Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:6113
2026-06-16
Strafrecht; Europees strafrecht
1309685126
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
EAB Roemenië; verweren m.b.t. artikel 12 OLW en de detentieomstandigheden verworpen; overlevering toegestaan.
Citeert (4)
- ECLI:EU:C:2023:1030
- ECLI:EU:C:2023:1031
- ECLI:NL:RBAMS:2022:2513 Rechtbank Amsterdam 04-05-2022
- ECLI:EU:C:2018:589
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.785 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-096851-26
Datum uitspraak: 16 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 9 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 maart 2026 door de District Court Dolj, Roemenië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] (Roemenië),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.R. Butin Bik, advocaat te Klundert, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court Dolj van 12 juni 2025 met kenmerk 210, definitief geworden op 13 maart 2026 bij arrest van the Craiova Court of Appeal met kenmerk 341.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert nog in het geheel. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon wist niet van de zitting in hoger beroep en was niet aanwezig. Hij heeft nooit contact gehad met de toegewezen advocaat. Dit staat in de weg aan het toestaan van de overlevering.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 van toepassing is, maar dat de rechtbank moet afzien van het toepassen van de weigeringsgrond. Uit de aanvullende informatie van 14 mei 2026 en 26 mei 2026 van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebleken dat de opgeëiste persoon kennis had van de hoger beroepsprocedure, aangezien hij zelf het hoger beroep heeft ingesteld en er een oproeping is gegaan naar het door hem opgegeven adres.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Uit het EAB en de voornoemde aanvullende informatie volgt dat er een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden, waarbij de zaak ten gronde is behandeld en waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. Dit betekent dat de rechtbank de beslissing van the Craiova Court of Appeal met kenmerk 341 zal toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de voornoemde aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg in persoon aanwezig was bij het proces. Hij heeft in de eerste fase van de procedure en voor het begin van het gerechtelijk onderzoek op de zitting van 4 december 2024 een bekennende verklaring afgelegd. De opgeëiste persoon heeft zelf hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. De oproep voor de zitting in hoger beroep is verstuurd naar het door hem opgegeven adres, waar ook de oproep voor de behandeling van de zaak in eerste aanleg naar is gezonden. Daarnaast is de opgeëiste persoon gewezen op de verplichting om iedere adreswijziging aan de Roemeense autoriteiten door te geven en is hij ook gewezen op de consequenties van het niet voldoen aan deze verplichting.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden de opgeëiste persoon klaarblijkelijk op de hoogte was van de verdenking en van het strafproces, ook in (het door hemzelf ingestelde) hoger beroep. Het toestaan van de overlevering levert daarom geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. Voor zover de opgeëiste persoon niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
5Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
6Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden in Roemenië niet humaan zijn. Bovendien is er niemand die controleert of hetgeen wat wordt voorgehouden door de Roemeense autoriteiten in de detentiegarantie klopt. Deze gebreken staan in de weg aan het toestaan van de overlevering.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie het vastgestelde algemene gevaar wegneemt voor de opgeëiste persoon. De detentieomstandigheden zijn daarom geen beletsel voor de overlevering.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, waaronder de overbevolking in de gevangenissen, voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).
Bij brief van 18 mei 2026 is namens de Chief Prison Police Commissioner, Geo Bogdan BURCU, General Director of the National Penitentiary Administration of Penitentiaries ten behoeve van de opgeëiste persoon een detentiegarantie verstrekt waarin het volgende is opgenomen:
“Having regard to your letter in the file no. 4869/63/2024 dated 12.05.2026 regarding the request of the Dutch on the conditions of detention to be undertaken by the named [opgeëiste persoon] (born on [geboortedag]1996, residing in [woonplaats], sentenced to a penalty of 1 year imprisonment) in the event of her transfer to the Romanian authorities, we communicate you as follows:
If the prisoner shall be surrendered to the Romanian authorities on Henri Coanda Airport-Bucharest,
he shall be initially placed in the Bucuresti-Rahova Penitentiary
in order to be subject to the quarantine period for a period of 21 days in a room that will ensure him a minimum space of 3 m2.
(…)
Having regard to the length of the sentence, this will most likely serve the custodial sentence initially in the
open regime
. Furthermore, having regard to his domicile, this will most likely serve the sentence, for the start,
in the Craiova-Pelendava Penitentiary
.
(…) the National Administration of Penitentiaries guarantees that, during the entire term of the sentence, including the bed and furniture, without including the space for the sanitary group, he will benefit of a minimum personal space, thus:
- 3 sqm during the quarantine and observation period;
(…)
- 4 sqm the execution of sentence in open regime.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze individuele detentiegarantie van de Roemeense autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door de garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor het toestaan van de overlevering.
7Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 7 en 12 OLW.
9Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de District Court Dolj (Roemenië) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en E.H. Wisgerhof, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Zie o.a. rechtbank Amsterdam, 4 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2513.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-096851-26
Datum uitspraak: 16 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 9 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 maart 2026 door de District Court Dolj, Roemenië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] (Roemenië),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.R. Butin Bik, advocaat te Klundert, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court Dolj van 12 juni 2025 met kenmerk 210, definitief geworden op 13 maart 2026 bij arrest van the Craiova Court of Appeal met kenmerk 341.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert nog in het geheel. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon wist niet van de zitting in hoger beroep en was niet aanwezig. Hij heeft nooit contact gehad met de toegewezen advocaat. Dit staat in de weg aan het toestaan van de overlevering.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 van toepassing is, maar dat de rechtbank moet afzien van het toepassen van de weigeringsgrond. Uit de aanvullende informatie van 14 mei 2026 en 26 mei 2026 van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebleken dat de opgeëiste persoon kennis had van de hoger beroepsprocedure, aangezien hij zelf het hoger beroep heeft ingesteld en er een oproeping is gegaan naar het door hem opgegeven adres.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Uit het EAB en de voornoemde aanvullende informatie volgt dat er een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden, waarbij de zaak ten gronde is behandeld en waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. Dit betekent dat de rechtbank de beslissing van the Craiova Court of Appeal met kenmerk 341 zal toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de voornoemde aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg in persoon aanwezig was bij het proces. Hij heeft in de eerste fase van de procedure en voor het begin van het gerechtelijk onderzoek op de zitting van 4 december 2024 een bekennende verklaring afgelegd. De opgeëiste persoon heeft zelf hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. De oproep voor de zitting in hoger beroep is verstuurd naar het door hem opgegeven adres, waar ook de oproep voor de behandeling van de zaak in eerste aanleg naar is gezonden. Daarnaast is de opgeëiste persoon gewezen op de verplichting om iedere adreswijziging aan de Roemeense autoriteiten door te geven en is hij ook gewezen op de consequenties van het niet voldoen aan deze verplichting.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden de opgeëiste persoon klaarblijkelijk op de hoogte was van de verdenking en van het strafproces, ook in (het door hemzelf ingestelde) hoger beroep. Het toestaan van de overlevering levert daarom geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. Voor zover de opgeëiste persoon niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
5Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
6Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden in Roemenië niet humaan zijn. Bovendien is er niemand die controleert of hetgeen wat wordt voorgehouden door de Roemeense autoriteiten in de detentiegarantie klopt. Deze gebreken staan in de weg aan het toestaan van de overlevering.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie het vastgestelde algemene gevaar wegneemt voor de opgeëiste persoon. De detentieomstandigheden zijn daarom geen beletsel voor de overlevering.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, waaronder de overbevolking in de gevangenissen, voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).
Bij brief van 18 mei 2026 is namens de Chief Prison Police Commissioner, Geo Bogdan BURCU, General Director of the National Penitentiary Administration of Penitentiaries ten behoeve van de opgeëiste persoon een detentiegarantie verstrekt waarin het volgende is opgenomen:
“Having regard to your letter in the file no. 4869/63/2024 dated 12.05.2026 regarding the request of the Dutch on the conditions of detention to be undertaken by the named [opgeëiste persoon] (born on [geboortedag]1996, residing in [woonplaats], sentenced to a penalty of 1 year imprisonment) in the event of her transfer to the Romanian authorities, we communicate you as follows:
If the prisoner shall be surrendered to the Romanian authorities on Henri Coanda Airport-Bucharest,
he shall be initially placed in the Bucuresti-Rahova Penitentiary
in order to be subject to the quarantine period for a period of 21 days in a room that will ensure him a minimum space of 3 m2.
(…)
Having regard to the length of the sentence, this will most likely serve the custodial sentence initially in the
open regime
. Furthermore, having regard to his domicile, this will most likely serve the sentence, for the start,
in the Craiova-Pelendava Penitentiary
.
(…) the National Administration of Penitentiaries guarantees that, during the entire term of the sentence, including the bed and furniture, without including the space for the sanitary group, he will benefit of a minimum personal space, thus:
- 3 sqm during the quarantine and observation period;
(…)
- 4 sqm the execution of sentence in open regime.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze individuele detentiegarantie van de Roemeense autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door de garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor het toestaan van de overlevering.
7Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 7 en 12 OLW.
9Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de District Court Dolj (Roemenië) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en E.H. Wisgerhof, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Zie o.a. rechtbank Amsterdam, 4 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2513.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.