Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:6138
2026-06-10
Strafrecht; Europees strafrecht
13-097821-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak in executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW: de rechtbank ziet af van toepassing van de weigeringsgrond in verband met het verzoek van de opgeëiste persoon om de vrijheidsstraf in Nederland te ondergaan in het kader van artikel 6a OLW. Aangehouden in afwachting van het vonnis en certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ.
Citeert (10)
- ECLI:EU:C:2026:416
- ECLI:EU:C:2023:444
- ECLI:EU:C:2025:665
- ECLI:NL:RBAMS:2026:5193 Rechtbank Amsterdam 27-05-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:4274 Rechtbank Amsterdam 30-04-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2025:10798 Rechtbank Amsterdam 30-12-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2021:420 Rechtbank Amsterdam 10-02-2021
- ECLI:NL:RBAMS:2022:1794 Rechtbank Amsterdam 06-04-2022
- ECLI:NL:RBAMS:2022:1794 Rechtbank Amsterdam 06-04-2022
- ECLI:EU:C:2022:100
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:8338 Rechtbank Amsterdam 20-08-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (14.337 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-097821-26
Datum uitspraak: 10 juni 2026
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 3 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 juni 2024 door de Sąd Okręgowy w Piotrkowie Trybunalskim (Regional Court in Piotrków Trybunalski), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 27 mei 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.C.M. van Dijk, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Piotrków Trybunalski District Court van 1 februari 2023 met kenmerk II K 474/22. Uit de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 28 april 2026 blijkt dat sprake is geweest van een procedure in hoger beroep die heeft geleid tot het arrest van the Piotrków Trybunalski Regional Court, van 13 juni 2023, met kenmerk IV Ka 245/23.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De straf resteert nog in het geheel. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De opgeëiste persoon is – zo blijkt uit de aanvullende informatie van 28 april 2026 – niet aanwezig geweest bij de procedure die tot het arrest met kenmerk IV Ka 245/23 heeft geleid. Tijdens de zitting heeft de opgeëiste persoon (onder meer) aangegeven dat hij de vrijheidsstraf in Nederland wil ondergaan, zodat hij deze zaak achter zich kan laten.
Gelet op het hetgeen in het EAB en in de aanvullende informatie van 28 april en 14 mei 2026 is vermeld, tegen de achtergrond van de omstandigheid dat de opgeëiste persoon expliciet geen beroep op artikel 12 OLW heeft gedaan in verband met zijn verzoek om de tenuitvoerlegging van de Roemeense straf over te nemen (zie hierna onder 6), ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat overlevering een schending van zijn verdedigingsrechten zou opleveren. Dit leidt tot het oordeel dat van weigering op grond van artikel 12 OLW wordt afgezien.
5Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De opgeëiste persoon heeft een beroep gedaan op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW.
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van
artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
Met de raadsvrouw en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. De opgeëiste persoon staat al sinds 2020 ingeschreven op één BRP-adres in Zaandam. Ook heeft hij – met onder meer Belastingaanslagen - aangetoond dat hij en zijn partner de afgelopen vijf jaren voldoende inkomen hebben genoten als zelfstandigen uit (ieder hun eigen) bedrijf.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 21 mei 2026 volgt dat het beschreven strafrechtelijke feit er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Uit de hiervoor onder 5 weergegeven Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische, familiale en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat ingevolge het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd zijn opgevraagd. Deze stukken zijn echter nog niet ontvangen.
De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en gelijktijdig schorsen om de toezending van deze stukken - waarmee de toestemming van de beslissingsstaat voor het overnemen van de in Polen opgelegde straf door Nederland is gegeven - af te wachten.
Verlenging van de beslistermijn
Artikel 22, vierde lid, OLW bepaalt dat de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen kan verlengen. Naar vaste jurisprudentie ziet de rechtbank de onderhavige situatie als een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW en daarom verlengt zij de beslistermijn met 60 dagen op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Verzoek om schorsing
De raadsvrouw heeft verzocht om de detentie op grond van artikel 27, vierde lid, OLW ook na de uitspraak te schorsen als de in Polen opgelegde straf op grond van artikel 6a OLW wordt overgenomen. De reden daarvoor is dat aan de opgeëiste persoon een vrijheidsstraf van zes maanden is opgelegd en de raadsvrouw voornemens is om direct een gratieverzoek in te dienen. Ingevolge artikel 6.7.2 van het Wetboek van Strafvordering heeft een gratieverzoek dat ziet op een straf van zes maanden of minder opschortende werking. Om die reden wordt verzocht om de detentie op grond van artikel 27, vierde lid, OLW te schorsen tot aan het moment waarop op het gratieverzoek wordt beslist.
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal in deze tussenuitspraak nog niet over het verzoek om schorsing oordelen, nu nog geen definitieve beslissing inzake de overname van de in Polen opgelegde straf kan worden genomen wegens het ontbreken van toestemming van de beslissingsstaat voor overname van de straf.
7Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
8Beslissing
HEROPENT het onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 6 vermelde stukken bij de uitvaardigende justitiële autoriteit op te vragen.
VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (eindigend 28 augustus 2026) onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALT dat de zaak uiterlijk 14 dagen vóór 28 augustus 2026 (einde van de verlengde beslistermijn) weer op zitting wordt gepland.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Vergelijk Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 mei 2026, ECLI:EU:C:2026:416 (Khuzdar), punt 92.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land)), punt 64.
Zaak C.J., C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665.
Zie o.a. Rb. Amsterdam 27 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5193, Rb. Amsterdam 30 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4274, en Rb. Amsterdam 30 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10798.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-097821-26
Datum uitspraak: 10 juni 2026
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 3 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 juni 2024 door de Sąd Okręgowy w Piotrkowie Trybunalskim (Regional Court in Piotrków Trybunalski), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 27 mei 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.C.M. van Dijk, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Piotrków Trybunalski District Court van 1 februari 2023 met kenmerk II K 474/22. Uit de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 28 april 2026 blijkt dat sprake is geweest van een procedure in hoger beroep die heeft geleid tot het arrest van the Piotrków Trybunalski Regional Court, van 13 juni 2023, met kenmerk IV Ka 245/23.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De straf resteert nog in het geheel. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De opgeëiste persoon is – zo blijkt uit de aanvullende informatie van 28 april 2026 – niet aanwezig geweest bij de procedure die tot het arrest met kenmerk IV Ka 245/23 heeft geleid. Tijdens de zitting heeft de opgeëiste persoon (onder meer) aangegeven dat hij de vrijheidsstraf in Nederland wil ondergaan, zodat hij deze zaak achter zich kan laten.
Gelet op het hetgeen in het EAB en in de aanvullende informatie van 28 april en 14 mei 2026 is vermeld, tegen de achtergrond van de omstandigheid dat de opgeëiste persoon expliciet geen beroep op artikel 12 OLW heeft gedaan in verband met zijn verzoek om de tenuitvoerlegging van de Roemeense straf over te nemen (zie hierna onder 6), ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat overlevering een schending van zijn verdedigingsrechten zou opleveren. Dit leidt tot het oordeel dat van weigering op grond van artikel 12 OLW wordt afgezien.
5Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De opgeëiste persoon heeft een beroep gedaan op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW.
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van
artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
Met de raadsvrouw en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. De opgeëiste persoon staat al sinds 2020 ingeschreven op één BRP-adres in Zaandam. Ook heeft hij – met onder meer Belastingaanslagen - aangetoond dat hij en zijn partner de afgelopen vijf jaren voldoende inkomen hebben genoten als zelfstandigen uit (ieder hun eigen) bedrijf.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 21 mei 2026 volgt dat het beschreven strafrechtelijke feit er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Uit de hiervoor onder 5 weergegeven Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische, familiale en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat ingevolge het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd zijn opgevraagd. Deze stukken zijn echter nog niet ontvangen.
De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en gelijktijdig schorsen om de toezending van deze stukken - waarmee de toestemming van de beslissingsstaat voor het overnemen van de in Polen opgelegde straf door Nederland is gegeven - af te wachten.
Verlenging van de beslistermijn
Artikel 22, vierde lid, OLW bepaalt dat de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen kan verlengen. Naar vaste jurisprudentie ziet de rechtbank de onderhavige situatie als een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW en daarom verlengt zij de beslistermijn met 60 dagen op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Verzoek om schorsing
De raadsvrouw heeft verzocht om de detentie op grond van artikel 27, vierde lid, OLW ook na de uitspraak te schorsen als de in Polen opgelegde straf op grond van artikel 6a OLW wordt overgenomen. De reden daarvoor is dat aan de opgeëiste persoon een vrijheidsstraf van zes maanden is opgelegd en de raadsvrouw voornemens is om direct een gratieverzoek in te dienen. Ingevolge artikel 6.7.2 van het Wetboek van Strafvordering heeft een gratieverzoek dat ziet op een straf van zes maanden of minder opschortende werking. Om die reden wordt verzocht om de detentie op grond van artikel 27, vierde lid, OLW te schorsen tot aan het moment waarop op het gratieverzoek wordt beslist.
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal in deze tussenuitspraak nog niet over het verzoek om schorsing oordelen, nu nog geen definitieve beslissing inzake de overname van de in Polen opgelegde straf kan worden genomen wegens het ontbreken van toestemming van de beslissingsstaat voor overname van de straf.
7Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
8Beslissing
HEROPENT het onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 6 vermelde stukken bij de uitvaardigende justitiële autoriteit op te vragen.
VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (eindigend 28 augustus 2026) onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALT dat de zaak uiterlijk 14 dagen vóór 28 augustus 2026 (einde van de verlengde beslistermijn) weer op zitting wordt gepland.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Vergelijk Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 mei 2026, ECLI:EU:C:2026:416 (Khuzdar), punt 92.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land)), punt 64.
Zaak C.J., C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665.
Zie o.a. Rb. Amsterdam 27 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5193, Rb. Amsterdam 30 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4274, en Rb. Amsterdam 30 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10798.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).