Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:6057

2026-06-03 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11867746 \ EA VERZ 25-1028
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-06-03
Publicatiedatum
2026-06-15
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11867746 \ EA VERZ 25-1028
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoekster is geslaagd in het leveren van bewijs dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst bedoeld hebben dat de bedrijfsruimte als restaurant zou worden gebruikt. Verzoekster wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.403 tekens)
RECHTBANK
AMSTERDAM



Civiel recht
Kantonrechter



Zaaknummer / rekestnummer: 11867746 \ EA VERZ 25-1028




Beschikking van 3 juni 2026




in de zaak van





[eiser] handelend onder de naam [bedrijf],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. B.J.R. Loijmans,



tegen





[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigden: C. Michaëls en E. Michaëls.






1De procedure


1.1.
Het verdere verloop van de procedure bestaat uit de volgende stukken:


het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 17 december 2025,


de aanvullende producties van de zijde van [eiser],


de aanvullende producties van de zijde van [gedaagde].





1.2.
Op 2 april 2026 heeft de kantonrechter getuigen gehoord. De getuigen hebben ook vragen van de gemachtigde van [eiser] en van de gemachtigden van [gedaagde] beantwoord. Van dit getuigenverhoor is een proces-verbaal opgemaakt.



1.3.
Na het getuigenverhoor heeft [eiser] zich bij akte van 16 april 2026 uitgelaten over het getuigenverhoor en de aanvullende producties van [gedaagde]. Vervolgens heeft bij akte van 30 april 2026 [gedaagde] zich uitgelaten over het getuigenverhoor en over de aanvullende producties van [eiser].



1.4.
De beschikking is bepaald op vandaag.





2De verdere beoordeling


2.1.
De kantonrechter blijft bij wat in de mondelinge tussenbeschikking van 17 december 2025 is geoordeeld. In die beschikking heeft de kantonrechter [eiser] in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst voor ogen stond dat het gehuurde zou worden gebruik als restaurant.



2.2.

[eiser] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt door nadere producties over te leggen en door [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4] en [naam 5] als getuigen te horen. [gedaagde] heeft nadere producties overgelegd, maar afgezien van het horen van getuigen in contra-enquête.



Juridisch kader bewijslevering




2.3.
Op grond van artikel 152 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (Rv) is de waardering van bewijs overgelaten aan het oordeel van de rechter, tenzij de wet anders bepaalt. De maatstaf is of met redelijke mate van zekerheid (voldoende aannemelijk) kan worden vastgesteld dat een te bewijzen feit zich heeft voorgedaan (Hoge Raad 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:182).



Gebruik als restaurant




2.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter is [eiser] geslaagd in het leveren van bewijs dat partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst voor ogen stond dat het gehuurde zou worden gebruikt als restaurant. Hier uit zou moeten volgen hoe het gehuurde feitelijk is gebruikt na aanvang van de huurovereenkomst en of dit overeenkomstig de intentie van partijen is geweest. Daarvoor is het volgende redengevend.



2.5.

[eiser] heeft getuigen laten horen en die getuigen hebben allemaal verklaard dat de bedrijfsruimte, voor zover bij hen bekend, steeds als restaurant is ingericht en gebruikt. Eén van de getuigen ([naam 5]) heeft daarnaast verklaard dat de persoon die de huurovereenkomst met [eiser] is aangegaan (hierna: de oorspronkelijk verhuurder), aanwezig is geweest bij, en heeft geholpen met, de verbouwing van de bedrijfsruimte. Volgens deze getuige was de oorspronkelijk verhuurder ook aanwezig bij de opening van het restaurant en heeft hij daarna regelmatig het restaurant bezocht. Ook de andere getuigen hebben verklaard dat de oorspronkelijk verhuurder het restaurant regelmatig bezocht heeft.



2.6.
De kantonrechter acht de getuigenverklaringen betrouwbaar. De getuigen hebben de eed afgelegd en hebben consistent verklaard. Bovendien zijn twee van de getuigen werkzaam als politieagent. De kantonrechter ziet dan ook geen reden om aan de verklaringen te twijfelen. Dat de getuigen onderling over de inhoud van de zaak zouden hebben gesproken is door [eiser] gemotiveerd betwist en door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Evenmin zijn er in voldoende mate aanwijzingen dat de getuigen hierdoor hun verklaring hebben laten beïnvloeden en in strijd met de waarheid hebben verklaard. Ook de omstandigheid dat niet alle getuigen hebben verklaard dat zij de oorspronkelijk verhuurder bij de verbouwing hebben gezien, maakt niet dat de verklaringen onbetrouwbaar zijn.



2.7.
Uit de verklaringen – met name de verklaring dat de oorspronkelijk verhuurder bij de verbouwing van het pand betrokken is geweest – kan naar het oordeel van de kantonrechter in redelijke mate van zekerheid worden vastgesteld dat de bedrijfsruimte vanaf het begin van de huurovereenkomst als restaurant is gebruikt. [gedaagde] heeft daar onvoldoende tegen ingebracht. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat de bedrijfsruimte sinds de start van de huurovereenkomst als restaurant is gebruikt en dat dit ook de bedoeling van partijen is geweest. In hoeverre de door [eiser] overgelegde nadere stukken haar stelling bewijzen, kan om die reden onbesproken blijven. De door haar overgelegde stukken onderbouwen de verklaringen van de getuigen en het standpunt van [eiser] zelf.



Verlenging ontruimingsbescherming




2.8.
Een restaurant is een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 lid 2 sub a BW. Om die reden heeft [eiser] geen ontruimings-, maar huurbescherming. [eiser] wordt daarom, zoals door haar verzocht, niet-ontvankelijk verklaard in haar (voorwaardelijke/ subsidiaire) verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn.



De proceskosten




2.9.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten worden begroot op: € 921,50, bestaande uit het griffierecht (€ 90,-), het salaris van de gemachtigde (3,5 punt x €217,- ) en de nakosten (€ 72,-).





3De beslissing


De kantonrechter



3.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in haar verzoek,



3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 921,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als niet tijdig aan de veroordeling wordt voldaan en de beschikking daarna wordt betekend,



3.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Deze beschikking is gegeven door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 3 juni 2026.




64183