Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:6276
2026-02-18
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
AMS 24/5076
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. In geschil is per welke datum eiser recht heeft op een WIA-uitkering. Eiser heeft zijn standpunt onderbouwd met een eigen deskundigenonderzoek. De verzekeringsarts heeft niet op alle bevindingen van de deskundige gereageerd. De rechtbank stelt het UWV in de gelegenheid dit gebrek te herstellen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2013:CA2877 Raad van State 12-06-2013
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.504 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5076 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. A. van den Os),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. A. Isik).
Als derde-partij neemt aan het geding deel: [werkgever] te Amsterdam (de werkgever)
(gemachtigde: mr. J. Rosendahl).
Inleiding
1. Op 31 augustus 2023 heeft het UWV besloten dat eiser per 26 juni 2023 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op 9 juli 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2. Op 21 januari 2026 heeft het UWV per 10 oktober 2023 aan eiser een WIA-uitkering toegekend. Desgevraagd heeft eiser de rechtbank medegedeeld dat hij zijn beroep handhaaft, omdat hij vindt dat hij vanaf 26 juni 2023 recht heeft op een WIA-uitkering.
3. De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De werkgever is niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
4. Omdat eiser geen toestemming heeft gegeven om medische gegevens te delen met de werkgever, zal de rechtbank in deze uitspraak de medische stukken niet inhoudelijk weergeven.
5. De rechtbank beoordeelt in deze procedure of het UWV terecht heeft bepaald dat eiser op 26 juni 2023 (de datum in geding) minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
6. De rechtbank stelt hierbij voorop dat het UWV zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat deze rapporten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen of (inhoudelijk) onjuist zijn.
7. Eiser voert aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende beperkingen heeft aangenomen. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een expertiserapport van verzekeringsarts [naam] van 25 september 2025. In dit rapport heeft [naam] namelijk geconcludeerd dat eiser per 26 juni 2023 meer beperkt was dan door de verzekeringsartsen is aangenomen en in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) is opgenomen. [naam] heeft een nieuwe FML opgesteld en daarin onder meer een urenbeperking opgenomen van vier uur per dag en twintig uur per week. Naar de mening van eiser moet het UWV deze FML van [naam] overnemen.
8. Op 21 november 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het rapport van [naam] gereageerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er per datum in geding geen aanvullende beperkingen zijn. Bij het beroepschrift is namelijk geen nieuwe medische informatie ingebracht en er is sprake is van een variërend klachtenbeeld. Tegelijkertijd kleurt de verkregen informatie wel het gehele beeld van eiser en het beloop. Pas vanaf oktober 2023 worden aanwijzingen gezien voor persoonlijk en sociaal disfunctioneren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarom vanaf 10 oktober 2023 aangenomen dat eiser geen benutbare mogelijkheden heeft.
9. Naar het oordeel van de rechtbank schiet deze toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep tekort. De rechtbank overweegt hiertoe dat [naam] haar bevindingen uitgebreid en met veel concrete aanknopingspunten heeft gemotiveerd. Zo heeft [naam] bij haar beoordeling verschillende (medische) rapportages van zowel voor als na de datum in geding, hetero-anamnestische aanwijzingen en consistentie in het klachtenpatroon betrokken. Dat er geen nieuwe medische informatie is ingebracht die betrekking heeft op de datum in geding is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om dit te weerleggen.
10. [naam] heeft geconcludeerd dat het medisch aannemelijk is dat sprake was van een lage energetische belastbaarheid en aanzienlijke preventieve gronden voor meer beperkingen. Uit medische stukken blijkt dat al vanaf september 2023 toenemende zorgsignalen zijn gedocumenteerd, maar dat er hetero-anamnestisch al eerdere aanwijzingen zijn. Een dergelijke aanwijzing kan bijvoorbeeld worden gevonden in het onderzoeksverslag van de verzekeringsarts van augustus 2023. De expertise die het UWV in juni 2023 liet verrichten is volgens [naam] onvoldoende betrouwbaar en representatief. Bovendien zijn er ook vóór de datum in geding aanwijzingen die duiden op klachten die eiser heeft benoemd. [naam] heeft toegelicht dat, gegeven de consistentie in het klachtenpatroon en de hetero-anamnestische aanwijzingen, gecombineerd met latere bevestiging door de behandelend sector, aannemelijk is dat het klachtenbeeld van eiser al voor de datum in geding aanwezig was. De aanvullende beperkingen die volgens [naam] moeten worden opgenomen in de FML sluiten aan bij het klachten- en behandelingscontinuüm dat sinds 2021 zichtbaar is, worden bevestigd door het dagverhaal van eiser en zijn consistent met het latere klinische verloop. De urenbeperking is gebaseerd op de aard van de klachten, het dagverhaal en de neiging tot overdraging, overbelasting en de samenhangende kwetsbaarheid.
11. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in het rapport van 21 november 2025 niet ingegaan op de bevindingen van [naam] over de hetero-anamnestische aanwijzingen in combinatie met de latere bevestiging door de behandelend sector. Hoewel de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht stelt dat de expertise die zij liet verrichten vlak voor de datum in geding heeft plaatsgevonden, gaat zij niet in op de conclusie van [naam] dat deze bevindingen onvoldoende betrouwbaar en representatief zijn en de daarvoor door haar genoemde redenen. Evenmin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de bevindingen van [naam] over de dossiergegevens van voor de datum in geding of de motivering van [naam] om een urenbeperking te stellen.
12. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het UWV de beslissing op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het UWV in de gelegenheid stellen een gebrek in de beslissing op bezwaar te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het UWV in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar. Om het gebrek te herstellen, moet de verzekeringsarts bezwaar en beroep alsnog gemotiveerd reageren op de bevindingen en conclusies van [naam]. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.
13. Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In principe, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
14. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in principe beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).
15. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt het UWV op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het UWV in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van mr. T.W. Steenhoff, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5076 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. A. van den Os),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. A. Isik).
Als derde-partij neemt aan het geding deel: [werkgever] te Amsterdam (de werkgever)
(gemachtigde: mr. J. Rosendahl).
Inleiding
1. Op 31 augustus 2023 heeft het UWV besloten dat eiser per 26 juni 2023 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op 9 juli 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2. Op 21 januari 2026 heeft het UWV per 10 oktober 2023 aan eiser een WIA-uitkering toegekend. Desgevraagd heeft eiser de rechtbank medegedeeld dat hij zijn beroep handhaaft, omdat hij vindt dat hij vanaf 26 juni 2023 recht heeft op een WIA-uitkering.
3. De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De werkgever is niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
4. Omdat eiser geen toestemming heeft gegeven om medische gegevens te delen met de werkgever, zal de rechtbank in deze uitspraak de medische stukken niet inhoudelijk weergeven.
5. De rechtbank beoordeelt in deze procedure of het UWV terecht heeft bepaald dat eiser op 26 juni 2023 (de datum in geding) minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
6. De rechtbank stelt hierbij voorop dat het UWV zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat deze rapporten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen of (inhoudelijk) onjuist zijn.
7. Eiser voert aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende beperkingen heeft aangenomen. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een expertiserapport van verzekeringsarts [naam] van 25 september 2025. In dit rapport heeft [naam] namelijk geconcludeerd dat eiser per 26 juni 2023 meer beperkt was dan door de verzekeringsartsen is aangenomen en in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) is opgenomen. [naam] heeft een nieuwe FML opgesteld en daarin onder meer een urenbeperking opgenomen van vier uur per dag en twintig uur per week. Naar de mening van eiser moet het UWV deze FML van [naam] overnemen.
8. Op 21 november 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het rapport van [naam] gereageerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er per datum in geding geen aanvullende beperkingen zijn. Bij het beroepschrift is namelijk geen nieuwe medische informatie ingebracht en er is sprake is van een variërend klachtenbeeld. Tegelijkertijd kleurt de verkregen informatie wel het gehele beeld van eiser en het beloop. Pas vanaf oktober 2023 worden aanwijzingen gezien voor persoonlijk en sociaal disfunctioneren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarom vanaf 10 oktober 2023 aangenomen dat eiser geen benutbare mogelijkheden heeft.
9. Naar het oordeel van de rechtbank schiet deze toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep tekort. De rechtbank overweegt hiertoe dat [naam] haar bevindingen uitgebreid en met veel concrete aanknopingspunten heeft gemotiveerd. Zo heeft [naam] bij haar beoordeling verschillende (medische) rapportages van zowel voor als na de datum in geding, hetero-anamnestische aanwijzingen en consistentie in het klachtenpatroon betrokken. Dat er geen nieuwe medische informatie is ingebracht die betrekking heeft op de datum in geding is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om dit te weerleggen.
10. [naam] heeft geconcludeerd dat het medisch aannemelijk is dat sprake was van een lage energetische belastbaarheid en aanzienlijke preventieve gronden voor meer beperkingen. Uit medische stukken blijkt dat al vanaf september 2023 toenemende zorgsignalen zijn gedocumenteerd, maar dat er hetero-anamnestisch al eerdere aanwijzingen zijn. Een dergelijke aanwijzing kan bijvoorbeeld worden gevonden in het onderzoeksverslag van de verzekeringsarts van augustus 2023. De expertise die het UWV in juni 2023 liet verrichten is volgens [naam] onvoldoende betrouwbaar en representatief. Bovendien zijn er ook vóór de datum in geding aanwijzingen die duiden op klachten die eiser heeft benoemd. [naam] heeft toegelicht dat, gegeven de consistentie in het klachtenpatroon en de hetero-anamnestische aanwijzingen, gecombineerd met latere bevestiging door de behandelend sector, aannemelijk is dat het klachtenbeeld van eiser al voor de datum in geding aanwezig was. De aanvullende beperkingen die volgens [naam] moeten worden opgenomen in de FML sluiten aan bij het klachten- en behandelingscontinuüm dat sinds 2021 zichtbaar is, worden bevestigd door het dagverhaal van eiser en zijn consistent met het latere klinische verloop. De urenbeperking is gebaseerd op de aard van de klachten, het dagverhaal en de neiging tot overdraging, overbelasting en de samenhangende kwetsbaarheid.
11. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in het rapport van 21 november 2025 niet ingegaan op de bevindingen van [naam] over de hetero-anamnestische aanwijzingen in combinatie met de latere bevestiging door de behandelend sector. Hoewel de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht stelt dat de expertise die zij liet verrichten vlak voor de datum in geding heeft plaatsgevonden, gaat zij niet in op de conclusie van [naam] dat deze bevindingen onvoldoende betrouwbaar en representatief zijn en de daarvoor door haar genoemde redenen. Evenmin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de bevindingen van [naam] over de dossiergegevens van voor de datum in geding of de motivering van [naam] om een urenbeperking te stellen.
12. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het UWV de beslissing op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het UWV in de gelegenheid stellen een gebrek in de beslissing op bezwaar te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het UWV in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar. Om het gebrek te herstellen, moet de verzekeringsarts bezwaar en beroep alsnog gemotiveerd reageren op de bevindingen en conclusies van [naam]. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.
13. Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In principe, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
14. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in principe beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).
15. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt het UWV op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het UWV in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van mr. T.W. Steenhoff, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.