Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:6298
2026-06-02
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
AMS 26/257
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Jeugdwet, beroep gegrond, medewerkingsverplichting
Citeert (8)
- ECLI:NL:CRVB:2024:1095 Centrale Raad van Beroep 29-05-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:1096 Centrale Raad van Beroep 29-05-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:1097 Centrale Raad van Beroep 29-05-2024
- ECLI:NL:CRVB:2017:1477 Centrale Raad van Beroep 01-05-2017
- ECLI:NL:CRVB:2019:2362 Centrale Raad van Beroep 17-07-2019
- ECLI:NL:CRVB:2024:1095 Centrale Raad van Beroep 29-05-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:1096 Centrale Raad van Beroep 29-05-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:1097 Centrale Raad van Beroep 29-05-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.105 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/257
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. E.D. Mensing van Charante).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om jeugdhulp niet-professionele inzet in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Jeugdwet (Jw). Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag om jeugdhulp.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder opnieuw onderzoek moet doen naar het recht op jeugdhulp. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verweerder heeft eisers aanvraag om jeugdhulp niet-professionele inzet met het primaire besluit van 12 juni 2025 afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 5 december 2025 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard maar “de rechtsgevolgen van het primaire besluit in stand gelaten”.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] (moeder van eiser), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
3. Eiser ([eiser]) is geboren op [geboortedag] 2014 en heeft een autisme spectrum stoornis (ASS) en een licht verstandelijke beperking. Hij woont bij zijn moeder, samen met zijn oudere broer. Zijn ouders zijn gescheiden.
3.1.
Per maart 2018 ontving eiser dagbehandeling van het [centrum 1] ([centrum 1]), drie dagen per week. Per augustus 2019 is eiser begonnen op [school 1] voor speciaal onderwijs. Omdat het klassikale lesaanbod op [school 1] niet goed ging, is eiser per 2020 aangemeld bij [centrum 2]. Daar ging eiser vier dagen per week naar toe. Sinds september 2024 gaat eiser naar [school 2] (hierna: school) voor vijf dagen per week. Eiser zit daar in een klas met zeven kinderen, een leerkracht en een klassenassistent. Eiser zal daar moeten stoppen aan het einde van het schooljaar 2025/2026.
3.2.
Moeder brengt eiser ‘s ochtends naar school en brengt hem tijdens haar lunchpauze weer naar huis. Voorheen zorgde vader voor eiser na school. Eiser ontving voor deze zorg jeugdhulp voor 26 uur per week in de vorm van een pgb. De laatste indicatie jeugdhulp liep tot en met 28 maart 2025.
3.3.
Op 14 oktober 2024 heeft de moeder van eiser een aanvraag bij verweerder ingediend, om de zorgovereenkomst op naam te zetten van eisers broer, omdat de vader van eiser ernstig ziek is geworden en de zorg niet meer kan verlenen. Verweerder heeft de omzetting goedgekeurd, en eisers broer is de zorg na school gaan verlenen.
3.4.
Moeder heeft ook een aanvraag om zorg ingediend bij het Centrum Indicatiestelling Zorg op grond van de Wet langdurige zorg. Bij besluit van 4 november 2024 is deze aanvraag afgewezen, omdat weliswaar sprake is van 24 uurs zorg in de nabijheid maar nog niet duidelijk is of deze zorgbehoefte blijvend is, omdat onduidelijk is welke ontwikkelingsmogelijkheden eiser nog heeft. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
3.5.
Moeder heeft op 1 mei 2025 een verlengingsaanvraag om jeugdhulp bij verweerder ingediend voor 30 uur per week, bestaande uit de zorg door eisers broer na school en voor het vervoer door moeder van en naar school. Ouder- en Kindteams Amsterdam (OKA) heeft onderzoek gedaan, waarna een Perspectiefplan is opgesteld op
21 mei 2025 (hierna: het Perspectiefplan). Daarnaast is een pgb-plan ingevuld door de moeder van eiser. Op 11 juni 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen moeder en het OKA.
3.6.
Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat de zorg voor eiser onder de ouderlijke taak valt. De zorg die broer levert, wordt gezien als oppassen en dit betreft geen specialistische jeugdhulp. Voor deze zorg kan het gezin gebruik maken van de buitenschoolse opvang plus (BSO+) via [bso+ 2] of [bso+ 1]. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van de aanvraag.
Standpunten van partijen
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard, omdat het begrip ‘ouderlijke taak’ niet is uitgewerkt in de Verordening op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021 (hierna: de oude Verordening). Gelet op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB) dient het bezwaar daarom gegrond te worden verklaard, maar verweerder herroept het primaire besluit niet. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aangevraagde jeugdhulp deels onder de ouderlijke verantwoordelijkheid valt en deels specialistische jeugdhulp betreft. Omdat moeder onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek, is niet onderzocht hoeveel jeugdhulp precies naar aard en omvang nodig is en in hoeverre een professionele jeugdhulpaanbieder deze hulp kan bieden. Het gevolg - dat vijf dagen per week op eiser gepast moet worden - komt daarmee voor eigen rekening van moeder, aldus verweerder.
5. Eiser heeft in beroep onder meer aangevoerd dat de schending van de medewerkingsverplichting door moeder een beschuldiging is die tijdens de hoorzitting door verweerder is geuit en in het bestreden besluit staat, maar niet uit het dossier blijkt. Verder heeft verweerder ten onrechte het stappenplan van de CRvB niet doorlopen en de aard en omvang van de benodigde jeugdhulp niet vastgesteld. Dat is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook voert eiser aan dat zijn broer de zorg niet onbetaald wil/kan leveren. Hierdoor komt moeder in een onmogelijke spagaat terecht: moet zij stoppen met werken en voor eiser zorgen en daarmee in de financiële problemen komen óf moet zij blijven werken, maar de vraag is dan wie zorgt er voor eiser.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank is allereerst van oordeel dat gelet op de uitspraken van de CRvB van 29 mei 2024 het beroep gegrond is en het bestreden besluit zal worden vernietigd. In zowel het primaire besluit als het bestreden besluit heeft verweerder het begrip ouderlijke zorg als grondslag gebruikt om de jeugdhulp af te wijzen. De rechtbank stelt vast dat de besluitvorming is gebaseerd op de oude Verordening en de grondslag dat de zorg valt onder (gebruikelijke) ouderlijke zorg hierin niet is opgenomen. In de uitspraken van de CRvB is daarover geoordeeld dat wanneer de term gebruikelijke zorg niet is gedefinieerd in de Verordening, besluiten die daarop gebaseerd zijn een deugdelijke grondslag ontberen.
7. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit niet op de voet van artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand kunnen blijven, nu verweerder eerst meer onderzoek zal moeten doen naar de vraag of eiser recht heeft op jeugdhulp vanaf 29 maart 2025. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
8. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat het college, op grond van artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 2.3 van de Jw, voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit houdt in dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag voor jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is (stap 1). Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn (stap 2). Pas wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren (stap 3). Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening voor jeugdhulp te verlenen.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat uit het Perspectiefplan blijkt wat eisers hulpvraag is, namelijk dat eiser opvang nodig heeft na school vanwege zijn beperkingen. Ter zitting heeft moeder verder toegelicht dat de broer van eiser voor hem zorgt na school en dat hij met hem piano speelt, naar buiten gaat, naar logopedie afspraken gaat, voor het eten zorgt en zorgt dat eiser eet en daarna doucht, en hem vervolgens naar bed brengt. De rechtbank stelt verder vast dat de beperkingen van eiser ook in kaart zijn gebracht, namelijk autisme, een licht verstandelijke beperking, dat hij niet alleen kan zijn na schooltijd en zindelijkheidsproblematiek. Uit het Perspectiefplan blijkt dat aan vier verschillende resultaatgebieden moet worden gewerkt gelet op eisers beperkingen. Niet in geschil is dat de benodigde jeugdhulp voor alle resultaatgebieden naar aard en omvang door verweerder niet is vastgesteld (stap 3 en 4). Partijen zijn echter verdeeld over de vraag waarom dit niet is gebeurd en waarom het onderzoek door het OKA is gestopt.
8.2.
De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat eiser mogelijk terecht kan bij een BSO+ maar dat de BSO+ eiser daarvoor eerst een keer wil observeren om te kijken of de BSO+ een geschikte plek voor hem is. Volgens verweerder heeft moeder geen toestemming dan wel onvoldoende medewerking gegeven om eiser op school te laten observeren door de BSO+. Moeder heeft duidelijk gemaakt aan het OKA dat BSO+ niet haalbaar is in verband met het halen en brengen van eiser naar school in combinatie met moeders werk. Doordat er geen observatie heeft plaatsgevonden, kon het OKA niet onderzoeken of BSO+ passend is voor eiser of dat er een andere vorm van jeugdhulp nodig is. Hierdoor heeft verweerder geen volledig onderzoek kunnen doen aan de hand van het stappenplan.
8.3.
Ter zitting heeft moeder toegelicht dat weliswaar haar eerste reactie was dat het niet haalbaar is om eiser op te halen en te brengen naar de BSO+ vanuit Hoofddorp naar Amsterdam, maar dat zij daarna toch contact heeft opgenomen met zowel [bso+ 1] en [bso+ 2]. Zij heeft eiser aangemeld via de website en het dossier van eiser toegestuurd, maar al snel werd duidelijk dat eiser daar niet terecht kon omdat sprake is van groepen van maximaal 20 kinderen met verschillende leeftijden en maximaal twee begeleiders en dat er geen één op één begeleiding wordt aangeboden. Daardoor was een observatie volgens moeder niet aan de orde. Bovendien stelt moeder niet bekend te zijn geweest met het verzoek van het OKA om eiser te observeren op school door de BSO+. Moeder heeft ter zitting toegelicht dat zij wel wil meewerken aan een observatie, en dat eiser vaker een observatie heeft gehad, bijvoorbeeld bij het [centrum 1], [naam 2] en de [school 2]. Daarnaast is in het beroepschrift gesteld dat moeder haar bevindingen met het OKA telefonisch heeft gedeeld en dat het OKA eiser daarna heeft afgemeld bij de BSO+. Dit is blijkbaar niet goed door het OKA vastgelegd. Tot slot heeft moeder een e-mailbericht van [bso+ 1] van 11 december 2025 overgelegd waaruit blijkt dat Vesper geen passende opvang aan eiser kan bieden.
8.4.
De rechtbank stelt vast dat uit het Perspectiefplan blijkt:
“OKA heeft in mei 2025 onderzocht welke partijen mogelijk de zorg die eerder vanuit het PGB werd gefinancierd op te vangen. Vanuit ingekocht aanbod heeft Vesper +, aangegeven dat er plek is op de maandagen en de dinsdagen. Op overige dagen zijn zij dicht in Amsterdam West. Moeder kan hiervoor zelfstandig aanmelden. [bso+ 2], heeft aangegeven dat zij mogelijkheden hebben in Amsterdam West voor 5 dagen per week, en zij graag [eiser] zouden willen observeren op school om te kijken of [eiser] passend is. Moeder heeft naar aanleiding van deze informatie aangegeven dat het voor haar niet mogelijk is om [eiser] naar de BSO+ te brengen in Amsterdam West, omdat zij dit niet redt in haar lunchpauzetijd en zij vindt dat het nu goed gaat (broer past op [eiser] als moeder werkt en ontvangt hiervoor vergoeding vanuit het PGB). Moeder wil dan ook niet dat [eiser] naar de BSO+ gaat. OKA zal de BSO+ afzeggen.”
8.5.
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet duidelijk blijkt dat het mis is gegaan op het aspect van de medewerking door moeder aan het onderzoek door het OKA en de observatie door de BSO+ op school of dat sprake was van een verschil in insteek op een ander punt. Hierdoor staat niet vast of moeder de medewerkingsverplichting daadwerkelijk heeft geschonden en waarom het niet tot een observatie is gekomen. Verweerder heeft dat bijvoorbeeld niet expliciet (schriftelijk) aan moeder voorgelegd.
8.6.
Het is aan verweerder om een deugdelijk en zorgvuldig dossier bij te houden over de afspraken die gedurende het onderzoek worden gemaakt en het contact tussen OKA en ouders hierover. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de onduidelijkheid in het dossier over wat er nu precies is gebeurd ten aanzien van de observatie en of dit de reden was voor de stagnatie in het onderzoek naar het recht op jeugdhulp, voor rekening en risico van verweerder komt. Alleen al gelet hierop kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand blijven. Verweerder dient opnieuw onderzoek te doen naar het recht op jeugdhulp van eiser. De rechtbank merkt hierbij voor de volledigheid nog op dat op moeder daarbij een medewerkingsverplichting rust, ook indien het onderzoek zich in een richting begeeft of lijkt te begeven die zij niet wenselijk acht. Indien nodig kan zij de nadelige gevolgen daarvan achteraf in bezwaar of in beroep aan de orde stellen.
8.7.
De rechtbank dient zich bij deze stand van zaken thans te onthouden van een oordeel over de overige beroepsgronden.
Conclusie en gevolgen
9. Het voorgaande betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak en de uitspraken van de CRvB van 29 mei 2024. De rechtbank geeft verweerder voor de nadere besluitvorming zes weken de tijd.
10. Ter voorkoming van een onnodige herhaling van procedures benadrukt de rechtbank nog dat in de uitspraken van de CRvB is geoordeeld dat de afwijzing van de jeugdhulp niet zijn grondslag kan vinden in een verordening waarin geen sluitend beoordelingskader is neergelegd ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van gebruikelijke hulp. Verweerder kan dan ook niet ten derde male de gevraagde jeugdhulp afwijzen met de grondslag dat sprake is van ouderlijke verantwoordelijkheid zonder dat daaraan een beoordelingskader in de verordening ten grondslag ligt. Tot slot overweegt de rechtbank dat als uit het onderzoek blijkt dat eiser wel of geen recht heeft op jeugdhulp, verweerder dit schriftelijk dient te beschikken. Na een aanvraag om jeugdhulp dient namelijk een besluit te volgen (artikel 4:13 van de Awb).
11. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, en mr. M.H. van Haeften en
mr. J.A.C.M. Nielen, leden, in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.
griffier
voorzitter is verhinderd te ondertekenen, oudste rechter heeft ondertekend
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraken van de CRvB van 29 mei 2024 met nummers ECLI:NL:CRVB:2024:1095, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, ECLI:NL:CRVB:2024:1097.
Bijvoorbeeld de uitspraken van 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477) en van 17 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2362).
ECLI:NL:CRVB:2024:1095, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, ECLI:NL:CRVB:2024:1097.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/257
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. E.D. Mensing van Charante).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om jeugdhulp niet-professionele inzet in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Jeugdwet (Jw). Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag om jeugdhulp.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder opnieuw onderzoek moet doen naar het recht op jeugdhulp. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verweerder heeft eisers aanvraag om jeugdhulp niet-professionele inzet met het primaire besluit van 12 juni 2025 afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 5 december 2025 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard maar “de rechtsgevolgen van het primaire besluit in stand gelaten”.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] (moeder van eiser), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
3. Eiser ([eiser]) is geboren op [geboortedag] 2014 en heeft een autisme spectrum stoornis (ASS) en een licht verstandelijke beperking. Hij woont bij zijn moeder, samen met zijn oudere broer. Zijn ouders zijn gescheiden.
3.1.
Per maart 2018 ontving eiser dagbehandeling van het [centrum 1] ([centrum 1]), drie dagen per week. Per augustus 2019 is eiser begonnen op [school 1] voor speciaal onderwijs. Omdat het klassikale lesaanbod op [school 1] niet goed ging, is eiser per 2020 aangemeld bij [centrum 2]. Daar ging eiser vier dagen per week naar toe. Sinds september 2024 gaat eiser naar [school 2] (hierna: school) voor vijf dagen per week. Eiser zit daar in een klas met zeven kinderen, een leerkracht en een klassenassistent. Eiser zal daar moeten stoppen aan het einde van het schooljaar 2025/2026.
3.2.
Moeder brengt eiser ‘s ochtends naar school en brengt hem tijdens haar lunchpauze weer naar huis. Voorheen zorgde vader voor eiser na school. Eiser ontving voor deze zorg jeugdhulp voor 26 uur per week in de vorm van een pgb. De laatste indicatie jeugdhulp liep tot en met 28 maart 2025.
3.3.
Op 14 oktober 2024 heeft de moeder van eiser een aanvraag bij verweerder ingediend, om de zorgovereenkomst op naam te zetten van eisers broer, omdat de vader van eiser ernstig ziek is geworden en de zorg niet meer kan verlenen. Verweerder heeft de omzetting goedgekeurd, en eisers broer is de zorg na school gaan verlenen.
3.4.
Moeder heeft ook een aanvraag om zorg ingediend bij het Centrum Indicatiestelling Zorg op grond van de Wet langdurige zorg. Bij besluit van 4 november 2024 is deze aanvraag afgewezen, omdat weliswaar sprake is van 24 uurs zorg in de nabijheid maar nog niet duidelijk is of deze zorgbehoefte blijvend is, omdat onduidelijk is welke ontwikkelingsmogelijkheden eiser nog heeft. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
3.5.
Moeder heeft op 1 mei 2025 een verlengingsaanvraag om jeugdhulp bij verweerder ingediend voor 30 uur per week, bestaande uit de zorg door eisers broer na school en voor het vervoer door moeder van en naar school. Ouder- en Kindteams Amsterdam (OKA) heeft onderzoek gedaan, waarna een Perspectiefplan is opgesteld op
21 mei 2025 (hierna: het Perspectiefplan). Daarnaast is een pgb-plan ingevuld door de moeder van eiser. Op 11 juni 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen moeder en het OKA.
3.6.
Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat de zorg voor eiser onder de ouderlijke taak valt. De zorg die broer levert, wordt gezien als oppassen en dit betreft geen specialistische jeugdhulp. Voor deze zorg kan het gezin gebruik maken van de buitenschoolse opvang plus (BSO+) via [bso+ 2] of [bso+ 1]. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van de aanvraag.
Standpunten van partijen
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard, omdat het begrip ‘ouderlijke taak’ niet is uitgewerkt in de Verordening op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021 (hierna: de oude Verordening). Gelet op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB) dient het bezwaar daarom gegrond te worden verklaard, maar verweerder herroept het primaire besluit niet. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aangevraagde jeugdhulp deels onder de ouderlijke verantwoordelijkheid valt en deels specialistische jeugdhulp betreft. Omdat moeder onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek, is niet onderzocht hoeveel jeugdhulp precies naar aard en omvang nodig is en in hoeverre een professionele jeugdhulpaanbieder deze hulp kan bieden. Het gevolg - dat vijf dagen per week op eiser gepast moet worden - komt daarmee voor eigen rekening van moeder, aldus verweerder.
5. Eiser heeft in beroep onder meer aangevoerd dat de schending van de medewerkingsverplichting door moeder een beschuldiging is die tijdens de hoorzitting door verweerder is geuit en in het bestreden besluit staat, maar niet uit het dossier blijkt. Verder heeft verweerder ten onrechte het stappenplan van de CRvB niet doorlopen en de aard en omvang van de benodigde jeugdhulp niet vastgesteld. Dat is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook voert eiser aan dat zijn broer de zorg niet onbetaald wil/kan leveren. Hierdoor komt moeder in een onmogelijke spagaat terecht: moet zij stoppen met werken en voor eiser zorgen en daarmee in de financiële problemen komen óf moet zij blijven werken, maar de vraag is dan wie zorgt er voor eiser.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank is allereerst van oordeel dat gelet op de uitspraken van de CRvB van 29 mei 2024 het beroep gegrond is en het bestreden besluit zal worden vernietigd. In zowel het primaire besluit als het bestreden besluit heeft verweerder het begrip ouderlijke zorg als grondslag gebruikt om de jeugdhulp af te wijzen. De rechtbank stelt vast dat de besluitvorming is gebaseerd op de oude Verordening en de grondslag dat de zorg valt onder (gebruikelijke) ouderlijke zorg hierin niet is opgenomen. In de uitspraken van de CRvB is daarover geoordeeld dat wanneer de term gebruikelijke zorg niet is gedefinieerd in de Verordening, besluiten die daarop gebaseerd zijn een deugdelijke grondslag ontberen.
7. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit niet op de voet van artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand kunnen blijven, nu verweerder eerst meer onderzoek zal moeten doen naar de vraag of eiser recht heeft op jeugdhulp vanaf 29 maart 2025. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
8. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat het college, op grond van artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 2.3 van de Jw, voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit houdt in dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag voor jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is (stap 1). Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn (stap 2). Pas wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren (stap 3). Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening voor jeugdhulp te verlenen.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat uit het Perspectiefplan blijkt wat eisers hulpvraag is, namelijk dat eiser opvang nodig heeft na school vanwege zijn beperkingen. Ter zitting heeft moeder verder toegelicht dat de broer van eiser voor hem zorgt na school en dat hij met hem piano speelt, naar buiten gaat, naar logopedie afspraken gaat, voor het eten zorgt en zorgt dat eiser eet en daarna doucht, en hem vervolgens naar bed brengt. De rechtbank stelt verder vast dat de beperkingen van eiser ook in kaart zijn gebracht, namelijk autisme, een licht verstandelijke beperking, dat hij niet alleen kan zijn na schooltijd en zindelijkheidsproblematiek. Uit het Perspectiefplan blijkt dat aan vier verschillende resultaatgebieden moet worden gewerkt gelet op eisers beperkingen. Niet in geschil is dat de benodigde jeugdhulp voor alle resultaatgebieden naar aard en omvang door verweerder niet is vastgesteld (stap 3 en 4). Partijen zijn echter verdeeld over de vraag waarom dit niet is gebeurd en waarom het onderzoek door het OKA is gestopt.
8.2.
De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat eiser mogelijk terecht kan bij een BSO+ maar dat de BSO+ eiser daarvoor eerst een keer wil observeren om te kijken of de BSO+ een geschikte plek voor hem is. Volgens verweerder heeft moeder geen toestemming dan wel onvoldoende medewerking gegeven om eiser op school te laten observeren door de BSO+. Moeder heeft duidelijk gemaakt aan het OKA dat BSO+ niet haalbaar is in verband met het halen en brengen van eiser naar school in combinatie met moeders werk. Doordat er geen observatie heeft plaatsgevonden, kon het OKA niet onderzoeken of BSO+ passend is voor eiser of dat er een andere vorm van jeugdhulp nodig is. Hierdoor heeft verweerder geen volledig onderzoek kunnen doen aan de hand van het stappenplan.
8.3.
Ter zitting heeft moeder toegelicht dat weliswaar haar eerste reactie was dat het niet haalbaar is om eiser op te halen en te brengen naar de BSO+ vanuit Hoofddorp naar Amsterdam, maar dat zij daarna toch contact heeft opgenomen met zowel [bso+ 1] en [bso+ 2]. Zij heeft eiser aangemeld via de website en het dossier van eiser toegestuurd, maar al snel werd duidelijk dat eiser daar niet terecht kon omdat sprake is van groepen van maximaal 20 kinderen met verschillende leeftijden en maximaal twee begeleiders en dat er geen één op één begeleiding wordt aangeboden. Daardoor was een observatie volgens moeder niet aan de orde. Bovendien stelt moeder niet bekend te zijn geweest met het verzoek van het OKA om eiser te observeren op school door de BSO+. Moeder heeft ter zitting toegelicht dat zij wel wil meewerken aan een observatie, en dat eiser vaker een observatie heeft gehad, bijvoorbeeld bij het [centrum 1], [naam 2] en de [school 2]. Daarnaast is in het beroepschrift gesteld dat moeder haar bevindingen met het OKA telefonisch heeft gedeeld en dat het OKA eiser daarna heeft afgemeld bij de BSO+. Dit is blijkbaar niet goed door het OKA vastgelegd. Tot slot heeft moeder een e-mailbericht van [bso+ 1] van 11 december 2025 overgelegd waaruit blijkt dat Vesper geen passende opvang aan eiser kan bieden.
8.4.
De rechtbank stelt vast dat uit het Perspectiefplan blijkt:
“OKA heeft in mei 2025 onderzocht welke partijen mogelijk de zorg die eerder vanuit het PGB werd gefinancierd op te vangen. Vanuit ingekocht aanbod heeft Vesper +, aangegeven dat er plek is op de maandagen en de dinsdagen. Op overige dagen zijn zij dicht in Amsterdam West. Moeder kan hiervoor zelfstandig aanmelden. [bso+ 2], heeft aangegeven dat zij mogelijkheden hebben in Amsterdam West voor 5 dagen per week, en zij graag [eiser] zouden willen observeren op school om te kijken of [eiser] passend is. Moeder heeft naar aanleiding van deze informatie aangegeven dat het voor haar niet mogelijk is om [eiser] naar de BSO+ te brengen in Amsterdam West, omdat zij dit niet redt in haar lunchpauzetijd en zij vindt dat het nu goed gaat (broer past op [eiser] als moeder werkt en ontvangt hiervoor vergoeding vanuit het PGB). Moeder wil dan ook niet dat [eiser] naar de BSO+ gaat. OKA zal de BSO+ afzeggen.”
8.5.
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet duidelijk blijkt dat het mis is gegaan op het aspect van de medewerking door moeder aan het onderzoek door het OKA en de observatie door de BSO+ op school of dat sprake was van een verschil in insteek op een ander punt. Hierdoor staat niet vast of moeder de medewerkingsverplichting daadwerkelijk heeft geschonden en waarom het niet tot een observatie is gekomen. Verweerder heeft dat bijvoorbeeld niet expliciet (schriftelijk) aan moeder voorgelegd.
8.6.
Het is aan verweerder om een deugdelijk en zorgvuldig dossier bij te houden over de afspraken die gedurende het onderzoek worden gemaakt en het contact tussen OKA en ouders hierover. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de onduidelijkheid in het dossier over wat er nu precies is gebeurd ten aanzien van de observatie en of dit de reden was voor de stagnatie in het onderzoek naar het recht op jeugdhulp, voor rekening en risico van verweerder komt. Alleen al gelet hierop kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand blijven. Verweerder dient opnieuw onderzoek te doen naar het recht op jeugdhulp van eiser. De rechtbank merkt hierbij voor de volledigheid nog op dat op moeder daarbij een medewerkingsverplichting rust, ook indien het onderzoek zich in een richting begeeft of lijkt te begeven die zij niet wenselijk acht. Indien nodig kan zij de nadelige gevolgen daarvan achteraf in bezwaar of in beroep aan de orde stellen.
8.7.
De rechtbank dient zich bij deze stand van zaken thans te onthouden van een oordeel over de overige beroepsgronden.
Conclusie en gevolgen
9. Het voorgaande betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak en de uitspraken van de CRvB van 29 mei 2024. De rechtbank geeft verweerder voor de nadere besluitvorming zes weken de tijd.
10. Ter voorkoming van een onnodige herhaling van procedures benadrukt de rechtbank nog dat in de uitspraken van de CRvB is geoordeeld dat de afwijzing van de jeugdhulp niet zijn grondslag kan vinden in een verordening waarin geen sluitend beoordelingskader is neergelegd ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van gebruikelijke hulp. Verweerder kan dan ook niet ten derde male de gevraagde jeugdhulp afwijzen met de grondslag dat sprake is van ouderlijke verantwoordelijkheid zonder dat daaraan een beoordelingskader in de verordening ten grondslag ligt. Tot slot overweegt de rechtbank dat als uit het onderzoek blijkt dat eiser wel of geen recht heeft op jeugdhulp, verweerder dit schriftelijk dient te beschikken. Na een aanvraag om jeugdhulp dient namelijk een besluit te volgen (artikel 4:13 van de Awb).
11. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, en mr. M.H. van Haeften en
mr. J.A.C.M. Nielen, leden, in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.
griffier
voorzitter is verhinderd te ondertekenen, oudste rechter heeft ondertekend
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraken van de CRvB van 29 mei 2024 met nummers ECLI:NL:CRVB:2024:1095, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, ECLI:NL:CRVB:2024:1097.
Bijvoorbeeld de uitspraken van 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477) en van 17 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2362).
ECLI:NL:CRVB:2024:1095, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, ECLI:NL:CRVB:2024:1097.