Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:6283
2026-05-07
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
AMS 24/6560
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Het college heeft geweigerd twee vergunningen aan eiser te verlenen. Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep niet slaagt. Wel is de redelijke termijn overschreden.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2026:486 Raad van State 28-01-2026
- ECLI:NL:RVS:2023:3066 Raad van State 09-08-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2020:6957 Rechtbank Amsterdam 16-11-2020
- ECLI:NL:RBROT:2025:10973 Rechtbank Rotterdam 05-09-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.265 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 24/6560 en 25/2259
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaken tussen
[eiser], uit [woonplaats 1], eiser
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel, het college
(gemachtigde: mr. K. Bounaanaa).
en
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat
Als derde-partijen nemen aan de zaken deel:
[de persoon 1], uit [woonplaats 1],
[de persoon 2] en [de persoon 3], uit [woonplaats 1],
[de persoon 4] en [de persoon 5], uit [woonplaats 1],
[de persoon 6], uit [woonplaats 1] en
[de persoon 7] en [de persoon 8], uit [woonplaats 1],
hierna gezamenlijk te noemen: omwonenden.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over twee geweigerde vergunningen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
Waar gaan deze zaken over?
2. Eiser is eigenaar en exploitant van de [locatie] aan de [adres]. Op 23 februari 2023 heeft hij een omgevingsvergunning aangevraagd om voor het bouwen van een bijgebouw op deze locatie af te mogen wijken van de beheersverordening.
3. Omdat het college niet binnen de wettelijke beslistermijn van acht weken op deze aanvraag heeft beslist, is een omgevingsvergunning van rechtswege ontstaan. Op 6 februari 2024 heeft het college de van rechtswege verleende omgevingsvergunning bekend gemaakt. Omwonenden hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
4. Op 31 december 2023 heeft eiser opnieuw een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een bijgebouw op de [adres], dit keer voor de activiteit ‘bouwen’. Op 13 augustus 2024 heeft het college geweigerd deze omgevingsvergunning aan eiser te verlenen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
5. Op 26 september 2024 heeft het college de bezwaren van de omwonenden tegen de van rechtswege verleende vergunning gegrond verklaard, de vergunning herroepen en alsnog geweigerd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
6. Op 24 februari 2025 heeft het college het bezwaar van eiser tegen de geweigerde omgevingsvergunning ongegrond verklaard. Eiser heeft ook hiertegen beroep ingesteld.
7. De rechtbank heeft de beroepen op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, met zijn echtgenote en zijn kleinzoon en bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder waren aanwezig: [de persoon 1], [de persoon 3], [de persoon 5], [de persoon 4], [de persoon 8] en [de persoon 9], architect.
Het standpunt van eiser
8. Eiser voert aan dat het college in strijd met het zogenoemde vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. Het college heeft namelijk verschillende toezeggingen gedaan die bij eiser het vertrouwen hebben gewekt dat hij op agrarische gronden mag bouwen. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar verschillende e-mails. Daarnaast heeft het college mondeling toegezegd dat de aangevraagde vergunningen konden worden verleend. Doordat het college de toezeggingen niet is nagekomen, heeft eiser schade geleden. Eiser voert verder aan dat de beslissingen op bezwaar onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Eiser heeft namelijk (ter zitting van de bezwaarschriftencommissie expliciet) aangeboden om de aanvragen aan te passen, dan wel met een overeenkomst afspraken te maken, maar het college heeft hier niets mee gedaan.
De beoordeling van de rechtbank
9. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier en op de zitting is gebleken dat deze procedures een lange voorgeschiedenis kennen. Eiser en het college zijn al sinds 2014 in gesprek over een uitruil. Deze uitruil zou eruit bestaan dat eiser een gedeelte van de gronden met een agrarische bestemming mocht bebouwen en dat in ruil daarvoor een gedeelte van de bestaande bouwmogelijkheden zou komen te vervallen. Eiser en het college stonden beide positief tegenover deze uitruil. De uitruil zou worden opgenomen in het bestemmingsplan voor het landelijk gebied. Deze opname in het bestemmingsplan heeft echter stil gelegen, mede door ziekte van de betrokken ambtenaar. Eiser heeft verder op de zitting toegelicht dat hij er uiteindelijk op aanraden van ambtenaren van de gemeente voor heeft gekozen omgevingsvergunningen aan te vragen voor de uitbouw, in plaats van bijvoorbeeld een postzegelplan. Eiser heeft het advies van de ambtenaren opgevolgd, juist om dit soort geschillen te voorkomen.
Slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel?
10. De rechtbank stelt voorop dat in de rechtspraak hoge eisen worden gesteld aan een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel. De eerste voorwaarde is dat degene die een beroep doet op dit beginsel aannemelijk moet maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja, hoe. In dit geval gaat het dus om de vraag of het college heeft toegezegd dat de vergunningen zoals eiser heeft aangevraagd verleend zouden worden.
11. De rechtbank vindt dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank overweegt hiertoe allereerst dat het college volgens vaste rechtspraak aanvragen moet beoordelen zoals deze zijn ingediend. Uit de aanvragen blijkt echter dat eiser niet een uitruil, maar een uitbreiding heeft aangevraagd. Eiser heeft immers alleen aangegeven dat hij een bijgebouw van 150 m² wil bouwen, maar van een uitruil maakt hij geen melding. Het standpunt van eiser dat hij heeft aangevraagd wat hij al die jaren met het college heeft besproken volgt de rechtbank niet. Ook uit de aanvragen, tekeningen en de onderbouwing blijkt immers op geen enkele wijze dat bestaande bouwmogelijkheden zouden komen te vervallen.
12. Niet gebleken is dat het college ondubbelzinnig heeft toegezegd dat een uitbreiding op zichzelf vergund zou worden. Uit de door eiser ingediende e-mails blijkt duidelijk dat het college steeds uitging van een uitruilsituatie, waarbij bestaande bouwmogelijkheden zouden vervallen. Eiser kon er daarom niet gerechtvaardigd van uitgaan dat het college zonder meer bebouwing op de agrarische bestemming zou toestaan. Aan de eerste voorwaarde is dus niet voldaan. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.
Zijn de beslissingen op bezwaar zorgvuldig tot stand gekomen?
13. Voor zover eiser aanvoert dat de beslissingen op bezwaar onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, is de rechtbank ook dit niet met eiser eens. Gelet op de hiervoor weergegeven lange voorgeschiedenis, overweegt de rechtbank dat van het college in ieder geval in de primaire fase een actievere houding mocht worden verwacht. Gelet op de e-mails in het dossier staat vast dat college op enig moment ten minste een positieve grondhouding had voor bebouwing op de agrarische gronden, zolang bestaande bouwmogelijkheden zouden vervallen. Dat eiser na jarenlange correspondentie over deze uitruil uiteindelijk alleen een uitbreiding heeft aangevraagd, is dan ook ten minste opmerkelijk. Onder die omstandigheden lag het op de weg van het college om hierover met eiser in contact te treden, omdat de aanvragen niet in lijn waren met wat veelvuldig is besproken. Daar staat tegenover dat eiser zijn aanvragen niet heeft aangepast of nieuwe aanvragen heeft gedaan, terwijl uit de e-mails ook blijkt dat eiser bekend was met het vervallen van bestaande bouwmogelijkheden als voorwaarde voor medewerking. Ook in de bezwaarfase heeft eiser dit nagelaten, terwijl hij dat, zonder medewerking van het college, op eenvoudige wijze had kunnen doen. Dat het college tot andere inzichten is gekomen en überhaupt geen medewerking meer wil verlenen aan een uitruil maakt dat niet anders. Dit laat immers onverlet dat het college in dat geval die aanvraag (die wel ziet op uitruil) in het licht van het vertrouwensbeginsel had moeten beoordelen. Door dit niet te doen heeft eiser een risico genomen wat voor zijn rekening komt. Al met al is de rechtbank dan ook van oordeel dat de beslissingen op bezwaar zorgvuldig tot stand zijn gekomen, omdat het college de aanvraag als uitgangspunt moet nemen.
Voor het overige
14. De rechtbank merkt tot slot op dat het college jarenlang consistent lijkt in de positieve houding en dat er, tenminste op enig moment, bereidheid was om mee te werken aan een uitruil. In ieder geval is er jaren gesproken over een oplossing voor eiser en het is niet (geheel) aan eiser te wijten dat die oplossing er (nog) niet is gekomen. De rechtbank is het met het college eens dat deze gang van zaken geen schoonheidsprijs verdient. Dit valt echter buiten het bestek van deze procedure. De rechtbank kan zich namelijk voor het overige niet uitlaten over de vermeende toezeggingen omdat de rechtbank ook gebonden is aan de aanvragen zoals eiser die heeft ingediend. Voor een oordeel over het vertrouwensbeginsel in relatie tot de uitruilsituatie zal eiser dan ook een nieuwe aanvraag moeten doen.
Overschrijding van de redelijke termijn
15. Eiser heeft de rechtbank verzocht hem een schadevergoeding toe te kennen vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is namelijk gestart op het moment dat hij zijn beroep niet tijdig beslissen indiende, aldus eiser. Eiser verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 september 2025.
16. Volgens vaste rechtspraak mag de behandeling van zaken als deze, waarin sprake is van een bezwaar- en beroepsprocedure, maximaal twee jaar duren. Voor elk half jaar dat deze termijn wordt overschreden, wordt een schadevergoeding van € 500,- toegekend.
17. Anders dan eiser, is de rechtbank van oordeel dat deze termijn begint te lopen op het moment dat de bezwaarschriften door het college zijn ontvangen. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam waar eiser naar verwijst maakt dat niet anders, omdat in die zaak een beroep is gedaan op overschrijding van de redelijke termijn in een beroep niet tijdig beslissen. Daar is in de procedures van eiser geen sprake van.
18. Dit betekent dat de redelijke termijn is gaan lopen op het moment dat het college de bezwaarschriften heeft ontvangen. In de zaak AMS 25/2259 heeft het college het bezwaarschrift ontvangen op 25 september 2024. Dit betekent dat de redelijke termijn eindigt op 25 september 2026. Aangezien de rechtbank vandaag uitspraak doet, is in deze zaak de redelijke termijn niet overschreden.
19. Dit is anders in de zaak AMS 24/6560. In deze procedure heeft het college het eerste bezwaarschrift ontvangen op 23 februari 2024. Dit betekent dat de redelijke termijn is geëindigd op 23 februari 2026 en dus met ongeveer twee maanden is overschreden. De rechtbank stelt het bedrag aan te vergoeden immateriële schadevergoeding daarom vast op € 500,-. Aangezien het college op 26 september 2024 op de bezwaren heeft beslist, is de termijnoverschrijding voor de helft aan het college en voor de andere helft aan de rechtbank te wijten. De rechtbank veroordeelt het college en de Staat daarom allebei tot betaling van € 250,- aan eiser als vergoeding voor door hem geleden immateriële schade.
Proceskosten
20. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet vergoed. Wel heeft eiser recht op een vergoeding van de proceskosten die hij heeft gemaakt vanwege het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt de hoogte hiervan vast op € 233,50 (1 punt voor het verzoek met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 0,25). De rechtbank acht deze wegingsfactor in dit geval passend, omdat deze proceskostenvergoeding slechts wordt toegekend voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De werklast die hiermee gepaard gaat voor de gemachtigde acht de rechtbank dusdanig gering dat dit een wegingsfactor van 0,25 rechtvaardigt.
21. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan het college als aan de rechtbank is toe te rekenen, komt deze proceskostenvergoeding voor de helft (€ 116,75) voor rekening van het college en voor de andere helft voor rekening van de Staat.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen ongegrond;
veroordeelt het college en de Staat om aan eiser een schadevergoeding van € 500,- te betalen (€ 250,- te betalen door het college en € 250,- te betalen door de Staat);
veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 116,75;
veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 116,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.W. Steenhoff, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo.
De zaak tegen de beslissing op bezwaar van 26 september 2024 is geregistreerd onder het zaaknummer AMS 24/6560 en de zaak tegen de beslissing op bezwaar van 24 februari 2025 onder het zaaknummer AMS 25/2259.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:486.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2023 ECLI:NL:RVS:2023:3066.
Zie ook de uitspraak van deze Rechtbank van 16 november 2020, ro 12. ECLI:NL:RBAMS:2020:6957
ECLI:NL:RBROT:2025:10973.
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 24/6560 en 25/2259
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaken tussen
[eiser], uit [woonplaats 1], eiser
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel, het college
(gemachtigde: mr. K. Bounaanaa).
en
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat
Als derde-partijen nemen aan de zaken deel:
[de persoon 1], uit [woonplaats 1],
[de persoon 2] en [de persoon 3], uit [woonplaats 1],
[de persoon 4] en [de persoon 5], uit [woonplaats 1],
[de persoon 6], uit [woonplaats 1] en
[de persoon 7] en [de persoon 8], uit [woonplaats 1],
hierna gezamenlijk te noemen: omwonenden.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over twee geweigerde vergunningen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
Waar gaan deze zaken over?
2. Eiser is eigenaar en exploitant van de [locatie] aan de [adres]. Op 23 februari 2023 heeft hij een omgevingsvergunning aangevraagd om voor het bouwen van een bijgebouw op deze locatie af te mogen wijken van de beheersverordening.
3. Omdat het college niet binnen de wettelijke beslistermijn van acht weken op deze aanvraag heeft beslist, is een omgevingsvergunning van rechtswege ontstaan. Op 6 februari 2024 heeft het college de van rechtswege verleende omgevingsvergunning bekend gemaakt. Omwonenden hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
4. Op 31 december 2023 heeft eiser opnieuw een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een bijgebouw op de [adres], dit keer voor de activiteit ‘bouwen’. Op 13 augustus 2024 heeft het college geweigerd deze omgevingsvergunning aan eiser te verlenen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
5. Op 26 september 2024 heeft het college de bezwaren van de omwonenden tegen de van rechtswege verleende vergunning gegrond verklaard, de vergunning herroepen en alsnog geweigerd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
6. Op 24 februari 2025 heeft het college het bezwaar van eiser tegen de geweigerde omgevingsvergunning ongegrond verklaard. Eiser heeft ook hiertegen beroep ingesteld.
7. De rechtbank heeft de beroepen op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, met zijn echtgenote en zijn kleinzoon en bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder waren aanwezig: [de persoon 1], [de persoon 3], [de persoon 5], [de persoon 4], [de persoon 8] en [de persoon 9], architect.
Het standpunt van eiser
8. Eiser voert aan dat het college in strijd met het zogenoemde vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. Het college heeft namelijk verschillende toezeggingen gedaan die bij eiser het vertrouwen hebben gewekt dat hij op agrarische gronden mag bouwen. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar verschillende e-mails. Daarnaast heeft het college mondeling toegezegd dat de aangevraagde vergunningen konden worden verleend. Doordat het college de toezeggingen niet is nagekomen, heeft eiser schade geleden. Eiser voert verder aan dat de beslissingen op bezwaar onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Eiser heeft namelijk (ter zitting van de bezwaarschriftencommissie expliciet) aangeboden om de aanvragen aan te passen, dan wel met een overeenkomst afspraken te maken, maar het college heeft hier niets mee gedaan.
De beoordeling van de rechtbank
9. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier en op de zitting is gebleken dat deze procedures een lange voorgeschiedenis kennen. Eiser en het college zijn al sinds 2014 in gesprek over een uitruil. Deze uitruil zou eruit bestaan dat eiser een gedeelte van de gronden met een agrarische bestemming mocht bebouwen en dat in ruil daarvoor een gedeelte van de bestaande bouwmogelijkheden zou komen te vervallen. Eiser en het college stonden beide positief tegenover deze uitruil. De uitruil zou worden opgenomen in het bestemmingsplan voor het landelijk gebied. Deze opname in het bestemmingsplan heeft echter stil gelegen, mede door ziekte van de betrokken ambtenaar. Eiser heeft verder op de zitting toegelicht dat hij er uiteindelijk op aanraden van ambtenaren van de gemeente voor heeft gekozen omgevingsvergunningen aan te vragen voor de uitbouw, in plaats van bijvoorbeeld een postzegelplan. Eiser heeft het advies van de ambtenaren opgevolgd, juist om dit soort geschillen te voorkomen.
Slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel?
10. De rechtbank stelt voorop dat in de rechtspraak hoge eisen worden gesteld aan een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel. De eerste voorwaarde is dat degene die een beroep doet op dit beginsel aannemelijk moet maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja, hoe. In dit geval gaat het dus om de vraag of het college heeft toegezegd dat de vergunningen zoals eiser heeft aangevraagd verleend zouden worden.
11. De rechtbank vindt dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank overweegt hiertoe allereerst dat het college volgens vaste rechtspraak aanvragen moet beoordelen zoals deze zijn ingediend. Uit de aanvragen blijkt echter dat eiser niet een uitruil, maar een uitbreiding heeft aangevraagd. Eiser heeft immers alleen aangegeven dat hij een bijgebouw van 150 m² wil bouwen, maar van een uitruil maakt hij geen melding. Het standpunt van eiser dat hij heeft aangevraagd wat hij al die jaren met het college heeft besproken volgt de rechtbank niet. Ook uit de aanvragen, tekeningen en de onderbouwing blijkt immers op geen enkele wijze dat bestaande bouwmogelijkheden zouden komen te vervallen.
12. Niet gebleken is dat het college ondubbelzinnig heeft toegezegd dat een uitbreiding op zichzelf vergund zou worden. Uit de door eiser ingediende e-mails blijkt duidelijk dat het college steeds uitging van een uitruilsituatie, waarbij bestaande bouwmogelijkheden zouden vervallen. Eiser kon er daarom niet gerechtvaardigd van uitgaan dat het college zonder meer bebouwing op de agrarische bestemming zou toestaan. Aan de eerste voorwaarde is dus niet voldaan. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.
Zijn de beslissingen op bezwaar zorgvuldig tot stand gekomen?
13. Voor zover eiser aanvoert dat de beslissingen op bezwaar onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, is de rechtbank ook dit niet met eiser eens. Gelet op de hiervoor weergegeven lange voorgeschiedenis, overweegt de rechtbank dat van het college in ieder geval in de primaire fase een actievere houding mocht worden verwacht. Gelet op de e-mails in het dossier staat vast dat college op enig moment ten minste een positieve grondhouding had voor bebouwing op de agrarische gronden, zolang bestaande bouwmogelijkheden zouden vervallen. Dat eiser na jarenlange correspondentie over deze uitruil uiteindelijk alleen een uitbreiding heeft aangevraagd, is dan ook ten minste opmerkelijk. Onder die omstandigheden lag het op de weg van het college om hierover met eiser in contact te treden, omdat de aanvragen niet in lijn waren met wat veelvuldig is besproken. Daar staat tegenover dat eiser zijn aanvragen niet heeft aangepast of nieuwe aanvragen heeft gedaan, terwijl uit de e-mails ook blijkt dat eiser bekend was met het vervallen van bestaande bouwmogelijkheden als voorwaarde voor medewerking. Ook in de bezwaarfase heeft eiser dit nagelaten, terwijl hij dat, zonder medewerking van het college, op eenvoudige wijze had kunnen doen. Dat het college tot andere inzichten is gekomen en überhaupt geen medewerking meer wil verlenen aan een uitruil maakt dat niet anders. Dit laat immers onverlet dat het college in dat geval die aanvraag (die wel ziet op uitruil) in het licht van het vertrouwensbeginsel had moeten beoordelen. Door dit niet te doen heeft eiser een risico genomen wat voor zijn rekening komt. Al met al is de rechtbank dan ook van oordeel dat de beslissingen op bezwaar zorgvuldig tot stand zijn gekomen, omdat het college de aanvraag als uitgangspunt moet nemen.
Voor het overige
14. De rechtbank merkt tot slot op dat het college jarenlang consistent lijkt in de positieve houding en dat er, tenminste op enig moment, bereidheid was om mee te werken aan een uitruil. In ieder geval is er jaren gesproken over een oplossing voor eiser en het is niet (geheel) aan eiser te wijten dat die oplossing er (nog) niet is gekomen. De rechtbank is het met het college eens dat deze gang van zaken geen schoonheidsprijs verdient. Dit valt echter buiten het bestek van deze procedure. De rechtbank kan zich namelijk voor het overige niet uitlaten over de vermeende toezeggingen omdat de rechtbank ook gebonden is aan de aanvragen zoals eiser die heeft ingediend. Voor een oordeel over het vertrouwensbeginsel in relatie tot de uitruilsituatie zal eiser dan ook een nieuwe aanvraag moeten doen.
Overschrijding van de redelijke termijn
15. Eiser heeft de rechtbank verzocht hem een schadevergoeding toe te kennen vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is namelijk gestart op het moment dat hij zijn beroep niet tijdig beslissen indiende, aldus eiser. Eiser verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 september 2025.
16. Volgens vaste rechtspraak mag de behandeling van zaken als deze, waarin sprake is van een bezwaar- en beroepsprocedure, maximaal twee jaar duren. Voor elk half jaar dat deze termijn wordt overschreden, wordt een schadevergoeding van € 500,- toegekend.
17. Anders dan eiser, is de rechtbank van oordeel dat deze termijn begint te lopen op het moment dat de bezwaarschriften door het college zijn ontvangen. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam waar eiser naar verwijst maakt dat niet anders, omdat in die zaak een beroep is gedaan op overschrijding van de redelijke termijn in een beroep niet tijdig beslissen. Daar is in de procedures van eiser geen sprake van.
18. Dit betekent dat de redelijke termijn is gaan lopen op het moment dat het college de bezwaarschriften heeft ontvangen. In de zaak AMS 25/2259 heeft het college het bezwaarschrift ontvangen op 25 september 2024. Dit betekent dat de redelijke termijn eindigt op 25 september 2026. Aangezien de rechtbank vandaag uitspraak doet, is in deze zaak de redelijke termijn niet overschreden.
19. Dit is anders in de zaak AMS 24/6560. In deze procedure heeft het college het eerste bezwaarschrift ontvangen op 23 februari 2024. Dit betekent dat de redelijke termijn is geëindigd op 23 februari 2026 en dus met ongeveer twee maanden is overschreden. De rechtbank stelt het bedrag aan te vergoeden immateriële schadevergoeding daarom vast op € 500,-. Aangezien het college op 26 september 2024 op de bezwaren heeft beslist, is de termijnoverschrijding voor de helft aan het college en voor de andere helft aan de rechtbank te wijten. De rechtbank veroordeelt het college en de Staat daarom allebei tot betaling van € 250,- aan eiser als vergoeding voor door hem geleden immateriële schade.
Proceskosten
20. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet vergoed. Wel heeft eiser recht op een vergoeding van de proceskosten die hij heeft gemaakt vanwege het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt de hoogte hiervan vast op € 233,50 (1 punt voor het verzoek met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 0,25). De rechtbank acht deze wegingsfactor in dit geval passend, omdat deze proceskostenvergoeding slechts wordt toegekend voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De werklast die hiermee gepaard gaat voor de gemachtigde acht de rechtbank dusdanig gering dat dit een wegingsfactor van 0,25 rechtvaardigt.
21. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan het college als aan de rechtbank is toe te rekenen, komt deze proceskostenvergoeding voor de helft (€ 116,75) voor rekening van het college en voor de andere helft voor rekening van de Staat.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen ongegrond;
veroordeelt het college en de Staat om aan eiser een schadevergoeding van € 500,- te betalen (€ 250,- te betalen door het college en € 250,- te betalen door de Staat);
veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 116,75;
veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 116,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.W. Steenhoff, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo.
De zaak tegen de beslissing op bezwaar van 26 september 2024 is geregistreerd onder het zaaknummer AMS 24/6560 en de zaak tegen de beslissing op bezwaar van 24 februari 2025 onder het zaaknummer AMS 25/2259.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:486.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2023 ECLI:NL:RVS:2023:3066.
Zie ook de uitspraak van deze Rechtbank van 16 november 2020, ro 12. ECLI:NL:RBAMS:2020:6957
ECLI:NL:RBROT:2025:10973.