikel 12, tweede lid, sub c van de Bbz 2004, indien het boekjaar samen met de inkomsten uit de onderneming van eiseres meer is dan de jaarnorm, het verschil kan terugvorderen. De rest van de Bbz-uitkering wordt dan omgezet in een bedrag om-niet. Het argument dat eiseres geen inkomsten in het jaar 2021 heeft gehad gaat niet op. Om het recht vast te stellen gaat de gemeente uit van alle inkomsten in het betreffende jaar. In het jaar 2021 heeft eiseres inkomsten uit haar onderneming gehad en inkomsten uit de TONK. Volgens verweerder is in de belangenafweging rekening gehouden met haar persoonlijke omstandigheden. Eiseres heeft afgezien van een hoorzitting. Zij heeft in haar e-mail van 5 augustus 2025 gesteld dat haar situatie ten opzichte van 2020 niet is veranderd en zij heeft verzocht om een soortgelijke uitkomst. Verweerder kan zich hier niet in vinden. Volgens verweerder is de financiële situatie van eiseres in 2021 aantoonbaar anders dan in 2020. Verder heeft eiseres de door verweerder gestelde vragen niet beantwoord. Tijdens de zitting van 19 maart 2025 heeft eiseres verklaard bij een eventuele terugbetaling € 150,- per maand te kunnen aflossen. Dit wijst erop dat eiseres enige betalingscapaciteit heeft. De terugvordering maakt daarom geen onevenredige inbreuk op het bestaansminimum. De terugvordering is daarnaast gespreid uitvoerbaar en een passende betalingsregeling is mogelijk. Er is volgens verweerder geen strijd met het evenredigheidsbeginsel. Van zwaarwegende nadelige gevolgen is niet gebleken.
Het standpunt van eiseres
19. Eiseres voert aan dat de rekensommen van verweerder niet juist zijn en dat verweerder jaartallen door elkaar haalt. Zij verwijst daarbij naar haar schrijven van 24 september 2025 gericht aan verweerder. Volgens eiseres had zij in 2021 geen inkomen buiten de Bbz en is er dus geen sprake van een te veel ontvangen bedrag. Het inkomen uit onderneming in 2021 was de winst uit [bedrijf] en dat is een eigen rechtspersoon. Eiseres stelt dat zij al jaren geen geld heeft ontvangen uit haar B.V. Verder was de winst bedoeld als buffer binnen de B.V. om eventuele lopende schulden te voldoen en om een faillissement voor te zijn. Eiseres voert verder aan dat de TONK niet hoeft te worden terugbetaald omdat het gaat om bijzondere bijstand. Het telt daarom niet mee als inkomen (ook niet voor toeslagen). Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), een handreiking van de Rijksoverheid over de TONK en het gemeentelijk kader van Amsterdam.
Mocht verweerder de winst uit onderneming in 2021 meetellen als inkomen?
20. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het rapport van 28 maart 2023 blijkt dat in 2021 sprake is van winst uit onderneming ter hoogte van een bedrag van € 9.342,-. Verweerder heeft toegelicht dat voor de Bbz het recht op bijstand wordt berekend op grond van het resultaat, in dit geval de winst uit de B.V. De rechtbank stelt vast dat dit in overeenstemming is met de definitie van het netto-inkomen dat betrokken wordt bij de vaststelling van het recht op een Bbz-uitkering en verwijst daarbij naar hetgeen is overwogen onder 3.2 van de uitspraak van 18 april 2025. Verweerder heeft in het bestreden besluit verder toegelicht dat hij bij het vaststellen van het inkomen uit onderneming rekening heeft gehouden met een forfait van € 1.588,18, waardoor het netto-inkomen uit onderneming € 7.753,86 bedraagt. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om deze berekening voor onjuist te houden. Dit betekent dat de beroepsgrond van eiseres – dat verweerder is uitgegaan van de verkeerde cijfers – niet slaagt.
Mocht verweerder het bedrag van de TONK meetellen als inkomen?
21. De rechtbank wijst in de eerste plaats op een uitspraak van de Raad van 25 februari 2025 waarin is toegelicht dat de TONK-regeling is geïntroduceerd in een brief van 9 december 2020 van een aantal ministers en staatssecretarissen aan de Eerste Kamer. De TONK-regeling hield in dat aan de gemeenten een bedrag ter beschikking werd gesteld om een tegemoetkoming te verstrekken aan huishoudens die door de coronacrisis een onvoorziene, onvermijdelijke en plotselinge terugval in hun inkomen hadden, waardoor zij in de problemen konden raken met de betaling van noodzakelijke kosten, waaronder woonlasten. De TONK-aanvraag moest worden beoordeeld als een aanvraag om bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Pw. Ter uitvoering van de TONK-regeling heeft de gemeente Amsterdam destijds beleidsregels vastgesteld.
22. Uit rechtsoverwegingen 4, 5 en 6 van deze uitspraak volgt dat verweerder aan eiseres in totaal een bedrag van € 5.838,75 aan TONK heeft toegekend als tegemoetkoming in haar woonlasten. Achteraf is gebleken – en door eiseres niet betwist – dat zij ook recht had op hypotheekbescherming. In het rapport van 28 maart 2023 is toegelicht dat eiseres gelet op deze hypotheekbescherming in 2021 feitelijk lage tot geen woonlasten had, terwijl zij hiervoor vanuit de TONK wel bijstand ontving. Volgens verweerder moet daarom de tegemoetkoming vanuit de TONK als onbelast inkomen worden meegenomen in de vaststelling van het recht op bijstand over 2021. De rechtbank ziet geen reden om dit voor onjuist te houden. Dat de TONK niet hoeft te worden terugbetaald omdat het gaat om bijzondere bijstand volgt de rechtbank niet. Zowel uit de informatie ter bevestiging van de aanvraag van 25 april 2021 als uit het besluit van 25 juni 2021 volgt dat verweerder het recht op de TONK mag controleren. Als na controle is gebleken dat de betrokkene te veel TONK heeft ontvangen, dan moet dat bedrag worden terugbetaald.
Heeft verweerder een evenwichtige belangenafweging gemaakt?
23. De rechtbank stelt vast dat eiseres in beroep geen gronden heeft aangevoerd tegen de gemaakte belangenafweging. De rechtbank overweegt ten overvloede dat verweerder in het bestreden besluit zijn belang, het terugvorderen van ten onrechte verstrekte bijstand met het oog op het herstellen van het rechtmatig gebruik van publieke middelen, heeft afgewogen tegen de (op dat moment bij verweerder bekende) persoonlijke belangen van eiseres. Zij heeft een schuld bij haar familie en is twee dagen per week werkzaam. Verweerder heeft overwogen dat een gespreide betalingsregeling, waarbij rekening wordt gehouden met de financiële draagkracht van eiseres, mogelijk is. De door verweerder gemaakte belangenafweging is voldoende evenwichtig en verweerder heeft op basis daarvan mogen concluderen dat er geen reden is om van de terugvordering af te zien.
Conclusie en gevolgen
24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.
Deze uitspraak is bij partijen bekend onder zaaknummer AMS 24/1716.
Deze uitspraak is op rechtspraak.nl gepubliceerd onder: ECLI:NL:CRVB:2025:376.
Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent het vergoeden van hoge woonlasten voor huishoudens met een inkomensterugval in verband met de coronacrisis (Tijdelijke beleidsregels TONK Amsterdam).
Dit is geregeld in artikel 6 van de Tijdelijke beleidsregels TONK Amsterdam.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4707
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. C.J. Telting).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de definitieve vaststelling en de terugvordering van de Bbz-uitkering die eiseres heeft ontvangen over het jaar 2021. Eiseres is het niet eens met de definitieve vaststelling en de hoogte van de terugvordering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het recht van eiseres op een Bbz-uitkering over het jaar 2021 juist heeft berekend en eiseres nog een bedrag van € 10.555,83 aan verweerder moet terugbetalen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Deze procedure gaat over het besluit van 20 augustus 2025 (hierna: het bestreden besluit), waarin verweerder het bezwaar van eiseres tegen de definitieve vaststelling en terugvordering van de Bbz-uitkering over 2021 ongegrond heeft verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [de persoon] ([functie] van eiseres) en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Wat vooraf ging aan het bestreden besluit van 20 augustus 2025
3. Met een besluit van 16 maart 2021 is aan eiseres een Bbz-uitkering toegekend vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021. De uitkering is verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening. Onder het kopje “Betaalt u de uitkering terug?” staat dat eiseres de uitbetaalde uitkering terug moet betalen omdat het vermogen van eiseres hoger is dan de vermogensgrens die voor haar geldt.
4. Op 25 april 2021 heeft eiseres een aanvraag Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke Kosten (TONK) gedaan. In een rapport van 12 mei 2021 is deze aanvraag beoordeeld. Er is geadviseerd om de aanvraag toe te kennen.
5. Met een besluit van 25 juni 2021 is de aanvraag toegekend. Eiseres krijgt een bedrag van € 3.892,50 voor haar woonlasten over de periode van januari tot en met juni 2021.
6. Met een besluit van 12 juli 2021 is de TONK met drie maanden verlengd tot en met september 2021. Het gaat om een bedrag van € 1.946,25.
7. Op 30 januari 2022 heeft eiseres een aanvraag verlenging van de Bbz-uitkering ingediend. Deze aanvraag is in een rapport van 7 februari 2022 beoordeeld. Met een besluit van 9 februari 2022 is de Bbz-uitkering toegekend vanaf 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2022. De uitkering is verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening. Onder het kopje “Betaalt u de uitkering terug?” staat dat eiseres de uitbetaalde uitkering terug moet betalen omdat het vermogen van eiseres hoger is dan de vermogensgrens die voor haar geldt.
8. In een rapport van 2 augustus 2022 is het vermogen van eiseres beoordeeld en is geconcludeerd dat bovengenoemde besluiten van 16 maart 2021 en 9 februari 2022 moeten worden herzien.
9. Met een besluit van 3 augustus 2022 is het besluit van 16 maart 2021 herzien. De Bbz-uitkering is over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 toegekend in de vorm van een renteloze lening. Of de uitkering (deels) moet worden terugbetaald is afhankelijk van het inkomen.
10. Met een besluit van eveneens 3 augustus 2022 is het besluit van 9 februari 2022 herzien. De Bbz-uitkering is over de periode van 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2022 toegekend in de vorm van een renteloze lening. Of de uitkering (deels) moet worden terugbetaald is afhankelijk van het inkomen.
11. In een rapport van 28 maart 2023 is beoordeeld wat eiseres over het jaar 2020 moet terugbetalen aan Bbz-uitkering.
12. In een rapport van eveneens 28 maart 2023 is beoordeeld wat eiseres over het jaar 2021 terug moet betalen aan Bbz-uitkering.
13. Met een besluit van 30 maart 2023 is de Bbz-uitkering over het jaar 2020 definitief vastgesteld. Eiseres moet een bedrag van € 410,16 aan verweerder terugbetalen.
14. Met een besluit van eveneens 30 maart 2023 (het primaire besluit) is de Bbz-uitkering over het jaar 2021 definitief vastgesteld. Eiseres moet een bedrag van € 10.555,83 aan verweerder terugbetalen. Verweerder ziet geen reden om af te zien van de terugvordering.
15. Met een beslissing op bezwaar van 2 februari 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft toegelicht hoe het inkomen voor de Bbz in 2021 is berekend. Volgens verweerder heeft eiseres inkomen gehad uit haar onderneming en uit de TONK. Dat de Belastingdienst ervan uitgaat dat eiseres in 2021 geen belastbaar inkomen heeft, maakt geen verschil. Eiseres heeft bij de Belastingdienst opgegeven dat zij geen inkomen had in 2021 en er waren aftrekposten vanwege haar eigen woning. Voor de Bbz gaat verweerder uit van inkomen, namelijk de winst uit onderneming en uit de TONK. Dit inkomen wordt op grond van artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) als een middel aangemerkt en moet bij de vaststelling van de hoogte van de Bbz in mindering worden gebracht. Op grond van artikel 58, tweede lid, sub a, van de Pw kan de verleende bijstand worden teruggevorderd. Verweerder ziet geen dringende reden om van de terugvordering af te zien.
16. Eiseres heeft beroep ingediend tegen de beslissing op bezwaar van 2 februari 2024. Met een uitspraak van 18 april 2025 heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen waarin een kenbare belangenafweging wordt gemaakt ten aanzien van de evenredigheid van de terugvordering.
17. Op 28 juli 2025 heeft eiseres een beroep niet-tijdig beslissen ingediend.
18. Op 20 augustus 2025 heeft verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar (het bestreden besluit) afgegeven. Hierin is het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij op grond van artikel 12, tweede lid, sub c van de Bbz 2004, indien het boekjaar samen met de inkomsten uit de onderneming van eiseres meer is dan de jaarnorm, het verschil kan terugvorderen. De rest van de Bbz-uitkering wordt dan omgezet in een bedrag om-niet. Het argument dat eiseres geen inkomsten in het jaar 2021 heeft gehad gaat niet op. Om het recht vast te stellen gaat de gemeente uit van alle inkomsten in het betreffende jaar. In het jaar 2021 heeft eiseres inkomsten uit haar onderneming gehad en inkomsten uit de TONK. Volgens verweerder is in de belangenafweging rekening gehouden met haar persoonlijke omstandigheden. Eiseres heeft afgezien van een hoorzitting. Zij heeft in haar e-mail van 5 augustus 2025 gesteld dat haar situatie ten opzichte van 2020 niet is veranderd en zij heeft verzocht om een soortgelijke uitkomst. Verweerder kan zich hier niet in vinden. Volgens verweerder is de financiële situatie van eiseres in 2021 aantoonbaar anders dan in 2020. Verder heeft eiseres de door verweerder gestelde vragen niet beantwoord. Tijdens de zitting van 19 maart 2025 heeft eiseres verklaard bij een eventuele terugbetaling € 150,- per maand te kunnen aflossen. Dit wijst erop dat eiseres enige betalingscapaciteit heeft. De terugvordering maakt daarom geen onevenredige inbreuk op het bestaansminimum. De terugvordering is daarnaast gespreid uitvoerbaar en een passende betalingsregeling is mogelijk. Er is volgens verweerder geen strijd met het evenredigheidsbeginsel. Van zwaarwegende nadelige gevolgen is niet gebleken.
Het standpunt van eiseres
19. Eiseres voert aan dat de rekensommen van verweerder niet juist zijn en dat verweerder jaartallen door elkaar haalt. Zij verwijst daarbij naar haar schrijven van 24 september 2025 gericht aan verweerder. Volgens eiseres had zij in 2021 geen inkomen buiten de Bbz en is er dus geen sprake van een te veel ontvangen bedrag. Het inkomen uit onderneming in 2021 was de winst uit [bedrijf] en dat is een eigen rechtspersoon. Eiseres stelt dat zij al jaren geen geld heeft ontvangen uit haar B.V. Verder was de winst bedoeld als buffer binnen de B.V. om eventuele lopende schulden te voldoen en om een faillissement voor te zijn. Eiseres voert verder aan dat de TONK niet hoeft te worden terugbetaald omdat het gaat om bijzondere bijstand. Het telt daarom niet mee als inkomen (ook niet voor toeslagen). Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), een handreiking van de Rijksoverheid over de TONK en het gemeentelijk kader van Amsterdam.
Mocht verweerder de winst uit onderneming in 2021 meetellen als inkomen?
20. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het rapport van 28 maart 2023 blijkt dat in 2021 sprake is van winst uit onderneming ter hoogte van een bedrag van € 9.342,-. Verweerder heeft toegelicht dat voor de Bbz het recht op bijstand wordt berekend op grond van het resultaat, in dit geval de winst uit de B.V. De rechtbank stelt vast dat dit in overeenstemming is met de definitie van het netto-inkomen dat betrokken wordt bij de vaststelling van het recht op een Bbz-uitkering en verwijst daarbij naar hetgeen is overwogen onder 3.2 van de uitspraak van 18 april 2025. Verweerder heeft in het bestreden besluit verder toegelicht dat hij bij het vaststellen van het inkomen uit onderneming rekening heeft gehouden met een forfait van € 1.588,18, waardoor het netto-inkomen uit onderneming € 7.753,86 bedraagt. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om deze berekening voor onjuist te houden. Dit betekent dat de beroepsgrond van eiseres – dat verweerder is uitgegaan van de verkeerde cijfers – niet slaagt.
Mocht verweerder het bedrag van de TONK meetellen als inkomen?
21. De rechtbank wijst in de eerste plaats op een uitspraak van de Raad van 25 februari 2025 waarin is toegelicht dat de TONK-regeling is geïntroduceerd in een brief van 9 december 2020 van een aantal ministers en staatssecretarissen aan de Eerste Kamer. De TONK-regeling hield in dat aan de gemeenten een bedrag ter beschikking werd gesteld om een tegemoetkoming te verstrekken aan huishoudens die door de coronacrisis een onvoorziene, onvermijdelijke en plotselinge terugval in hun inkomen hadden, waardoor zij in de problemen konden raken met de betaling van noodzakelijke kosten, waaronder woonlasten. De TONK-aanvraag moest worden beoordeeld als een aanvraag om bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Pw. Ter uitvoering van de TONK-regeling heeft de gemeente Amsterdam destijds beleidsregels vastgesteld.
22. Uit rechtsoverwegingen 4, 5 en 6 van deze uitspraak volgt dat verweerder aan eiseres in totaal een bedrag van € 5.838,75 aan TONK heeft toegekend als tegemoetkoming in haar woonlasten. Achteraf is gebleken – en door eiseres niet betwist – dat zij ook recht had op hypotheekbescherming. In het rapport van 28 maart 2023 is toegelicht dat eiseres gelet op deze hypotheekbescherming in 2021 feitelijk lage tot geen woonlasten had, terwijl zij hiervoor vanuit de TONK wel bijstand ontving. Volgens verweerder moet daarom de tegemoetkoming vanuit de TONK als onbelast inkomen worden meegenomen in de vaststelling van het recht op bijstand over 2021. De rechtbank ziet geen reden om dit voor onjuist te houden. Dat de TONK niet hoeft te worden terugbetaald omdat het gaat om bijzondere bijstand volgt de rechtbank niet. Zowel uit de informatie ter bevestiging van de aanvraag van 25 april 2021 als uit het besluit van 25 juni 2021 volgt dat verweerder het recht op de TONK mag controleren. Als na controle is gebleken dat de betrokkene te veel TONK heeft ontvangen, dan moet dat bedrag worden terugbetaald.
Heeft verweerder een evenwichtige belangenafweging gemaakt?
23. De rechtbank stelt vast dat eiseres in beroep geen gronden heeft aangevoerd tegen de gemaakte belangenafweging. De rechtbank overweegt ten overvloede dat verweerder in het bestreden besluit zijn belang, het terugvorderen van ten onrechte verstrekte bijstand met het oog op het herstellen van het rechtmatig gebruik van publieke middelen, heeft afgewogen tegen de (op dat moment bij verweerder bekende) persoonlijke belangen van eiseres. Zij heeft een schuld bij haar familie en is twee dagen per week werkzaam. Verweerder heeft overwogen dat een gespreide betalingsregeling, waarbij rekening wordt gehouden met de financiële draagkracht van eiseres, mogelijk is. De door verweerder gemaakte belangenafweging is voldoende evenwichtig en verweerder heeft op basis daarvan mogen concluderen dat er geen reden is om van de terugvordering af te zien.
Conclusie en gevolgen
24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.
Deze uitspraak is bij partijen bekend onder zaaknummer AMS 24/1716.
Deze uitspraak is op rechtspraak.nl gepubliceerd onder: ECLI:NL:CRVB:2025:376.
Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent het vergoeden van hoge woonlasten voor huishoudens met een inkomensterugval in verband met de coronacrisis (Tijdelijke beleidsregels TONK Amsterdam).
Dit is geregeld in artikel 6 van de Tijdelijke beleidsregels TONK Amsterdam.