Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:6277

2026-06-12 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht AMS 24/5076
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-06-12
Publicatiedatum
2026-06-19
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AMS 24/5076
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. In geschil is per welke datum eiser recht heeft op een WIA-uitkering. Eiser heeft zijn standpunt onderbouwd met een eigen deskundigenrapport. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV het gebrek niet hersteld. Het beroep is gegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.842 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht


zaaknummer: AMS 24/5076


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen



[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. A. van den Os),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. A. Isik).




Als derde-partij neemt aan het geding deel [werkgever] te Amsterdam
(gemachtigde: mr. J. Rosendahl).



Inleiding

1. Deze zaak gaat over de WIA-uitkering van eiser. Het UWV heeft hem per 10 oktober 2023 een WIA-uitkering toegekend. Eiser vindt echter dat hij vanaf 26 juni 2023 (de datum in geding) recht heeft op een WIA-uitkering.

2. In de tussenuitspraak van 18 februari 2026 heeft de rechtbank het UWV in de gelegenheid gesteld de geconstateerde gebreken in de beslissing op bezwaar te herstellen.

3. Het UWV heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend. Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd.

4. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.



Overwegingen

5. Omdat eiser geen toestemming heeft gegeven om medische gegevens te delen met de werkgever, zal de rechtbank de medische stukken niet inhoudelijk weergeven.

6. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).

7. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat de beslissing op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet, althans onvoldoende, is ingegaan op de bevindingen en conclusies van (de door eiser ingeschakelde) verzekeringsarts [naam]. Daarbij gaat het onder meer om de stelling dat er voor en op de datum in geding al hetero-anamnestische aanwijzingen waren die, in combinatie met de latere bevestiging door de behandelend sector, aanleiding zijn om op de datum in geding al meer beperkingen aan te nemen. Daarnaast is de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet ingegaan op de conclusie van [naam] dat de bevindingen van de expertise die het UWV in juni 2023 liet verrichten onvoldoende betrouwbaar en representatief zijn. Evenmin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de bevindingen van [naam] over de dossiergegevens van voor de datum in geding of de motivering van [naam] om een urenbeperking vast te stellen.

8. Op 12 maart 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader gerapporteerd. Zij meent dat de expertise van juni 2023 wel betrouwbaar is omdat de betreffende expertise-arts bevoegd en bekwaam is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat niet is uitgesloten dat tijdens het eenmalige onderzoeksmoment door deze arts in enige mate sprake is geweest van symptomen van de betreffende aandoening. Er kan sprake zijn van een sluipend begin, maar de deskundige heeft rondom de datum in geding geen aanwijzingen gezien voor evidente aanwezigheid van deze aandoening, terwijl hij dit tijdens een eenmalig onderzoeksmoment had kunnen vaststellen. Er zijn verder geen aanwijzingen dat eiser sinds het ontstaan van de klachten niet in beeld is geweest bij de behandelend sector en volledig zorgmijdend is geweest. Alles overziend is naar het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet objectiveerbaar dat er op de datum in geding sprake was van de aandoening; niet op basis van de anamnestische gegevens, niet op basis van het expertiseonderzoek rondom de datum in geding en ook niet op basis van alle informatie van de behandelend sector. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder toegelicht dat een urenbeperking naar haar mening niet geïndiceerd was. Dat de aandoening zich uiteindelijk heeft verwezenlijkt, lag gelet op het expertiserapport niet in de lijn der verwachting. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is dat er eerder sprake was van klachten, maar dat die er op de datum in geding anders uitzagen (ander klachtenbeeld) dan op het moment dat de aandoening zich volledig verwezenlijkte, ruim na de datum in geding.

9. Eiser heeft hierop gereageerd met een rapport van verzekeringsarts [naam] van 31 maart 2026. [naam] heeft toegelicht dat inderdaad niet is uitgesloten dat er reeds subklinische symptomen aanwezig waren. Als het inderdaad ook niet is uitgesloten dat er al symptomen aanwezig waren en dat de klachten een sluipend begin kunnen hebben gehad, kan de expertise niet zonder meer worden aangemerkt als representatief voor de toestand van eiser op de datum in geding. Dat de expertise-arts geen evidente aandoening vaststelde, laat onverlet dat geobserveerde afwijkingen op zichzelf reden kunnen zijn om beperkingen aan te nemen, ook wanneer zij niet voldoen aan een diagnostische drempel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet gemotiveerd waarom deze observaties, in combinatie met andere geregistreerde klachten, niet tot aanvullende beperkingen hadden moeten leiden, aldus [naam]. Ook gaat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet in op de hetero-anamnestische aanwijzingen. Deze vormen geen doorslaggevend bewijs, maar moeten worden bezien in samenhang met de (overige)informatie uit de behandelend sector en de bevindingen van de verzekeringsartsen van het UWV. De relevante vraag is of de toenmalige aanwezige klachten tot meer functionele beperkingen hadden moeten leiden, met name op preventieve gronden. Dat is niet alleen het geval als een (bepaalde) diagnose kan worden gesteld. [naam] heeft verder – onder verwijzing naar de door het UWV gehanteerde Standaard Duurbelastbaarheid in arbeid – toegelicht dat een urenbeperking naar haar mening, op energetische gronden, preventieve gronden en het dagverhaal van eiser, geïndiceerd is.



De beoordeling van de rechtbank

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV met de aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep het motiveringsgebrek niet hersteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de deskundige rond de datum in geding geen aanwijzingen heeft gezien voor evidentie van de later gestelde diagnose en dat alles overziend, niet objectiveerbaar is dat er op de datum in geding toch al sprake zou zijn geweest van die aandoening bij eiser. De rechtbank volgt het standpunt van [naam] dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarmee voorbij gaat aan het feit dat relevant is of de kwetsbaarheid die reeds aantoonbaar aanwezig was, ongeacht of dit toen gediagnosticeerd of evident was, aanleiding had moeten zijn voor meer functionele beperkingen. Met andere woorden, dat de diagnose (nog) niet gesteld kon worden is onvoldoende om te kunnen concluderen dat niet meer beperkingen gesteld moesten worden. Bij de beoordeling hiervan is - ongeacht of eiser zich destijds maskerend en zorgmijdend opstelde - niet alleen het onderzoeksmoment van de deskundige relevant, maar bijvoorbeeld ook medische en hetero-anamnestische informatie. Dit geldt in deze zaak temeer, gelet op het eenmalige karakter van het onderzoeksmoment en de complexe problematiek waar eiser mee kampt. Anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft [naam] haar conclusies met inachtneming van al deze informatie onderbouwd. De rechtbank merkt daarbij op dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestigt dat niet is uitgesloten dat er tijdens het eenmalig onderzoeksmoment in het kader van de expertise sprake kan zijn geweest van (subklinische) symptomen en dat het begin van het klachtenpatroon sluipend kan zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet toegelicht of en waarom dit al dan niet tot nadere beperkingen leidt.

11. Over de urenbeperking overweegt de rechtbank als volgt. [naam] heeft in haar rapport van 25 september 2025 toegelicht dat een urenbeperking geïndiceerd is op basis van drie pijlers: de aard van de klachten, het dagverhaal en de neiging tot overvraging en overbelasting en de samenhangende kwetsbaarheid.

12. In het rapport van 12 maart 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat als in de voorgeschiedenis sprake zou zijn geweest van recidiverende klachten, op de datum in geding gesteld had kunnen worden dat sprake was van kwetsbaarheid waarvoor op preventieve gronden een urenbeperking kon worden gesteld, maar dat dit niet het geval was. Het beloop van de klachten na de beoordeling lag niet in de lijn der verwachting. Niet iedereen die lijdt aan dezelfde problematiek als eiser ontwikkelt dezelfde klachten. Er was daarom geen aanleiding om op dat moment al op preventieve gronden een urenbeperking op te nemen.

13. De rechtbank is van oordeel dat eiser met het rapport van [naam] ook op dit punt zodanige twijfel heeft gezaaid over de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat het UWV hier niet zonder nadere motivering vanuit kon gaan. Anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft [naam] in haar rapport namelijk expliciet aan de hand van de NVVG – Standaard Duurbelastbaarheid getoetst of een urenbeperking aangewezen is. Dit betekent dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog steeds onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij geen urenbeperking stelt.



Conclusie



14. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Aangezien het UWV deze gebreken met de nadere rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet heeft hersteld, ziet de rechtbank geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten.

15. De rechtbank zal het UWV daarom opdragen opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen. Om het geschil zo definitief mogelijk te beslechten en nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep, ondanks de geboden gelegenheid tot herstel, gelet op de onderbouwde rapportages van [naam] nog altijd niet voldoende heeft gemotiveerd dat moet worden uitgegaan van de door haar in de FML opgenomen beperkingen, bepaalt de rechtbank daarbij dat het UWV bij het nieuw te nemen besluit dient uit te gaan van de FML die [naam] heeft opgesteld. Dit betekent dat het UWV een arbeidskundig onderzoek moet uitvoeren met de FML zoals opgesteld door [naam]. De rechtbank geeft het UWV een termijn van acht weken om opnieuw op het bezwaar van eiser beslissen.

16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt de hoogte van de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.335,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een tussenuitspraak, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

17. Eiser heeft verder verzocht om een vergoeding van de twee deskundigenrapporten van [naam]. De vergoeding voor de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, worden berekend overeenkomstig het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Voor wat betreft het onderzoeksrapport van 25 september 2025, zijn in de door eiser overgelegde factuur tien uren gedeclareerd voor voorbereiding, medische informatie beoordelen, onderzoek en uitwerking inclusief administratie. Administratieve kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het Besluit proceskosten bestuursrecht hierin niet voorziet. [naam] heeft niet gespecificeerd hoeveel tijd zij aan administratieve werkzaamheden heeft besteed. De rechtbank bepaalt daarom dat in redelijkheid negen van de tien bestede uren voor vergoeding in aanmerking komen. Met het gerekende uurtarief van € 150,- blijft [naam] beneden het in 2025 geldende maximale uurtarief van € 162,63. De rechtbank kent eiser voor dit rapport daarom een proceskostenvergoeding toe van € 1.633,50.

18. Voor wat betreft het rapport van 31 maart 2026 zijn in de door eiser overgelegde factuur vijf uur gedeclareerd, voor dossieronderzoek en uitwerking. De rechtbank acht dit redelijk. In 2026 wordt een maximaal uurtarief gehanteerd van € 184,42. Aangezien [naam] een uurtarief rekent van € 160,-, komen deze kosten geheel (dus € 968,-) voor vergoeding in aanmerking.
Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar van 9 juli 2024;
- draagt het UWV op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 4.936,50.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.W. Steenhoff, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.









griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



9 x € 150,- + 21% btw.


5 x € 160,- + 21% btw.