Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:6118
2026-06-16
Bestuursrecht
AMS 25/6331
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag voor een urgentieverklaring. Algemene weigeringsgronden. Geen sprake van inwoning. De rechtbank is van oordeel dat het college mocht tegenwerpen dat eiseres zonder adequate woonruimte naar Amsterdam is teruggekeerd. Onvoldoende onderbouwd dat er sprake was van een medische noodzaak of overmacht. Beroep op de hardheidsclausule slaagt niet. Beroep ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBAMS:2022:2155 Rechtbank Amsterdam 22-04-2022
- ECLI:NL:CBB:2024:190 College van Beroep voor het bedrijfsleven 26-03-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.989 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/6331
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. M. Goedhart),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college
(gemachtigde: mr. J.H.G. van den Boorn).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 september 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond van de zaak
3. Eiseres is een alleenstaande 34-jarige vrouw (geboren op [geboortedag] 1991). Zij heeft van 3 februari 2006 tot 16 januari 2017 in Turkije gewoond. Vervolgens stond eiseres van 16 januari 2017 tot 21 december 2017 ingeschreven op het adres, [adres 1]. Dit betreft de woning van haar oom, bij wie ze inwoonde. Eiseres stond van 21 december 2017 tot en met 17 augustus 2020 ingeschreven op het adres [adres 2]. Dit betrof een door haar gehuurde studio. Daarna is eiseres weer teruggekeerd naar Amsterdam bij haar oom en staat zij tot heden ingeschreven bij hem op het adres [adres 1]. Eiseres verblijft feitelijk niet meer in de woning, zij slaapt her en der bij vriendinnen en bij nichtjes.
3.1.
Eiseres heeft in haar aanvraag aangegeven dat zij tijdens haar studie in Groningen te maken kreeg met ernstige psychische klachten en dat zij mede daarom in 2020 terug naar Amsterdam is verhuisd, waar zij een sociaal netwerk heeft. Recentelijk is haar situatie verslechterd. In september 2024 is eiseres slachtoffer geworden van een gewelddadig incident met haar neef in de woning van haar oom. De politie heeft een tijdelijk contactverbod opgelegd. Eiseres geeft aan dat dit traumatische voorval een negatieve invloed heeft gehad op haar psychische gezondheid en dat zij op dit moment niet over een veilige en stabiele woonplek beschikt. Bij eiseres is sprake van een diagnose ADHD en een borderline persoonlijkheidsstoornis. Sinds maart 2024 is zij in behandeling bij Arkin.
3.2.
Bij de aanvraag heeft eiseres een verklaring van 15 oktober 2024 van haar psychiater, [naam] van GGZ-instelling Arkin, overgelegd. Hierin staat dat eiseres sinds maart 2024 bij Arkin in behandeling is vanwege klachten passend bij borderline persoonlijkheidsproblematiek. Volgens de psycholoog is een veilige en stabiele woonomgeving onontbeerlijk om de behandeling goed te laten verlopen.
3.3.
Het college heeft de aanvraag om een urgentieverklaring geweigerd op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, onder b en onder e, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Hvv). Reden hiervoor is dat eiseres niet dakloos is omdat zij inwonend is bij een andere huishouding. Eiseres is naar Amsterdam gekomen zonder over adequate woonruimte te beschikken, terwijl zij al bekend was met medische problematiek. Daarnaast voldoet eiseres niet aan de voorwaarden van artikel 13, onder a, b en d van de Nadere Regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (de Nadere Regels).
Algemene weigeringsgronden
4. Om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring, moet aan alle daarvoor geldende voorwaarden uit de Hvv worden voldaan. Eerst moet worden nagegaan of geen sprake is van zogenoemde algemene weigeringsgronden. De systematiek van de Hvv brengt mee dat wanneer een algemene weigeringsgrond van toepassing is, de aanvrager niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Het college toetst de aanvraag dan niet meer aan de voorwaarden voor de verschillende urgentiecategorieën, zoals medische of sociale urgentie.
Geen urgent huisvestingsprobleem
4.1.
Artikel 2.10.5, eerste lid, onder b, van de Hvv bepaalt dat een urgentieverklaring wordt afgewezen indien er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. De Nadere Regels bepalen dat het inwonen bij één of meerdere huishoudens niet wordt aangemerkt als een urgent huisvestingsprobleem.
4.2.
Volgens het college is sprake van inwoning bij derden, nu eiseres heeft aangegeven dat zij bij haar oom, vriendinnen en nichtjes verblijft en er geen sprake is van dakloosheid.
4.3.
Eiseres stelt dat de weigeringsgrond genoemd in artikel 2.10.5, eerste lid, onder b, van de Hvv, te weten het ontbreken van een urgent huisvestingsprobleem, niet aan de orde is. Eiseres heeft een levensbedreigende situatie meegemaakt in de woning en die situatie kan zich wederom voordoen, er is geen contact- en gebiedsverbod meer van kracht. Eiseres moet vrezen voor haar leven zo lang zij in de woning van haar oom verblijft, gezien de medische problematiek van haar neef. Dat eiseres bij vriendinnen en nichtjes terecht kon, maakt dat niet anders. Dit is geen structurele oplossing en er is dus weldegelijk sprake van een urgent huisvestingsprobleem.
4.4.
De rechtbank volgt het college dat er sprake kan zijn van inwoning indien een aanvrager bij meerdere huishoudens inwoont. De rechtbank acht bij beantwoording van de vraag of er sprake is van inwoning van belang of er sprake is van een enigszins stabiele situatie, waarin iemand een min of meer vaste basis heeft van waaruit bijvoorbeeld werk en het privéleven vorm kunnen worden gegeven.
Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat zij over een vaste kring van ongeveer zes adressen beschikt waar zij kan verblijven. Er zit geen vaste structuur in haar verblijfplaatsen en zij moet elke week organiseren bij welke vriendin of welk familielid zij terecht kan. Ze heeft geen spullen op deze plekken maar leeft vanuit handbagage. Door het wekelijks moeten organiseren van een slaapplek staat eiseres in een constante overlevingsstand.
De rechtbank overweegt dat uit de toelichting van eiseres geenszins blijkt dat zij een stabiele verblijfssituatie heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarom ten onrechte aan eiseres tegengeworpen dat er sprake is van inwoning en dat zij geen urgent huisvestingsprobleem heeft.
Het huisvestingsprobleem is door eigen handelen ontstaan
5. Een aanvraag voor een urgentieverklaring wordt geweigerd indien het huisvestingsprobleem het gevolg is van verwijtbaar handelen of nalaten van de aanvrager. De Nadere regels bepalen dat dit onder meer het geval is wanneer de aanvrager naar Amsterdam verhuist zonder over adequate woonruimte te beschikken, zoals bij het inwonen bij een ander huishouden (artikel 3, onder e, punt 2 van de Nadere regels).
5.1.
Het college werpt eiseres tegen dat zij zowel in 2017 als in 2020 naar Amsterdam is teruggekeerd zonder dat zij de beschikking had over adequate woonruimte. Eiseres is immers tweemaal bij haar oom gaan inwonen.
5.2.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van verwijtbaar doen of nalaten. Eiseres is niet vrijwillig bij haar oom ingetrokken, maar heeft dit vanuit Groningen moeten doen vanwege haar psychische gesteldheid. Zij heeft het advies van haar psycholoog daarin opgevolgd, er was dan ook sprake van overmacht.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college mocht tegenwerpen dat eiseres zonder adequate woonruimte in 2020 naar Amsterdam is teruggekeerd. Hoewel het begrijpelijk en invoelbaar is dat eisers wilde terugkeren naar Amsterdam vanwege haar psychische gesteldheid en haar sociale vangnet in Amsterdam, heeft zij onvoldoende onderbouwd dat er sprake was van een medische noodzaak of overmacht. Dit blijkt ook niet uit de verklaring van de voormalig psycholoog van eiseres.
6. Nu het college deze algemene weigeringsgrond aan eiseres mocht tegenwerpen, heeft het college terecht de urgentieverklaring geweigerd.
Ernstige bedreiging of geweld
7. Het college heeft in het bestreden besluit ten overvloede overwogen dat eiseres niet behoort tot een urgentiecategorie van artikel 2.10.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv. Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 13 van de Nadere Regels met betrekking tot een huiselijk geweldsituatie. De rechtbank overweegt dat uit artikel 10.2 van de Nadere Regels volgt dat niet wordt getoetst aan artikel 2.10.8 van de Hvv (overige urgentiecategorieën) en artikel 13 van de Nadere Regels als de aanvraag moet worden geweigerd op grond van één van de algemene weigeringsgronden genoemd in artikel 2.10.5 van de Hvv. Nu de aanvraag wordt geweigerd omdat één algemene weigeringsgrond van toepassing is, hoeft het college niet toe te komen aan een zelfstandige toetsing aan artikel 13 van de Nadere Regels. De aangevoerde omstandigheden kunnen wel worden betrokken bij de beoordeling van de hardheidsclausule.
Hardheidsclausule
8. Het college kan een uitzondering maken op de regels en deze buiten toepassing laten in gevallen waarbij sprake is van een schrijnende situatie en waaraan niet is gedacht bij het opstellen van de regels. In dat geval past het college de zogenoemde hardheidsclausule toe. Vanwege de huidige woningnood, past het college de hardheidsclausule alleen toe bij hele hoge uitzondering. Het beleid van het college is daarbij gericht op gezinnen met minderjarige kinderen, die door overmacht dakloos zijn of dakloos dreigen te worden en op personen met ernstige medische of sociale problematiek gerelateerd aan de woonsituatie. Onder een schrijnende situatie bij medische problematiek wordt verstaan een uitzonderlijke noodsituatie waar een urgentieverklaring voor noodzakelijk is. De aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek dient met bewijsstukken aan te tonen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk, een verklaring van de huisarts is onvoldoende.
8.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij zich in een vicieuze cirkel bevindt. Gezien de borderline problematiek en omdat zij suïcidaal is vanwege haar huidige situatie volgt zij nu wel Mentalization-Based Treatment, maar het Nederlands Paramedisch Instituut geeft aan dat de behandeling veel minder effectief zal zijn omdat eiseres geen veilige en stabiele woning heeft. Zij kan daarom ook niet starten met EMDR traumabehandeling. Er is sprake van een schrijnende situatie.
8.2.
De rechtbank is met het college van oordeel dat de psychische problematiek (ADHD en borderline) van eiseres en het incident met haar neef een zeer belastende samenloop van omstandigheden vormen. Ook is te volgen dat eiseres door het niet hebben van een eigen woning niet toekomt aan de behandeling van haar klachten; dit wordt ook onderbouwd met stukken van haar psychiater. Het college heeft echter naar het oordeel van de rechtbank terecht gewezen op het feit dat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Dit volgt niet uit de medische stukken, waarin ook de suïcidale klachten niet staan vermeld. De rechtbank benadrukt dat zij hiermee niet de ernst van de problemen van eiseres in twijfel trekt. Zoals echter ook door het college naar voren is gebracht, zijn er in Amsterdam helaas vele vergelijkbare gevallen van mensen met ernstige (psychische) medische problemen die geen eigen woning hebben waardoor zij niet kunnen worden behandeld voor hun klachten. Gelet op de woningcrisis en het zeer beperkte aanbod aan betaalbare sociale huurwoningen in Amsterdam, mag het college kiezen voor een strikt beleid en het zeer terughoudend toepassen van de hardheidsclausule. Daarom kon het college naar het oordeel van de rechtbank in dit geval in redelijkheid concluderen dat er geen reden bestaat om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.
8.3.
De rechtbank is ook verder niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat de gevolgen van het bestreden besluit onredelijk bezwarend zijn voor eiseres.
8.4.
De rechtbank merkt tenslotte op dat eiseres zich voor hulpverlening kan wenden tot een buurtteam in Amsterdam. Deze hulpverleners kunnen helpen met het vinden van een zelfstandige woning, bijvoorbeeld buiten Amsterdam.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de aanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen en eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie ook de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2155.
Aanvullende voorwaarden ernstige bedreiging of geweld bij artikel 10.2, derde lid, onderdeel a, onder II.
Artikel 24 van de Nadere regels Hvv.
Zie de toelichting bij medische problematiek van paragraaf 24 van de Nadere regels Hvv.
Vgl. de uitspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/6331
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. M. Goedhart),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college
(gemachtigde: mr. J.H.G. van den Boorn).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 september 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond van de zaak
3. Eiseres is een alleenstaande 34-jarige vrouw (geboren op [geboortedag] 1991). Zij heeft van 3 februari 2006 tot 16 januari 2017 in Turkije gewoond. Vervolgens stond eiseres van 16 januari 2017 tot 21 december 2017 ingeschreven op het adres, [adres 1]. Dit betreft de woning van haar oom, bij wie ze inwoonde. Eiseres stond van 21 december 2017 tot en met 17 augustus 2020 ingeschreven op het adres [adres 2]. Dit betrof een door haar gehuurde studio. Daarna is eiseres weer teruggekeerd naar Amsterdam bij haar oom en staat zij tot heden ingeschreven bij hem op het adres [adres 1]. Eiseres verblijft feitelijk niet meer in de woning, zij slaapt her en der bij vriendinnen en bij nichtjes.
3.1.
Eiseres heeft in haar aanvraag aangegeven dat zij tijdens haar studie in Groningen te maken kreeg met ernstige psychische klachten en dat zij mede daarom in 2020 terug naar Amsterdam is verhuisd, waar zij een sociaal netwerk heeft. Recentelijk is haar situatie verslechterd. In september 2024 is eiseres slachtoffer geworden van een gewelddadig incident met haar neef in de woning van haar oom. De politie heeft een tijdelijk contactverbod opgelegd. Eiseres geeft aan dat dit traumatische voorval een negatieve invloed heeft gehad op haar psychische gezondheid en dat zij op dit moment niet over een veilige en stabiele woonplek beschikt. Bij eiseres is sprake van een diagnose ADHD en een borderline persoonlijkheidsstoornis. Sinds maart 2024 is zij in behandeling bij Arkin.
3.2.
Bij de aanvraag heeft eiseres een verklaring van 15 oktober 2024 van haar psychiater, [naam] van GGZ-instelling Arkin, overgelegd. Hierin staat dat eiseres sinds maart 2024 bij Arkin in behandeling is vanwege klachten passend bij borderline persoonlijkheidsproblematiek. Volgens de psycholoog is een veilige en stabiele woonomgeving onontbeerlijk om de behandeling goed te laten verlopen.
3.3.
Het college heeft de aanvraag om een urgentieverklaring geweigerd op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, onder b en onder e, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Hvv). Reden hiervoor is dat eiseres niet dakloos is omdat zij inwonend is bij een andere huishouding. Eiseres is naar Amsterdam gekomen zonder over adequate woonruimte te beschikken, terwijl zij al bekend was met medische problematiek. Daarnaast voldoet eiseres niet aan de voorwaarden van artikel 13, onder a, b en d van de Nadere Regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (de Nadere Regels).
Algemene weigeringsgronden
4. Om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring, moet aan alle daarvoor geldende voorwaarden uit de Hvv worden voldaan. Eerst moet worden nagegaan of geen sprake is van zogenoemde algemene weigeringsgronden. De systematiek van de Hvv brengt mee dat wanneer een algemene weigeringsgrond van toepassing is, de aanvrager niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Het college toetst de aanvraag dan niet meer aan de voorwaarden voor de verschillende urgentiecategorieën, zoals medische of sociale urgentie.
Geen urgent huisvestingsprobleem
4.1.
Artikel 2.10.5, eerste lid, onder b, van de Hvv bepaalt dat een urgentieverklaring wordt afgewezen indien er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. De Nadere Regels bepalen dat het inwonen bij één of meerdere huishoudens niet wordt aangemerkt als een urgent huisvestingsprobleem.
4.2.
Volgens het college is sprake van inwoning bij derden, nu eiseres heeft aangegeven dat zij bij haar oom, vriendinnen en nichtjes verblijft en er geen sprake is van dakloosheid.
4.3.
Eiseres stelt dat de weigeringsgrond genoemd in artikel 2.10.5, eerste lid, onder b, van de Hvv, te weten het ontbreken van een urgent huisvestingsprobleem, niet aan de orde is. Eiseres heeft een levensbedreigende situatie meegemaakt in de woning en die situatie kan zich wederom voordoen, er is geen contact- en gebiedsverbod meer van kracht. Eiseres moet vrezen voor haar leven zo lang zij in de woning van haar oom verblijft, gezien de medische problematiek van haar neef. Dat eiseres bij vriendinnen en nichtjes terecht kon, maakt dat niet anders. Dit is geen structurele oplossing en er is dus weldegelijk sprake van een urgent huisvestingsprobleem.
4.4.
De rechtbank volgt het college dat er sprake kan zijn van inwoning indien een aanvrager bij meerdere huishoudens inwoont. De rechtbank acht bij beantwoording van de vraag of er sprake is van inwoning van belang of er sprake is van een enigszins stabiele situatie, waarin iemand een min of meer vaste basis heeft van waaruit bijvoorbeeld werk en het privéleven vorm kunnen worden gegeven.
Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat zij over een vaste kring van ongeveer zes adressen beschikt waar zij kan verblijven. Er zit geen vaste structuur in haar verblijfplaatsen en zij moet elke week organiseren bij welke vriendin of welk familielid zij terecht kan. Ze heeft geen spullen op deze plekken maar leeft vanuit handbagage. Door het wekelijks moeten organiseren van een slaapplek staat eiseres in een constante overlevingsstand.
De rechtbank overweegt dat uit de toelichting van eiseres geenszins blijkt dat zij een stabiele verblijfssituatie heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarom ten onrechte aan eiseres tegengeworpen dat er sprake is van inwoning en dat zij geen urgent huisvestingsprobleem heeft.
Het huisvestingsprobleem is door eigen handelen ontstaan
5. Een aanvraag voor een urgentieverklaring wordt geweigerd indien het huisvestingsprobleem het gevolg is van verwijtbaar handelen of nalaten van de aanvrager. De Nadere regels bepalen dat dit onder meer het geval is wanneer de aanvrager naar Amsterdam verhuist zonder over adequate woonruimte te beschikken, zoals bij het inwonen bij een ander huishouden (artikel 3, onder e, punt 2 van de Nadere regels).
5.1.
Het college werpt eiseres tegen dat zij zowel in 2017 als in 2020 naar Amsterdam is teruggekeerd zonder dat zij de beschikking had over adequate woonruimte. Eiseres is immers tweemaal bij haar oom gaan inwonen.
5.2.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van verwijtbaar doen of nalaten. Eiseres is niet vrijwillig bij haar oom ingetrokken, maar heeft dit vanuit Groningen moeten doen vanwege haar psychische gesteldheid. Zij heeft het advies van haar psycholoog daarin opgevolgd, er was dan ook sprake van overmacht.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college mocht tegenwerpen dat eiseres zonder adequate woonruimte in 2020 naar Amsterdam is teruggekeerd. Hoewel het begrijpelijk en invoelbaar is dat eisers wilde terugkeren naar Amsterdam vanwege haar psychische gesteldheid en haar sociale vangnet in Amsterdam, heeft zij onvoldoende onderbouwd dat er sprake was van een medische noodzaak of overmacht. Dit blijkt ook niet uit de verklaring van de voormalig psycholoog van eiseres.
6. Nu het college deze algemene weigeringsgrond aan eiseres mocht tegenwerpen, heeft het college terecht de urgentieverklaring geweigerd.
Ernstige bedreiging of geweld
7. Het college heeft in het bestreden besluit ten overvloede overwogen dat eiseres niet behoort tot een urgentiecategorie van artikel 2.10.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv. Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 13 van de Nadere Regels met betrekking tot een huiselijk geweldsituatie. De rechtbank overweegt dat uit artikel 10.2 van de Nadere Regels volgt dat niet wordt getoetst aan artikel 2.10.8 van de Hvv (overige urgentiecategorieën) en artikel 13 van de Nadere Regels als de aanvraag moet worden geweigerd op grond van één van de algemene weigeringsgronden genoemd in artikel 2.10.5 van de Hvv. Nu de aanvraag wordt geweigerd omdat één algemene weigeringsgrond van toepassing is, hoeft het college niet toe te komen aan een zelfstandige toetsing aan artikel 13 van de Nadere Regels. De aangevoerde omstandigheden kunnen wel worden betrokken bij de beoordeling van de hardheidsclausule.
Hardheidsclausule
8. Het college kan een uitzondering maken op de regels en deze buiten toepassing laten in gevallen waarbij sprake is van een schrijnende situatie en waaraan niet is gedacht bij het opstellen van de regels. In dat geval past het college de zogenoemde hardheidsclausule toe. Vanwege de huidige woningnood, past het college de hardheidsclausule alleen toe bij hele hoge uitzondering. Het beleid van het college is daarbij gericht op gezinnen met minderjarige kinderen, die door overmacht dakloos zijn of dakloos dreigen te worden en op personen met ernstige medische of sociale problematiek gerelateerd aan de woonsituatie. Onder een schrijnende situatie bij medische problematiek wordt verstaan een uitzonderlijke noodsituatie waar een urgentieverklaring voor noodzakelijk is. De aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek dient met bewijsstukken aan te tonen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk, een verklaring van de huisarts is onvoldoende.
8.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij zich in een vicieuze cirkel bevindt. Gezien de borderline problematiek en omdat zij suïcidaal is vanwege haar huidige situatie volgt zij nu wel Mentalization-Based Treatment, maar het Nederlands Paramedisch Instituut geeft aan dat de behandeling veel minder effectief zal zijn omdat eiseres geen veilige en stabiele woning heeft. Zij kan daarom ook niet starten met EMDR traumabehandeling. Er is sprake van een schrijnende situatie.
8.2.
De rechtbank is met het college van oordeel dat de psychische problematiek (ADHD en borderline) van eiseres en het incident met haar neef een zeer belastende samenloop van omstandigheden vormen. Ook is te volgen dat eiseres door het niet hebben van een eigen woning niet toekomt aan de behandeling van haar klachten; dit wordt ook onderbouwd met stukken van haar psychiater. Het college heeft echter naar het oordeel van de rechtbank terecht gewezen op het feit dat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Dit volgt niet uit de medische stukken, waarin ook de suïcidale klachten niet staan vermeld. De rechtbank benadrukt dat zij hiermee niet de ernst van de problemen van eiseres in twijfel trekt. Zoals echter ook door het college naar voren is gebracht, zijn er in Amsterdam helaas vele vergelijkbare gevallen van mensen met ernstige (psychische) medische problemen die geen eigen woning hebben waardoor zij niet kunnen worden behandeld voor hun klachten. Gelet op de woningcrisis en het zeer beperkte aanbod aan betaalbare sociale huurwoningen in Amsterdam, mag het college kiezen voor een strikt beleid en het zeer terughoudend toepassen van de hardheidsclausule. Daarom kon het college naar het oordeel van de rechtbank in dit geval in redelijkheid concluderen dat er geen reden bestaat om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.
8.3.
De rechtbank is ook verder niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat de gevolgen van het bestreden besluit onredelijk bezwarend zijn voor eiseres.
8.4.
De rechtbank merkt tenslotte op dat eiseres zich voor hulpverlening kan wenden tot een buurtteam in Amsterdam. Deze hulpverleners kunnen helpen met het vinden van een zelfstandige woning, bijvoorbeeld buiten Amsterdam.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de aanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen en eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie ook de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2155.
Aanvullende voorwaarden ernstige bedreiging of geweld bij artikel 10.2, derde lid, onderdeel a, onder II.
Artikel 24 van de Nadere regels Hvv.
Zie de toelichting bij medische problematiek van paragraaf 24 van de Nadere regels Hvv.
Vgl. de uitspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.